Liefde is beter

‘Geef me een euro en je krijgt er 1 euro en 50 cent voor terug’, was het opschrift van een stuk afvalhout. Het aanbod was afkomstig van een man die een tijdje bij de ingang van Hoog Catharijne stond toen ik net in Utrecht kwam wonen. Soms denk ik nog met genoegen aan hem terug. Niemand stopte voor hem. De mensen liepen, ondanks de snelle winst die er te boeken viel argeloos voorbij, soms was er iemand die een schamele glimlach over zijn of haar lippen wist te krijgen. Meer niet.
Grappig fenomeen. Zeker voor krenterige Nederlanders voor wie elke cent toch meetelt alsof het een fortuin op zich is. Je zou denken dat de mensen als een bezetene zouden toeschieten met hun euro’s, om zo voordat ze gaan werken of winkelen toch snel de waarde van hun geld even met de helft konden verhogen. Niets was minder waar.
Waren de mensen bang voor een addertje? Verwachtten de mensen een ellenlange preek of klachtenstroom waar ze niet op zaten te wachten? Vermoedden ze dat de man ze in ruil voor geld heimelijke theorieën zou inpeperen?
Maar misschien was het wel heel iets anders. Misschien deed de man het omdat hij een goed hart bezat. De man stond er lang en vaak en het was mij nooit opgevallen dat er iemand voor hem stopte.
Op een mooie dag was het raak. Een vriendelijke mevrouw met grijs haar stond een tijdje te weifelen en stapte op de man af, pakte haar portemonnee en duwde de man met een glimlach een euro in de hand. De man opende een houten sigarendoosje waar hij de euro in stopte. Keek een moment naar zijn, misschien wel eerste klant en haalde 1 euro 50 uit een stoffen portemonnee.
Ondanks het feit dat dit precies was wat hij had beloofd keek de vrouw hem met enige verbazing aan. ‘Waarom doet u dit?’ vroeg ze stamelend. Ook ik vroeg me dat af. Het leek me geen heel erg winstgevende business. ‘Gewoon, omdat ik het leuk vind,’ was zijn doodsimpele antwoord.

Soms denk ik hier nog over na. Ik vind het leuk dat ik de man heb mogen kennen. Nog steeds. Maar uiteraard vind ik het ook nog steeds heel wonderlijk. Het wonderlijkst is hoe de mensen doen die voorbij lopen. We staan in de rij voor dingen die we door en door kennen en voor bijzondere dingen staan we blijkbaar niet vaak open. Eigenlijk is dat jammer. Of zonde. Zonde is een beter woord.
Blijkbaar staat de mens over het algemeen niet helemaal open voor wat de mensen om ons heen ons te bieden hebben. We staan niet open voor verhalen, wijsheid en liefde van anderen.
Na lang nadenken heb ik het idee dat er maar twee drijfveren zijn wanneer het gaat om omgaan met anderen. De een (en vaakst voorkomende) is vanuit angst. En angst kent meerdere kanten. De ander is vanuit liefde. Ook liefde heeft meerdere kanten, allemaal even mooie kanten. Leven vanuit liefde levert per definitie het meest op.
Dat blijkt.

Het begin van het grote vergeten is voor veel mensen het begin van een wrang en triest gefaseerd afscheid. Het grote vergeten, beter bekend als Alzheimer, is door de jaren heen een groter probleem aan het worden in onze wereld. de ziekte sluipt er langzaam in. Eerst haast onmerkbaar, later verlies je grip op alles. Je weet niet meer waar je ook al weer heen ging, waar je leeft en of je nou al gegeten hebt of niet. Alle dingen uit het heden gaan aan je voorbij, hoe dichtbij ook. Uiteindelijk is het hele korte termijn geheugen foetsie en kan iemand, zoals ik een quote opving, alleen maar in het verleden denken en niet meer in heden of toekomst.
Vergeten kan handig zijn, bijvoorbeeld als je bij het kopen van nieuwe schoenen even vergeet te denken aan de jonge Thaise vingertjes die ze voor je in elkaar hebben gezet. Het is een gave om te kunnen vergeten hoeveel pijn het ook al weer deed als je beugel strak werd gezet bij de orthodontist, maar natuurlijk is vergeten lang niet altijd een gave. Vergeten heb ik altijd een boeiend onderwerp gevonden.
Samen met een klasgenoot ben ik bezig aan een korte radiodocumentaire over de ziekte Alzheimer, waar zo’n 20% van de lezers mee te maken zal krijgen. Uiteraard moeten we voor dit werk in gesprek met Alzheimerpatiënten en hun omgeving. Aandoenlijk. In één woord. Ondanks het feit dat sommigen er ontzettend nuchter over kunnen doen blijft het aandoenlijk.
Voor het eerst besef ik me hoe sneu het voor degene is die samenwoont met de patiënt. In de meeste gevallen de echtgenoot. Ik kan me niet voorstellen hoe het voelt dat je 55 jaar getrouwd bent en je ziet je echtgenoot veranderen in iemand die zichzelf niet meer kent. In iemand die jij niet meer kent en iemand die permanent in de gaten gehouden moet worden omdat hij anders niet voor zichzelf kan in staan, ondanks dat de patiënt fysiek nog in prima staat verkeert.
Bijna eindeloos heb ik voorbeelden gehoord van situaties waar mensen compleet verdwaalden, ‘s nachts krijsend wakker werden van dieven die er niet waren en rijk fantaserend dachten dat ze in hun diensttijd in het leger zaten. Allemaal interessant en aangrijpend, maar wat me het meest ontroerde waren de echtgenoten die allemaal zeiden: “Ik wil ze zelf begeleiden. Mijn man of vrouw kan alles nog alleen ze vergeten de hele dag dingen van eten tot sleutels tot waar ze zijn, tot hun verjaardag.” Ze kunnen van alles vergeten maar de echtgenoten willen praktisch allemaal per se de hele tijd bij de ander zijn. Want we trouwen niet alleen voor de mooie tijden.
Natuurlijk trouw je niet alleen voor de mooie tijden. Natuurlijk ben je er voor elkaar en hou je van elkaar en natuurlijk wijs je iemand niet af omdat iemand last krijgt van geheugenproblemen. Maar waarom voel ik dan zo veel bij die opmerkingen?
Dat vind ik lastig. Het gaat vooral om het besef denk ik. Het besef dat niet alles blijft zoals het is. Het besef dat er inderdaad mindere tijden zijn, mindere tijden die nooit meer beter zullen worden en alleen maar slechter. Het afscheidnemen van iemand zoals je diegene kent heeft dan een lange weg. Dat per sé niet uit handen geven van de zorg moet wel te maken hebben met echte liefde. Mensen staan vol achter dat besluit en kiezen voor een keihard gevecht. Feitelijk geef je dan ook je eigen , vrije leven op, met als enige argument: Zo zijn we getrouwd!
Ik hoop zo erg dat ik ook ga trouwen. Zonder het grote vergeten te hoeven vergeten…..

Het zat er al een tijdje aan te komen, maar nu is het een feit: Twarres is terug. Ik ben nooit groot fan geweest van het Friese muziekduo, maar toch staan ze altijd op een belangrijke plaats in mijn journalistieke bestaan. Het eerste interview dat ik ooit hield was namelijk met hen.
Ik was veertien jaar oud en kwam net in aanraking met radio. Bij de toenmalige stadsradio van Tilburg, Goirle & Oisterwijk had ik net een eigen programma dat ik iedere week met een van trots en toen nog geforceerde spanning presenteerde. Ik draaide nog maar een paar weken mee en toen gaf Twarres een concert in 013. Een paar dagen ervoor hoorde ik van mijn producer dat ik ze mocht gaan interviewen. Echte artiesten interviewen, een jongensdroom ging in vervulling. Ik vond het geweldig, maar kon de spanningen totaal niet weerstaan. Ik sliep vanaf toen tot het interview niet meer en ik kon nergens anders mee bezig zijn. Daarom is het ook maar goed dat ik dit een paar dagen van tevoren hoorde en niet een paar weken, ik zou het nooit overleefd hebben.
Het leek me leuk om, als de gelegenheid zich dan toch voordeed, ook een camera mee te nemen. Ik regelde een fantastische recorder en die bewuste camera, inclusief cameraman. Die nacht ervoor ging ik ieder uur uit bed om te testen of de apparatuur nog werkte en van mijn zakgeld kocht ik die ochtend extra batterijen, want je weet maar nooit. Niets kon er meer mis gaan.
Het interview zou vlak voor het concert plaatsvinden, maar ik zat rond een uurtje of vier in de middag al stuiterend startklaar op mijn plaatsje. De technici van 013, die overal rondliepen, vonden het uitermate grappig. Toch liet ik me niet van de wijs brengen en bleef stug zitten.
Eindelijk was het zover, in de luxe artiestenruimte in poppodium 013 zou Guus Beenhakker Twarres gaan interviewen. Ik zat op het puntje van mijn stoel, met een klotsende maag van het water dat ik maar was gaan drinken tegen de zenuwen. Mirjam Timmer en Joost Bloemendaal, de twee bandleden, kwamen rustig en relaxt binnen. De recorder deed het, er zat een gloednieuw bandje in, de camera liep ook. Mirjam en Joost namen plaats op een rode bank tegenover me en waren er helemaal klaar voor. Dus, kom maar op met je vragen.
Op dat moment trok er een verschrikkelijke kramp door mijn maag. Op het filmpje is te zien hoe ik wit wegtrok en mijn hand tegen mijn mond sloeg om een grote vloek tegen te houden. “Shiiiiiit,” dacht ik. “Vragen…..”
Alle begin is moeilijk. Vaak kun je jezelf wel redden, maar ook in die jaren was ik al geen groot fan van de band en dat werd door de geringe kennis waarmee ik dingen vroeg op een erbarmelijke manier duidelijk. Het interview leek U-ren te duren. Toen de twee eindelijk opstapten hoorde ik Joost tegen Mirjam mompelen: “Het lijkt alsof hij nog maar veertien is.” Dat was denk ik mijn redding.

Inmiddels is het duo dus weer terug en het zou me fantastisch lijken om ze nog eens te spreken, ik heb iets goed te maken van toen ik veertien was. Ik heb er inmiddels bijna 8 jaar radio op zitten en bovendien een torenhoge interview-ervaring als ik het met toen vergelijk. Mirjam & Joost, ik daag jullie uit!

Oja, en hier is overigens de nieuwe singel:

Onderweg

In de trein naar Alphen aan den Rijn

Ik ben blij als we er bijna zijn

Want nu voel ik niks dan de pijn

Van deze hele korte halfrijm.

Alleen maar wil ik bij je zijn,
Toch ga ik je uit de weg,
Omdat ik alsmaar bang ben,
Dat ik domme dingen zeg.

PARADOX PIJN

VECHTER VOOR VADERLAND WORDT NA AMPER 10 JAAR LANDVERRADER

De paradox van de N.S.B. Halfrijm. In beginsel opkomen voor Nederland en eindigen als ‘s-lands zwartste organisatie uit de oorlog. In de jaren ’30 kwam de Nationaal Socialistische Beweging (N.S.B.) op voor Nederland. Nederlandse normen en waarden en Nederlandse belangen stonden centraal. Dat was geen ongewone ontwikkeling in de tijd van fascistisch Italië en een paar jaar later Nationaal-Socialistisch Duitsland. Op zich deed de N.S.B., misschien mede door gebrek aan macht, weinig verkeerd in het begin. Toch liep het zoals iedere lezer wel weet, slecht af met de politieke beweging. N.S.B.’er is volgens menigeen nog altijd het ergste scheldwoord waar een Nederlander voor uitgemaakt kan worden.
Ik zit in de trein. Op de terugweg van een interview met een vrouw die zich ooit inschreef bij de N.S.B. Tot drie keer toe kreeg ik het verzoek of ik haar in de uitwerking van het interview toch echt een andere naam wilde geven. Het feit dat deze vrouw, en eigenlijk vooral haar dochter, zo ontzettend bang is dat mensen er nu nog achter gaan komen dat ze vroeger bij de N.S.B. zat vind ik indrukwekkend. Dat het niet iets is waar je het graag over hebt, dat je er spijt van hebt en dat het geen positief beeld over iemand geeft snap ik allemaal. Maar het feit dat ik het stelling moest volhouden en dat er dan nog steeds wantrouwen is of ik me er wel echt aan ga houden doet me wat. We zijn immers ruim 65 jaar verder.
Waarom deze vrouw lid werd? Het land verkeerde in diepe crisis en het was belangrijk dat we terug gingen naar de Nederlandse standaarden die twintig jaar eerder nog zegevierden, dat was haar visie (zegt ze). Dat was haar motief om lid te worden en op de partij te gaan stemmen. Van sympathie voor allerlei Hitlerpraktijken was toen nog niet echt sprake. Amper tien jaar later werd ze hardhandig opgepakt en geïnterneerd in een vreselijk kamp op een Utrechts fort.
Dit gebeurde met veel mensen die lid waren of daar na de oorlog van werden verdacht. Terecht. Zullen veel Nederlanders, niet bepaald onterecht denken. Ook ik hoor bij die mensen. Landverraders zullen moeten boeten. Voor wat er met de samenleving gebeurd is, maar ook om de vrijheid te bezegelen. Dat boeten gebeurde, de verhalen die ik vandaag hoorde over de toestanden in die kampen waren erbarmelijk. Die kamptoestanden zijn een groot taboe. Wat er gebeurde is lang geheim gehouden door de mensen die op het kamp werkten. En ja, de geïnterneerden wilden het onderwerp niet aansnijden vanwege het pijnlijke element waaruit zou blijken waar ze stonden in de oorlog.
De straffen waren enorm. De burgerij moest van ze afblijven. Oorlogsmisdadigers waren formeel niet vogelvrij, maar de pijn die de geïnterneerden op straat bespaard bleef, kregen ze in het kamp dubbel. Natuurlijk zal ik de laatste zijn die de oorlog vanuit de N.S.B. goed zal praten, veel mensen die daar zaten hadden ook een niet te genezen bochel van zonden op hun rug dat ze er terecht zaten. Maar er is een groep mensen die zich aansloot bij de beweging om te overleven of, voor de oorlog, om het Nederlanderschap te onderstrepen.
Neem die laatste groep. Eerst zet zo iemand zich in voor Nederland, om een kleine tien jaar later zonder iets in zijn of haar leven te veranderen als landverrader weggehoond te worden. Er is een aantal onschuldige mensen vernederd in Nederlandse concentratiekampen (kenden we dat niet ergens van?). Een ijskoude paradox. Daar werd, begrijpelijk, niet naar gekeken en enkelen hebben door dat lot wel de doodstraf gevonden voor een objectief beschouwd niet per sé verkeerde keuze. Terwijl anderen, mensen die veel grovere fouten maakten er soms met een schikking vanaf kwamen. Natuurlijk, men werd niet zomaar opgepakt. Maar onderscheid was er ook weinig. Dat verschil werd me vandaag, zonder iets te willen fout- of goedpraten, pijnlijk duidelijk.

Meer over dit onderwerp is hier te vinden.

Orde van de dag: Iemand ziet eruit of wil eruit zien als Guus Beenhakker. Buiten Guus Beenhakker zelf, want Guus Beenhakker zelf wil eruit zien als Justin Bieber.
Ja, het is echt! Laatst kwam er om 3.31 een smsje met de strekking: “Hoorde je niet eens dat ik ‘Hoi Guus’ zei”. Ik werd er wakker van, keek om me heen en zag alleen een donkere kamer. Een stille ruimte waar het licht van de dichtstbijzijnde lantaarnpaal zacht, als een kabbelende bergkreek naar binnen gleed. Verder was het stil. Niemand te zien. Dus ook geen mensen die “Hoi Guus” riepen. Maar het feit dat mensen me om 3.31 uur smssen om opheldering waarom ik geen “Hoi” of iets dergelijks terug riep moet toch betekenen dat Het (laat ik diegene die op Guus Beenhakker lijkt of wil lijken even ‘Het’ noemen) toch een adembenemend goede gelijkenis moet zijn geweest.
Afijn, kan gebeuren. Op tijdstippen als 3.31 uur is het misschien wel logischer om te doen wat je niet laten kunt en te gaan smssen. Had ik best kunnen doen, dacht ik. Niet als ik Guus Beenhakker tegen het lijf zou lopen, maar wel bij iemand uit mijn vriendenkring bijvoorbeeld. Dus ik legde de gebeurtenis naast me neer, dronk een slok water, draaide me om en sliep verder.
Eigenlijk was ik het hele voorval alweer snel vergeten. Totdat ik, eigenlijk niet lang daarna, iemand sprak die zei: “Hee, ik zag je laatst in de stad staan, dacht ik. Toen ik op je schouder klopte en diegene omkeek bleek je het helemaal niet te zijn.” Daarbuiten ben ik nog twee keer ergens gespot waar ik niet geweest ben. Voor zover ik weet tenminste. Er gebeuren natuurlijk rare dingen, zoals Deense kabouterplaatjes die ineens in je leven zitten, het bestaan van Def Rhymz, rare mailtjes krijgen van mensen die me een lening aan willen smeren en het krijgen van spierpijn. Het één nog raarder dan het ander. Dus misschien kom ik ook wel op plaatsen die ik vervolgens vergeet. Maar ik denk het niet, dan zou er meer mis zijn.
Zou er iemand in deze stad rond lopen die er heel graag uit wil zien als Guus Beenhakker? Ik kan het me eigenlijk niet voorstellen. Je moet het ook niet willen. Ik bedoel, je kunt toch veel beter je best doen op Justin Bieber, Ali B of een – oude of nog jonge- Marco Borsato te lijken? Come on!
To the point: Waar wil ik eigenlijk naartoe. Ik ben benieuwd wat er aan de hand is. Nu, na een avond Orca, maar ook op andere momenten. Ik snap het niet meer. Ik zou Het toch graag eens in de ogen zien. Dus kom je Het tegen, schroom niet, maak een foto en tag me. Ik wil mezelf zien. Ken je iemand die lijkt op Guus Beenhakker of lijk je zelf op Guus Beenhakker, meld het even. Je weet maar nooit wat ervan komt! En nee, ik zal niet bijten. Ik bijt eigenlijk nooit.

Alvast bedankt,
Guus Beenhakker

Sentiment

Ik kreeg een Tamagotchi,
Die piepte in ‘t Japans.
Maar ik riep: ‘Het zal me juken’,
Ik versta alleen maar Frans.

Ik wacht op je!

Beste meneer, of mevrouw slaap,

Ik heb voor je gezongen. Een tijdje later nog een keer. En toen dacht ik: “Driemaal scheepsrecht,” dus HOP! Nog eens. Maar nee, geen meneer slaap en ook geen mevrouw slaap. Geen meneer of mevrouw überhaupt! Maar dat ter zijde.
Ik heb een glaasje water voor je op mijn nachtkastje staan en ik poetste mijn tanden voor je, meneer slaap. Hoor je mij? Ja, ik verkleedde me zelfs speciaal voor jouw komst en alsof dat nog niet genoeg is lig ik al uren te denken. Vooral aan jou!
En ja, ik weet het! Ik heb je genegeerd, de kop ingedrukt. Ik ben te lang doorgegaan en ik moest zo nodig bellen, muziek luisteren, filmpjes over pinguïns kijken, denken, schrijven, lopen, web2.0-man spelen en de hele riedel. Ik heb je verdronken met cola. Het was niet goed. Je had gelijk! Oké!? Maar nu probeer ik het goed te zingen. Heel zachtjes. Heel zoet. Wil je nog luisteren? Ik hoop van wel. Straks wordt ook mijn huid nog moe. Dan zal ik rimpels krijgen. Diepe rimpels van een immens allooi! En niet alleen op mijn voorhoofd, maar overal. Plooien krijg ik, over heel mijn lichaam. Een vereeuwiging van structureel te weinig jouw aanwezigheid. Alsjeblieft, help me deze nacht. Ik wil geen rimpels. En ook geen plooien. Ik wil jou!
Ik zoek stug door naar je, in mijn kussen, op het plafond, op mijn boekenplanken, ook in het boek “Nader tot U” heb ik je niet kunnen ontdekken, op tafel en starend naar de kast vond ik je evenmin. Ik zoek je zelfs in de opkomende zon en in de binnenkant van mijn ogen…. Maar nee, geen meneer slaap en ook geen mevrouw slaap.
Ik las ooit een stuk van iemand die de verrukking van verlangen wilde uitleggen. Verlangen. Ik vind er niets aan. Verlangen. Het woord alleen al is stom. Verlangen. Oké soms is verlangen fijn, dat moet ik toegeven. Het kan heerlijk zijn om te verlangen, het kan zelfs verrukkelijk zijn. Maar nu op dit moment is het niet leuk meer. Zie je meneer slaap, of mevrouw slaap: in de vorige zin gebruikte ik zelfs een pleonasme om mijn verlangen naar je te uiten! Ik vind het genoeg zo.
Na dit bericht, deze slijmbrief, alleen voor jou, moet je me toch helpen….. Toe! Dan ben je morgen de hele dag mijn vriend! Morgen ben je vast met mij, slaap.
Kom je er snel aan?

Dit is niet pluis zo!

“Ik ga morgen een walvissentattoo op mijn rug laten zetten. Zo’n grote kromme blauwe, met lieve ogen en een paar druppels eromheen.”

“Ojaaa joh!?”
[Zet een geforceerde glimlach aan en stoot semi-enthousiast tegen de zij van de ander]
“Wat gaaaaf! Wat gaaaf! Gaaaf hoor! Echt heel gaaf joh.”

Jij en ik!

Vanochtend stonden we samen op
Je bleef steeds bij me gedwee
Met jou constant in m’n kop
Leef ik de hele dag voor twee!