[NLroei] Laat mij maar schrijven

Logo Nlroei - Laat mij maar schrijven

De column ‘Laat mij maar schrijven’ zette ik voor NLroei op papier, het roeinieuwsplatform waarbij ik deel uitmaak van de redactie. Mezelf als onderwerp voelde een beetje ongemakkelijk, maar het resultaat is wel een stuk dat oprecht gemeend is.

Laat mij maar schrijven

Ik ben zelf nooit een roeiwonder geworden en ook als coach heb ik nooit echt noemenswaardige dingen bereikt. Toch kan ik zeggen dat ik sinds twee jaar verzeild ben geraakt in de dagelijkse roeipraktijk. En dat is mooi.

In mijn studententijd ben ik via Orca met roeien in aanraking gekomen. En aangezien ik als student journalistiek ook in het schrijven bedreven raakte was een directe klik makkelijk ontstaan. Van het een kwam het ander.

Twee jaar geleden werd ik samen met twee andere redacteuren betrokken bij het “nieuwe” NLroei. Zo leerde ik de roeiwereld pas echt kennen. Als lid van een betrokken en efficiënte redactie met een mooi doel: het nationale roeien op een eigen wijze dagelijks verslaan. En aan een steeds groeiende lezersgroep is te merken dat verslag van de dagelijkse gang van zaken wordt gewaardeerd.

Ik vind het belangrijk dat toproeien in de verticale lijn de aandacht krijgt. Behaalde medailles op internationale toernooien zijn fantastisch en lezers van binnen en buiten de roeiwereld smullen ervan. Maar daar moet het niet allen over gaan. Waar de basis van het roeien vaak wordt aangeleerd in een eerstejaarsploeg, behoort de verslaggeving ook tot daar door te dringen. Gedurende het seizoen maak ik met plezier mijn berichten over de eerstejaars- en developmentprestaties. Ook dat is roeisport en belangrijk om te belichten.

Zelf nooit aan de start van een groot toernooi hebben gelegen kan soms een voordeel hebben bij het maken van stukken. Tijdens interviews –met name met oud gedienden- vraag ik soms naar heel basale zaken, waarvan ik me achteraf soms afvraag of ik dat niet had moeten weten. Het antwoord is vrijwel altijd ‘neen’. Wat ik geregeld terughoor is dat mensen het waarderen om de basis op een, laat ik het ‘jip-en-janneke-manier’ noemen, uitgelegd te krijgen.

Voor andere opdrachtgevers in de journalistiek schrijf ik vaak voor geschreven pers, dag- en maandbladen of grotere platforms. NLroei is sneller, vluchtiger en kleiner, maar vooral is de doelgroep dichterbij. De feedback op mijn stukken is daarmee ook veel directer. Vaak levert dat een enorme pluim op. Op andere momenten zijn de kritische mensen. Soms terecht, soms onterecht in mijn ogen. En omdat ik betrokkenheid op andere plaatsen vaak mis, zegt dat wat over die bij NLroei.

En we kunnen wat bereiken. Behalve goed gelezen stukken was ik bijvoorbeeld enorm trots op alle tienduizenden handtekeningen bij een petitie voor twee olympisch gekwalificeerde Belgen, die niet naar Rio mochten. In 2016 bij de Holland Beker door Mahé Drysdale uitgereikt aan de FISA. Op zowat alle vlakken is blijk van een betrokken lezersgroep en, wederom, de waardering voor de sport.

En die betrokken lezersgroep wil ik graag behouden. Veel heeft het financieel nog niet opgeleverd. En dat is niet erg. Ik zal er ook nooit van hoeven zwemmen in het geld, maar ik vind het van belang dat ons platform blijft bestaan en dat we ons werk kunnen doen. Zolang onze stukken wordensteeds beter worden gelezen zijn we nodig. Zolang mensen zich met wat voor reactie dan ook betrokken blijven voelen bij het nieuws dat we brengen zijn we goed bezig. Dat geeft onafhankelijk roeinieuws, mijn werk, en dus NLroei bestaansrecht.

Doneer aan NLroei.

 

Instagram: Het zijn eigenlijk aardwetenschappers. #likdesteen

Het zijn eigenlijk aardwetenschappers. #likdesteen –
Instagram: Het zijn eigenlijk aardwetenschappers. #likdesteen
– %%text%%

Dorstlezer: Bossen zijn ‘geen kinderboerderij’

Schotse Hooglanders 'kinderboerderij' Dorst

Voor de september edietie van De Dorstlezer schreef ik dit artikel over koeien:



Bossen zijn ‘geen kinderboerderij’

De loslopende Schotse hooglanders in de bossen zijn mooi, ze hebben er een goed leven en worden gewaardeerd door de vele wandelaars. Maar ze zijn geen attractie. “Het is hier geen kinderboerderij”, zegt eigenaar van de beesten Dirk Geleijns.

Ondanks de grote leefruimte waar de beesten nu kunnen lopen overweegt Geleijns de koeien weg te halen in het bos omdat ze vaak als attractie dienen voor wandelaars. Dat maakt ze gevaarlijk. Er worden selfies gemaakt, honden rennen erachteraan en een enkele keer wordt er zelfs een kind opgezet. “Je zet je kind toch ook niet op een tijger”, verzucht de eigenaar. “De beesten wegen zevenhonderd kilo en de horens zitten er ook niet voor de sier”, weet hij.

De eigenaar citeert een bijschrijft van een selfie: ‘‘’Oei, na het nemen van deze foto moest ik rennen’. Dan kom je dus te dichtbij.” De minimaal toegestane afstand is 25 meter. Het gevaar van dichtbij komen is vooral dat de beesten ongelukkig kunnen bewegen volgens Geleijns: “Er zit geen greintje agressie in deze koeiensoort. Maar alleen al het hoofd schudden kan ervoor zorgen dat je per ongeluk wordt geraakt door een hoorn.”

Staatsbosbeheer overweegt honden totaal te verbieden in het loopgebied. Nu moeten zij worden aangelijnd, op het overtreden van die regel staat al een boete van 90 euro. De hooglanders zijn nodig om het gebied te onderhouden volgens Staatsbosbeheer. Tot het einde van het jaar kijken Staatsbosbeheer en Geleijns het nog aan.

Aan de bosbezoeker dus de boodschap om op te letten in het gebied, afstand te houden, de kuddes niet te doorkruisen en de beesten vooral niet te aaien of aan te raken. Daarmee zijn de regels opgesomd. Eind dit jaar besluiten Staatsbosbeheer en Geleijns: of de honden of de hooglanders het eventueel moeten ontgelden.

Schoolkeuze: De kracht van België

In gemeenten die aan België grenzen is het een veel voorkomende trend: kinderen die aan de andere kant van de grens naar school gaan. Blijkbaar vinden veel ouders het Vlaamse onderwijs een prettiger uitvalsbasis. Bijna tweeduizend Nederlandse leerlingen steken dagelijks de landsgrens over om naar school te gaan. Dit aantal is veel groter dan het aantal leerlingen met een Belgische nationaliteit met een schoolkeuze in Nederland.

Maar wat maakt het Vlaamse onderwijs zo populair? Wat hebben de Vlaamse scholen dat de Nederlandse niet hebben? Maaike van de Watering (Radboud Universiteit) deed begin 2016 onderzoek naar motieven van ouders om voor scholen over de grens te kiezen.

 

Eerder onderzoek

In de jaren ’60 onderzocht Geert Hofstede in opdracht van IBM, een van de grootste IT-bedrijven ter wereld, de verschillen tussen nationaliteiten onderzocht. Het bedrijf is in 160 landen gevestigd en alle werknemers zijn gelijk in bijna alle opzichten, behalve in nationaliteit. Door de werknemers met elkaar te vergelijken zijn cultuurverschillen in kaart gebracht. Hofstede maakt in zijn onderzoek onderscheid tussen verschillende dimensies waarop landen van elkaar verschillen. Van de Watering heeft gebruik gemaakt van zijn bevindingen in Nederland en Vlaanderen. Wanneer de resultaten van beide landen op die verschillende dimensies met elkaar worden vergeleken, komen grote verschillen in machtsafstand, masculiniteit en feminiteit en onzekerheidsvermijding aan het licht.

 

  • Machtsafstand; De machtsafstand in een bepaalde cultuur heeft betrekking op de mate van ongelijkheid in een land. In België blijkt dat er grote machtsafstand bestaat, die in Nederland veel kleiner is. In landen met een kleine machtafstand staan leerling en leraar meer gelijk aan elkaar, wordt er van leerlingen initiatief in de les verwacht en is het onderwijsbeleid gericht op gemiddelde niveaus. Er wordt voorkeur gegeven aan samenwerking en overleg. In landen met een grote machtsafstand moeten leerlingen de leerkracht altijd met respect behandelen, zij zijn niet gelijk aan elkaar. De leraar neemt alle initiatieven in de les en het onderwijsbeleid is vooral gericht op de bovengemiddelde niveaus.
  • Masculiniteit versus feminiteit; Een samenleving wordt gezien als feminien als de emotionele sekserollen elkaar overlappen. Van zowel mannen als vrouwen wordt verwacht dat ze bescheiden en teder zijn en zich richten op de kwaliteit van het bestaan. In een masculiene samenleving zijn emotionele sekserollen gescheiden. Mannen worden geacht zich assertief en hard te gedragen en gericht te zijn op materieel succes. Vrouwen horen bescheiden en teder te zijn en vooral gericht op de kwaliteit van het bestaan. Vlaanderen heeft een meer masculiene en weinig feminiene samenleving, terwijl Nederland zich kenmerkt door een meer feminiene dan masculiene samenleving. In het onderwijs is een feminiene samenleving gebaseerd op intrinsieke interesse, jongens en meisjes kiezen gedeeltelijk dezelfde vakken, vriendelijke docenten worden het meest gewaardeerd, de gemiddelde leerling is de norm en zwakkere leerlingen worden geprezen ter aanmoediging. In een masculiene samenleving zijn slechte studieprestaties een ramp, is de beste leerling de norm, worden goede leerlingen geprezen en kiezen jongens en meisjes verschillende vakken.
  • Onzekerheidsvermijding; In Vlaanderen is sprake van een relatief grotere onzekerheidsvermijding en in Nederland is die relatief klein. In het onderwijs wordt bij een grote onzekerheidsvermijding van docenten verwacht dat ze alles weten. Docenten moeten ouders informeren, resultaten worden toegeschreven aan omstandigheden en toeval en leerlingen waarderen gestructureerde onderwijssituaties. In een cultuur met een zwakke onzekerheidsvermijding mogen docenten zeggen het antwoord niet te weten, worden resultaten toegeschreven aan eigen bekwaamheid en worden ouders ingeschakeld door de docent.

 

De hoge mate van machtsafstand, masculiniteit en onzekerheidsvermijding in het Belgische onderwijssysteem lijkt overeen te komen met een leerstofgerichte ideologie (nadruk op de kernvakken lezen, rekenen en schrijven, beroepsvoorbereiding en een gedisciplineerd onderwijsklimaat). Daartegenover kenmerkt het Nederlandse systeem zich door een leerlinggerichte ideologie (individuele ontplooiing, aandacht voor maatschappelijke voorbereiding en een vrijer leerklimaat).

 

Nieuw schoolkeuze onderzoek

Van de Watering deed in het zuidwesten van Brabant onderzoek naar de motieven van ouders die voor het Belgische onderwijs kiezen. Zowel de aanleiding voor de beslissing om de grens over te gaan als de onderwijsgerichte motivering is onderzocht.

 

Ongeveer de helft van de leerlingen volgt eerst onderwijs in Nederland en maakt pas daarna de overstap naar België. Belangrijke aanleidingen zijn positieve verhalen over het onderwijs in België van andere ouders, kennissen, familieleden of andere mensen uit de omgeving. Deze verhalen versterken het idee dat het onderwijs in België beter aansluit bij wat de leerling nodig heeft. Overigens geven verschillende ouders aan zelf ook onderwijs in België te hebben gevolgd. Ook is er een groep ouders die vanwege praktische redenen zoals de afstand of een verhuizing voor onderwijs in België kiest. De helft van de leerlingen die onderwijs krijgen in België heeft nooit op een Nederlandse school gezeten. Het is niet duidelijk of hun ouders een goed beeld hebben van het Nederlandse onderwijs en de verschillen tussen het onderwijs in Nederland en België goed kunnen afwegen. Enkelen geven in het onderzoek aan dat ze zowel scholen in Nederland als in België hebben bezocht.

 

Ouders hebben een paar opvallende motieven om te kiezen voor een Vlaamse school. Zij geven aan dat het onderwijs in België meer discipline, orde, rust en regelmaat in de klas biedt. Er zijn kleinere klassen. Daarnaast ervaren ouders respect voor de leerkracht en benoemen zij ook het respect voor de medeleerlingen. Kinderen leren in Vlaanderen beter om te gaan met respect voor elkaar. De nadruk ligt meer op normen en waarden.

 

 

“In België zijn ze strenger en de leerkrachten worden daar nog aangesproken met u of meneer en mevrouw.”

 

 

Ouders vinden dat er een fijnere sfeer in de klas hangt. Opvallend is dat de motieven een consistent beeld geven met de eerder genoemde leerstofgerichte ideologie. Er zijn ouders die vinden dat het onderwijs in België hun kind met een speciale onderwijsbehoefte beter kan begeleiden. Ook zijn er ouders die aangeven dat hun kind op een Nederlandse school gepest werd en de school hier onvoldoende hulp in kon bieden.

 

 

“Het jongste kind was heel intelligent en men wilde in Nederland geen extra leerstof aanbieden. In België werd dit wel gedaan.”

 

 

 

“Mijn zoon werd gepest en ik kreeg onvoldoende medewerking van de school in Nederland om dit op te lossen.”

 

 

Grafiek Schoolkeuze België

Weergave van de motieven van ouders om voor het Belgische onderwijs te kiezen.

 

De organisatie van de school wordt ook aangehouden als motivering. Ouders vinden het positief dat zwemonderwijs is opgenomen in het Vlaamse lesprogramma en geven aan dat de voor- en naschoolse opvang beter geregeld is. Een aantal ouders geeft aan dat er meer buitenschoolse activiteiten worden georganiseerd.

De kwaliteit van het onderwijs geldt soms als motief voor de schoolkeuze. Ouders geven aan dat het onderwijs in België beter staat aangeschreven dan dat in Nederland. Ook geven ze aan dat de leerkrachten hun werk beter doen. Opvallend is dat deze uitspraken ook gedaan worden door ouders van leerlingen die rechtstreeks naar België zijn gegaan en zelf dus geen ervaring hebben in het Nederlandse onderwijs.

 

 

“In ons dorp in Nederland op moment van start kleuter- en lagere schoolonderwijs waren er geen mogelijkheden tot voor- en naschoolse opvang.”

 

 

“In vergelijking met vriendjes die in Nederland naar school gaan heeft mijn zoon meer kennis op gebied van taal en rekenen, maar ook op algemene ontwikkeling. Dat vinden wij duidelijk waarneembaar.”

 

 

De opdracht voor het onderwijs

Aan de hand van dit onderzoek is een goed beeld gegeven van wat ouders blijkbaar belangrijk vinden in de schoolkeuze en waarom sommigen de rigoureuze stap nemen om de grens dagelijks over te gaan.

Net als in Nederland kent ook Vlaanderen het begrip ‘passend onderwijs’. In Vlaanderen is dit vormgegeven onder het zogenaamde ‘M-decreet’. Opdracht aan beide zijden van de grens is om het onderwijs zodanig in te richten dat het tegemoetkomt aan de behoeften van de leerling en dat rekening gehouden wordt met de wensen van de ouder.

Belangrijke aanleidingen zijn positieve verhalen over het onderwijs in België van andere ouders, kennissen, familieleden of andere mensen uit de omgeving.

Gelet op de veelzijdigheid aan motieven om te kiezen voor onderwijs aan de andere kant van de grens, zal het in het niet eenvoudig zijn in het aanbod zodanige aanpassingen te doen dat ouders vaker voor Nederland zullen kiezen. Tenslotte zijn ouders vrij om de school te kiezen waar zijzelf met veel vertrouwen hun kind naartoe willen laten gaan. Een opdracht voor het Nederlandse onderwijs is om rekening houdend met motieven van ouders een zo goed mogelijke vorm van onderwijs te bieden, zodat voor alle, of in ieder geval zoveel mogelijk, Nederlandse kinderen passend onderwijs te vinden is.

 

Dit artikel over schoolkeuze werd gepubliceerd in Passend Onderwijs Magazine, september 2017.

Inclusief onderwijs komt aan op maatwerk

Een half jaar geleden verhuisden de scholen Het Baken (reguliere basisschool) en Sbo De Driehoek in Wijk bij Duurstede naar hetzelfde gebouw, de nieuwe onderwijsplaats werd gedoopt tot Het Anker. Daarmee is een concept voor inclusief onderwijs ontstaan waar leerlingen op verschillende niveaus en in verschillende arrangementen constructief samenwerken.

Het gebouw is ingedeeld in vier onderwijspleinen met aangrenzend leslokalen. Op die onderwijspleinen komen de leerlingen elkaar tegen, in de lokalen hebben ze separaat en op het eigen niveau les. De leerpleinen en de aangrenzende lokalen worden units genoemd. Hier werken leerlingen van ongeveer dezelfde leeftijd.

Zo zijn er feitelijk twee scholen in een. “We denken niet meer in regulier of speciaal onderwijs, maar hebben de mogelijkheid om echt naar het kind te kijken”, zegt schoolleider Gina Mimpen (Bao). “Uitwisselen, samenwerken en ontmoeten zijn onze kernbegrippen. Daar horen al onze leerlingen in thuis.”

 

Van en met elkaar leren

Dat leerlingen veel samenwerken is meteen te zien. Ze spelen samen buiten en werken samen op de leerpleinen. “Zij krijgen bijvoorbeeld gezamenlijke tekenopdrachten”, vertelt schoolleider Inge Westerveld (Sbo). Maar ook maken zij gebruik van de kwaliteiten van de leerlingen. “Slimme leerlingen hebben in het voorjaar aan de hand van de Tweede Kamerverkiezingen eigen partijen opgericht met elk een zelfgeschreven programma. Dat moesten zij aan de andere leerlingen uitleggen. Elke leerling mocht daarna stemmen. Op basis van de uitslag is een coalitie gevormd en de programma’s worden nu zelfs uitgevoerd.” Op die manier leren leerlingen van en met elkaar dat sommige mensen anders denken.

“Elke leerling kan meeliften op de zorgstructuur van het sbo, maar dat kunnen we ook ontsluiten”, voegt Westerveld toe. “Er zijn bredere zorgbesprekingen waaraan beide teams deelnemen en daarmee staat de leraar meer in zijn kracht.”

“We kunnen kinderen beter bedienen door het leveren van individueel maatwerk.”

– Inge Westerveld

Binnen Het Anker is het belangrijk dat de kinderen van de verschillende niveaus elkaar ontmoeten en leren kennen. De lessen hebben ze in principe op hun eigen niveau, maar daarbuiten is het een groep. “We organiseren middagen met projectonderwijs”, vertelt Mimpen. “De leerlingen worden in groepjes ingedeeld, los van hun niveau en ze kiezen een atelier of een project waar zij in groepjes aan werken. Dat stimuleert ze om elkaar echt te leren kennen of ze nu in een reguliere of een speciale setting lessen volgen is daarbij niet relevant.” Alle leraren hebben daarbij een begeleidende rol en proberen zich niet sturend op te stellen.

 

Het projectplan krijgt vorm

‘Durf uit de hokjes te stappen’ is de doelstelling van de beide schoolleiders. Westerveld: “Daarbij stellen we met de teams de vraag hoe we naar leerlingen willen kijken. En vanuit die vraag nemen we de tijd om een projectplan op te stellen.” Dat plan bevat het gehele concept waarin het inclusieve onderwijsconcept wordt vormgegeven.

Bij het opstellen van het projectplan zijn ook het samenwerkingsverband, de gemeente, de kinderopvang en de jeugdhulppartners betrokken. “Zo zijn we tot speerpunten gekomen om inclusie mogelijk te maken”, aldus Westerveld. “We hebben nu een schoolmaatschappelijk werker in het pand zodat we de ondersteuning laagdrempelig kunnen aanbieden.” Deze schoolmaatschappelijk werker functioneert als brug tussen zorg en onderwijs. “En niet zozeer de ondersteuning in de klas, maar vooral ook naar de thuissituatie. Daar hebben leerlingen vaak dezelfde soort ondersteuning nodig als op school geboden wordt”, gaat Westerveld verder.

 

Inclusief onderwijs vraagt maatwerk

Het uitgangspunt is in elk geval om alle leerlingen gelijke kansen te geven. Dit betekent dat er onderwijs wordt gefaciliteerd dat voor elke leerling toegankelijk is. “En dat is best spannend”, geven Mimpen en Westerveld toe. “We moeten daarvoor steeds de juiste voorwaarden scheppen.” In de klas gaat dat als vanouds, maar de integratie met leerlingen van een andere school is nieuw. “Dat betekent dat het voor sbo-leerlingen soms wat veel kan zijn om bijvoorbeeld een carnavalsfeest bij te wonen. Dat moeten we goed signaleren en een passende oplossing vinden”, zegt Mimpen. “Maar we laten de leerlingen altijd op elkaar meeliften, door in elk geval de mogelijkheid te hebben om mee te doen met de rest. Dat vereist op alle vlakken maatwerk. En dat is een uitdaging. Maar we kunnen niet beter naar het kind kijken dan met het leveren van individueel maatwerk.”

Hoewel de reguliere en sbo-leerlingen in principe separaat les krijgen, is er een goede mogelijkheid om bij vakken wel gebruik te maken van elkaars expertise. Uiteraard als het gaat om het bieden van ondersteuning, maar ook bij de vakinhoudelijke lessen. “Die lessen zijn nog in ontwikkeling, maar we proberen wel in de richting te gaan van leerpleinen en uitwisseling van leerlingen voor bepaalde vakken. Bijvoorbeeld willen we aparte lessen gaan inrichten voor taalzwakke leerlingen. Zij kunnen dan samen de taalles volgen, los van of zij normaal gesproken in een reguliere- of een sbo-klas zitten. Dat noemen we groepsdoorbrekend vakonderwijs”, legt Westerveld uit. “Uiteindelijk willen we schooldoorbrekend onderwijs kunnen aanbieden. Zo kan een leerling taal in een sbo-klas leskrijgen en bij rekenen bij de reguliere klas aansluiten.”

 

Het onderwijsconcept wordt omarmd

De school is na de verhuizing explosief gegroeid. “Ik denk dat we het onderwijsconcept van het begin af aan goed hebben uitgedragen”, denkt Mimpen. Voorheen vonden met name de ouders van de twee scholen de overstap spannend. “Maar door ouders van meet af aan mee te nemen hebben we als schoolleiders veel van die angsten kunnen wegnemen. Ouders omarmen ons onderwijs en als er ergens twijfel is, komen ze wel naar ons toe”, is de overtuiging van Westerveld. “Dat geldt ook voor het team. Zij staan erachter. Enkele leerkrachten konden zich er voor de verhuizing minder goed in vinden; van sommigen daarvan hebben we afscheid moeten nemen. Maar dat is hun goed recht.”

“We zoeken constant onze grenzen op om thuisnabij en passend onderwijs te bieden”, vertelt Mimpen over de nog beginnende samenwerking tussen de twee scholen. “We zijn al doende een projectplan aan het opstellen om zoveel mogelijk leerlingen een plaats te kunnen geven, zodat geen leerling de wijk uit hoeft.” Maar zover is het nog niet, geeft ze toe. “Sommige ondersteuning kunnen we (nog) niet bieden. Daar moeten we ook eerlijk in zijn. En dat betekent dat we soms ook ‘nee’ moeten verkopen als wij het onderwijs niet passend kunnen maken. Ook dat is het best voor het kind. En dat wat het beste is voor het kind, daar gaat het uiteindelijk om.”

 

Dit artikel verscheen in Passend Onderwijs Magazine, september 2017.

Inspiratietrip rondom passend onderwijs

Bestuurlijke ontwikkeling rondom passend onderwijs

Schoolbesturen hebben vaak tegenstrijdige belangen. In die gevallen treedt vaak wrijving op in het ingezette en het uitgevoerde beleid. Het samenwerkingsverband Schiedam Vlaardingen Maassluis, Onderwijs Dat Past (ODP) heeft daarom gekozen voor een nieuwe bestuurlijke inrichting en werkt het aan een nieuwe onderwijsvisie.

“We zijn een stichting met een onafhankelijke voorzitter gecontroleerd door een onafhankelijke Raad van Toezicht en er is geregeld en structureel overleg met de bestuurders, die in een deelnemersraad zitting nemen, om de knelpunten die er zijn te bespreken en om mij te adviseren”, zegt directeur-bestuurder Marianne van Kalmthout over deze manier van werken die per 2014 is ingegaan. Daarmee probeert het samenwerkingsverband vroegtijdig eventuele beleidsbotsingen te signaleren. “We kwamen tot de ontdekking dat het onderwijs zoals het samenwerkingsverband toen georganiseerd was op sommige punten knelde met passend onderwijs”, en dat zag Van Kalmthout als aanleiding om deze bestuurlijke opzet voor te stellen aan de schoolbesturen.

“Als kinderen het niet aankunnen om goed in een groep te participeren, de insteek is om kinderen toch aan elkaar te connecten en elkaar te leren kennen.”

– Marianne van Kalmthout

De leerlingenpopulatie in het speciaal (basis)onderwijs neemt toe in de regio, waarmee de problematiek van deze leerlingen steeds meer de orde in het reguliere onderwijs begint te bepalen en andersom. Ook het regulier onderwijs ervaart overigens een verzwaring van de leerlingpopulatie. “Dat maakt het werk zwaarder voor leraren. We hebben ons de vraag gesteld of we zo door moeten gaan of dat we het anders aan moeten gaan pakken”, aldus Van Kalmthout.

 

Rol van het speciaal (basis)onderwijs

Het samenwerkingsverband is bijeenkomsten gaan organiseren om het onderwijs anders vorm te geven. Ook is een studiereis georganiseerd naar het Oostenrijkse Graz. Dat heeft inspiratie gegeven om tot een nieuwe vorm van onderwijs te komen in de regio. “Ze kennen in Graz geen differentiatie tussen het so en het sbo. Daar werden we nieuwsgierig naar”, legt Van Kalmthout uit. “Met de opgedane kennis zijn we nu aan het onderzoeken of en in hoeverre wij inclusief onderwijs zouden kunnen aanbieden.”

Het aftasten wat er zou kunnen is begonnen met de schoolbesturen die de deelnemersraad vormen, de gemeenten zijn er nog niet in betrokken. De besturen die mee zijn gegaan op inspiratiereis hebben ook enkele directeuren meegenomen. “Directeuren waren soms sceptisch”, heeft Van Kalmthout ervaren. “Ze hadden de overtuiging niet alle leerlingen in een onderwijsplaats te kunnen opvangen. ‘Er blijven altijd kinderen die aparte onderwijsplaatsen nodig hebben’ en ‘doen we het nu zo slecht in het onderwijs?’, redeneerde ze. Maar die gedachtegang is veranderd. Elk kind hoort erbij, er is steeds meer een visie ontstaan dat de school een kleine maatschappij op zich is waarin de kinderen kunnen oefenen voor de grote maatschappij.”

 

Elk kind hoort erbij

Inmiddels is in het samenwerkingsverband Onderwijs Dat Past (ODP) een conceptvisiestuk geschreven met de titel ‘Elk kind hoort erbij’. Van Kalmthout: “Na de reis zijn de schoolbesturen vaker bij elkaar gekomen. Zij hebben aan elkaar uitgesproken dat het onderwijs daar waar het kan georganiseerd zou kunnen worden in reguliere scholen. In het visiestuk wordt vervolgens uiteengezet hoe er wordt omgegaan met leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften die lastig in grotere groepen gedijden.” Als alle besturen akkoord zijn en het visiestuk hebben ondertekend wordt het beleid vastgelegd in het nieuwe ondersteuningsplan. Dan zal het in de praktijk uitgewerkt worden.

De uitgangspunten kunnen zijn dat er geen enkel kind wordt uitgesloten en dat geen enkel kind de wijk uit hoeft om onderwijs te krijgen. Van Kalmthout zag in Graz dat de leraren het als de maatschappelijke opdracht van het onderwijs zagen om zo inclusief mogelijk onderwijs te bieden. “In principe zou elke leerling in de wijk waar hij of zij woont ook naar school moeten gaan. Dat betekent dat als kinderen het niet aankunnen om in een groep te participeren, de insteek is om kinderen toch aan elkaar te connecten en elkaar te leren kennen. De school moet een kleine samenleving op zich zijn.” Concreet gaan deze leerlingen wel gezamenlijk met een klas activiteiten organiseren, of ze zitten tien minuten in de groep en hebben daarna een eigen programma en ze komen elkaar tegen op het schoolplein.

Het is prettig als kinderen op school de ruimte krijgen om buiten te spelen. Vaak zitten leerlingen erg dicht ‘op elkaar’ in Nederland. “In Graz zijn minder leerlingen met lastig gedrag in de klas, omdat zij op school letterlijk meer ruimte hebben dan leerlingen hier”, zegt Van Kalmthout. Haar voornemen is om op termijn samen met de schoolbesturen en gemeenten te gaan kijken naar de mogelijkheden om meer ruimte te scheppen.

Het toekomstige visiedocument zal geen directe kopie uit Oostenrijk worden, maar zal daar wel op geïnspireerd zijn. Op bepaalde punten is het ook niet mogelijk om een-op-een vergelijking te maken volgens Van Kalmthout. “In Oostenrijk is het onderwijs landelijk georganiseerd. Leerkrachten worden er ‘van bovenaf’ geplaatst, terwijl het Nederlandse onderwijs juist lumpsumgericht is georganiseerd. Schoolbesturen richten het onderwijs zelf in en hebben niet bij de zesentwintigste leerling automatisch een splitsing van de groep.”

Zes van de 9 besturen in het samenwerkingsverband zijn meegereisd naar Graz en geïnspireerd geraakt. De andere besturen worden nu meegenomen. Van Kalmthout: “Een eenduidige uitleg over inclusief onderwijs en wat daarbij mogelijk is wordt besproken. Als we met tien mensen praten over inclusief onderwijs, dan zijn er tien verschillende meningen over wat dat moet zijn. We hebben nu inspiratie om dichter bij elkaar te komen, elkaar meer te gaan vertrouwen en ook het vertrouwen te krijgen dat we de dingen samen anders kunnen organiseren.”

 

Gelukkige leerlingen

Het is volgens de plannen in Schiedam, Vlaardingen en Maassluis wenselijk als het persoonsgebonden budget (pgb) van leerlingen meegaat met de ondersteuning van de leerling. Nu mogen ouders zelf bepalen hoe het budget wordt besteed. “Maar de pgb’er zou bijvoorbeeld goed bij de groep betrokken kunnen zijn”, vindt Van Kalmthout. “Professionals kunnen elkaar daar versterken. De valkuil zou kunnen zijn dat leerlingen teveel betutteld worden, we moeten ze wel blijven opleiden tot zelfstandige mensen. Ook in Graz erkennen ze dat en hebben daar extra aandacht voor.”

Als de visie met de besturen is uitgewerkt, ontstaat de stap om met gemeenten in gesprek te gaan. “De samenwerking met gemeenten is bij ons goed. Er zitten gezinsspecialisten in de ondersteuningsteams”, zegt Van Kalmthout. “We proberen de ondersteuning in en om de school beter en duidelijker te krijgen, en zo ook de samenwerking met wijkteams. We willen alle zorg dichter bij scholen en leerlingen brengen.”

Bij de eventuele ontwikkeling naar meer inclusief onderwijs mag de expertise en mankracht uit het so en het sbo niet verloren gaan. “We onderzoeken nog welke rol het so en het sbo binnen het samenwerkingsverband hebben? Wat is er nodig om kinderen in de wijk te houden en de ondersteuning te bieden die nodig is? En daar waar het toch nodig is om elders vaardigheden aan te leren, hoe kunnen we dat zo dicht mogelijk bij huis doen en op zo’n manier dat leerlingen van elkaar leren? Daar betrekken we ook de ouders bij.”

 

“Het is belangrijk dat leerlingen en ouders zich echt welkom voelen in het pedagogisch klimaat”, stelt Van Kalmtout. “Zo sprak ik in Graz met een vluchteling-leerling, zij wil in de eigen school blijven ondanks dat haar moeder vanwege een nieuwe relatie wil verhuizen. Ze wilde blijven omdat ze zich zo welkom voelde en reist nu elke dag anderhalf uur naar haar geliefde school. Zo moet het zijn.”

Natuurlijk zijn goede resultaten belangrijk. Maar voor Van Kalmthout staat voorop dat de leerlingen zich kunnen ontwikkelen en tot gelukkige, zelfstandige mensen worden opgeleid. Daarbij spelen ook leraren een rol. “Er waren ook kritische leraren die zich afvroegen of we het goed doen. Misschien gaan we nog wel terug naar Graz met leraren en de gemeenten om hen ook te inspireren. De zorg bij de visie betrekken is het volgende station.”

 

Dit artikel werd gepubliceerd in PO Magazine, september 2017.

Nieuw onderzoekskader samenwerkingsverbanden

Meer aandacht voor de onderwijspraktijk

 

Vanaf dit schooljaar houdt de Inspectie toezicht op samenwerkings-verbanden volgens een nieuw onderzoekskader. Na een paar pilotjaren is het systeem werkbaar genoeg. In de nieuwe werkwijze wordt een relatie gelegd tussen het toezicht op schoolbesturen en het toezicht op samenwerkingsverbanden en wordt veel aandacht besteed aan de onderwijspraktijk op scholen.

Bas Wesseldijk, directeur van samenwerkingsverband PO De Meijerij (regio Den Bosch) en Floor Wijnands, programmamanager passend onderwijs vanuit de Inspectie, vertellen over de nieuwe vorm van toezicht. “We vragen nu vooral naar wat er goed gaat en wat beter kan. Deze vragen zijn stimulerend bedoeld”, zegt Wijnands. Samenwerkingsverband De Meijerij is een van de plaatsen waar het afgelopen jaar de pilot is uitgevoerd. “Ik vind het prettig dat niet alleen ik als directeur-bestuurder contact had met de inspecteurs, maar ook ouders, leraren, so-leraren, schoolleiders en intern begeleiders”, zegt Wesseldijk. “Het inspectierapport bevat daardoor een weergave van het geheel dat plaatsvindt binnen ons samenwerkingsverband.”

 

Het nieuwe onderzoekskader is risico gestuurd

Het vorige toezichtkader voor de samenwerkingsverbanden stamt uit 2012. De inspectie heeft de wettelijke opdracht elk samenwerkingsverband minstens eens in de vier jaar te bezoeken en dat blijft zo. “In de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015 hebben we alle samenwerkingsverbanden bezocht met een (simulatie)onderzoek”, legt Wijnands uit. “Daarna zijn we risicogericht gaan werken. We zijn de samenwerkingsverbanden waarvan wij vermoedden dat het risico vrij groot was nog eens gaan bezoeken aan de hand van het nieuwe wettelijk kader. Overigens zijn toen nog geen formele-oordelen gegeven, omdat het nieuwe kader op het moment van de bezoeken nog niet officieel was vastgesteld”. De inspectie maakt nu jaarlijks een risicoanalyse van alle samenwerkingsverbanden gebaseerd op basis van zes parameters. Aan de hand van dit risicomodel kan de inspectie bepalen of er signalen zijn dat een samenwerkingsverband onvoldoende kwaliteit levert. Als dit het geval is, volgt een vervroegd kwaliteitsonderzoek. Uiteraard zal dit risicomodel zich ook nog verder ontwikkelen, in de zoektocht naar valide indicatoren.

 

 

 

Jaarlijkse Risicoanalyse

De risicoanalyse valt uiteen in een kennisanalyse en een expertanalyse. De kennisanalyse is een geautomatiseerde cijfermatige meting op vier parameters:.

1 – Verzuimcijfers en thuiszitters, niet deelnemers aan onderwijs.

2 – Spreiding, deelnamecijfers en doorstroom in het onderwijs, rekening houdend met bijvoorbeeld krimp.

3 – (Eerder gegeven) inspectieoordelen op scholen en instellingen.

4 – Signalen vanuit stakeholders en meldpunten.

 

De expertanalyse wordt alleen uitgevoerd bij samenwerkingsverbanden waar mogelijke risico’s blijken na de kennisanalyse en bij de samenwerkingsverbanden die in aanmerking komen voor een steekproefonderzoek. De expertanalyse is een meting op twee parameters via deskonderzoek door inspecteurs en analisten:

5 – Het ondersteuningsplan, de jaarverslagen en de verdeling van de ondersteuningsmiddelen.

     Met speciale aandacht voor de verevening en het tegengaan van te veel reserves.

6 – De deskundigheid van de leraar op het gebied van het bieden van extra ondersteuning.

 

 

Stimulerend en praktijkgericht toezicht

Bij de uitvoering van toezicht heeft de inspectie zowel een waarborg- als een stimuleringsfunctie. Wijnands licht toe: “Wij blijven in het oog houden of de basiskwaliteit op orde is. Daarnaast stimuleren we besturen en scholen om hun ambities waar te maken en mogelijke verdere verbeteringen te realiseren. We vragen naar wat goed gaat en wat beter kan. Zo proberen we ervoor te zorgen dat samenwerkingsverbanden hun kwaliteit monitoren en verbeteren. Ze te stimuleren om de goede dingen goed te doen”. In het schooljaar 2016-2017 is een volgende stap gezet. De inspectie voerde pilots uit waarbij onderzoeken bij schoolbesturen (en hun scholen) samenlopen met het toezicht op het samenwerkingsverband waarbij dat schoolbestuur is aangesloten. Het doel is om nog directer een verband te leggen tussen het beleid van een samenwerkingsverband en de sturing hiervan door het schoolbestuur. “Besturen maken afspraken binnen het samenwerkingsverband en wij toetsen in hoeverre die afspraken op de scholen daadwerkelijk worden nageleefd”, zegt Wijnands. ”Het gaat de inspecteur daarbij niet zozeer om de achtergronden van afspraken, maar wel hoe passend onderwijs wordt gerealiseerd en wat het oplevert.”

 

Een nieuw waarderingskader

De inspectie toetst vooral of een samenwerkingsverband zich aan de wettelijke voorschriften houdt, mede om de autonomie van het samenwerkingsverband te waarborgen. “De context waarin het samenwerkingsverband functioneert moet ruim baan krijgen”, vindt Wijnands. Samenwerkingsverbanden moeten zorgen voor een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen. Leerlingen kunnen dan een ononderbroken ontwikkelingsproces doormaken en leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, krijgen een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs. Thuiszitten moet worden voorkomen. Naast de wettelijke toetsing bestaat het nieuwe waarderingskader uit achttien onderzoekspunten gericht op behaalde opbrengsten, gezonde (besteding van) financiën en kwaliteitszorg. De uitkomst van het tussentijds of regulier vierjaarlijks onderzoek bepaalt hoe het toezicht op het bestuur en de scholen eruitziet. Hoe intensief het vervolgtoezicht is, hangt af van het oordeel over de opbrengsten, financiën en de kwaliteitszorg.

“Je komt in het onderwijs eigenlijk alleen maar betrokken mensen tegen die het beste willen. Mooi als je dat ook mag benoemen.”

– Floor Wijnands

De integrale werkwijze

Bij het toezicht op het samenwerkingsverband wil de Inspectie ook geïnformeerd raken over de uitwerking van het beleid in de praktijk op de scholen. Daarom worden de onderzoeken bij de samenwerkingsverbanden gecombineerd met het toezicht op een schoolbestuur dat is aangesloten bij het samenwerkingsverband. Beide onderzoeken lopen zo veel als mogelijk synchroon. “Daarmee komt makkelijker aan het licht of een samenwerkingsverband de besturen voldoende steunt en of besturen zich op hun beurt aan de afspraken houden”, zegt Wijnands. “Dat geeft ons extra inzicht. Als we via een bestuur van het samenwerkingsverband tot in de school een beleidsspoor kunnen nalopen, kunnen we ook makkelijker nagaan waar het eventueel spaak loopt in de uitvoering. Passend onderwijs vindt immers plaats in de school. Of juist andersom, zodat je ziet waarom iets goed tot stand komt. Dat geeft ons meer zekerheid bij de beoordeling. Ik heb nog niet meegemaakt dat samenwerkingsverbanden of scholen het niet prettig vonden, integendeel. Zij zijn blij dat er juist in de scholen wordt gekeken naar wat er goed gaat. Dat is toch een van de uitgangspunten. Met name het ‘wat gaat goed?’ is een heel krachtig instrument om mensen te motiveren om door te gaan met hun plannen. Je komt in het onderwijs eigenlijk alleen maar betrokken mensen tegen die het beste willen. Mooi als je dat ook mag benoemen.”

 

Onderzoeksteams in de praktijk

  • Er is een gezamenlijke voorbereiding met het onderzoeksteam van het samenwerkingsverband en dat van het toezicht op de schoolbesturen. Passend onderwijs is het onderwerp.
  • Het onderzoeksteam organiseert rondetafelgesprekken, apart met verschillende groepen betrokkenen. Daarbij is altijd een inspecteur uit de sector aanwezig, een financieel inspecteur en een so-inspecteur.
  • Er volgen verificaties in de scholen, die worden afgesproken met het schoolbestuur. Bijvoorbeeld: een bepaald ondersteuningsaanbod hoort bij de basisondersteuning, hoe krijgt dat aanbod vorm in de school en wordt het uitgevoerd?
  • Tot slot: is de uitvoering van de (beleids)afspraken van het samenwerkingsverband in de school terug te vinden?

 

 

De audit bij samenwerkingsverbanden

Het bezoek aan de samenwerkingsverbanden bestaat uit twee onderzoeksdagen. Na beoordeling van de opgevraagde documenten en beleidsstukken volgen op de eerste dag rondetafelgesprekken met direct betrokkenen uit de werkpraktijk van het samenwerkingsverband. “De hoofdvraag op de eerste dag is ‘worden de kinderen beter van passend onderwijs?’”, zegt Wijnands. “We vragen naar concrete voorbeelden van passend onderwijs in de scholen, naar de plussen en de minnen.” Die gesprekken duren ongeveer een uur.

“Je kunt kiezen wie je voor de onderzoeksdagen uitnodigt”, zegt Wesseldijk naar aanleiding van de ervaring van afgelopen jaar. “Je weet welke leraren of ouders kritisch zijn en wie juist positief. Wij hebben er bewust voor gekozen een evenwichtige afspiegeling daarvan uit te nodigen.” Samenwerkingsverband PO De Meijerij heeft goede ervaringen met het betrekken van ouders in het onderzoek. “Ouders en leerkrachten vonden het spannend, maar ook erg prettig. De inspecteurs zaten voorheen alleen met de bestuurders om tafel op basis van documenten. Ouders en leerkrachten voelen nu de kans om een breder verhaal te kunnen vertellen.” Op de tweede dag is er ruimte voor gesprekken met de verantwoordelijken vanuit de organisatie van het samenwerkingsverband zelf.

 

Het rapport van bevindingen

Het samenwerkingsverband ontvangt een rapport van bevindingen en kan daarop reageren voordat het wordt vastgesteld. In de periode tussen het onderzoek en de vaststelling van het rapport van bevindingen heeft het bestuur de gelegenheid eventuele tekortkomingen te herstellen. Het uiteindelijk vastgestelde rapport wordt op de website van de inspectie gepubliceerd.

Wesseldijk heeft de samenwerking met de Inspectie als prettig ervaren. “De dialoog wordt nadrukkelijk gezocht en er is ruimte om te reageren op de bevindingen van de inspecteurs. Je mag met inspecteurs spiegelen. Wij hebben twee vaste inspecteurs en daar hebben we goed contact mee. Zij kunnen ons altijd bellen als er signalen zijn of als ze iets willen weten. De grootste uitdaging voor de inspectie lijkt me dat er bij ons veel op vertrouwen, samenwerking en dialoog gaat. Procedures of zaken op papier zijn waarschijnlijk makkelijker. Echt kindgericht arrangeren: hoe meet je dat? Hoe inspecteer je aspecten als onderling vertrouwen en de juiste dialoog?”

De Meijerij kreeg een positieve beoordeling op alle aspecten in het pilotjaar 2016. “Het draagvlak voor passend onderwijs in De Meierij is echt toegenomen. De komende jaren moet blijken hoe de plannen verder geconcretiseerd worden in de praktijk, maar het samenwerkingsverband heeft de basis gelegd waarbij dialoog, vertrouwen en samenwerking belangrijke pijlers zijn”, zo luidde een deel van het oordeel.

Zorg-Onderwijs-matrix brengt zorgverantwoordelijkheid in kaart

Gemeenten hebben de wettelijke plicht om er zorg voor te dragen dat de jeugdhulp op een laagdrempelige manier aansluit op het onderwijs. Dat gebeurt vaak via het ondersteuningsteam van een school. De jeugdhulp kent twee categorieën, de vrij toegankelijke zorg en de zorg waarop beschikt moet worden of zogenaamde niet vrij toegankelijke zorg. Hoe gemeenten omgaan met beide categorieën is verschillend, zo blijkt ook uit de recent verschenen elfde voortgangsrapportage passend onderwijs.

Als er een diabetesprik gegeven moet worden, heeft elke gemeente daar de eigen jeugdverpleegkundigen voor die langskomen op school om de leerlingen uit hun gemeenten van een prik te voorzien.

Samenwerkingsverbanden in regio’s Breda en Maastricht, beide verbanden die te maken hebben met veel betrokken gemeenten, werken aan een manier om de toedeling van de verantwoordelijkheid omtrent zorgvragen voor scholen en gemeenten te reguleren. Samenwerkingsverbanden lopen soms vast in gezamenlijk overleg met verschillende gemeenten vanwege wisselend beleid, vragen over waar de verantwoordelijkheid ligt voor vormen ondersteuning en de vraag van waaruit de ondersteuning bekostigd moet worden, de Jeugdwet of ZVW en WLZ. Deze matrix moet daarop antwoorden geven.

 

Jeugdhulpproblematiek

Landelijk wordt verschillend omgegaan met zorgvragen. Het ene voorbeeld van de samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs slaagt beter dan het andere. Een beeld dat in ieder geval op landelijke schaal geconstateerd wordt is dat veel jeugdprofessionals functioneren op basis van een eigen referentiekader en niet de kaders die in de betreffende jeugdhulpregio of gemeente zijn uitgewerkt. Het gevolg is dat kinderen in dezelfde regio op een verschillende manier toegang tot de jeugdhulp krijgen, zodra zij een andere professional achter zich hebben om de zorg te regelen.

Vanuit de jeugdhulp worden de ondersteuningsmogelijkheden wettelijk vanuit het perspectief van de gemeenten bekeken, omdat de woonplaats van de leerling leidend is. Dat levert vooral voor het voortgezet onderwijs en het speciaal onderwijs een probleem op. Scholen hebben vaak te maken met leerlingen die in verschillende gemeenten wonen. Indien er hulpvragen op het gebied van de jeugdhulp zijn moeten deze scholen communiceren met de jeugdprofessional die werkzaam is in de gemeente waar de leerling woont. Dit vraagt om veel communicatielijnen. Iedere gemeenten heeft eigen beleid voor zowel de vrij toegankelijke als de niet vrij toegankelijke zorg. Een school moet met alle samenwerkingspartners én ouders in gesprek om de benodigde ondersteuning te regelen. Samenwerking met vijftien gemeenten komt bijvoorbeeld voor. Dat maakt het logistiek alleen al moeilijk om alle afspraken te plannen, naast de differentiatie in regelgeving en verantwoordelijkheid. Zo kunnen er verschillen zijn in het wel of niet toerekenen tot de jeugdhulp, de mate waarin wordt toegerekend en de wijze van levering in geld of natura.

 

Rust in de tent

Neem een so-school die te maken heeft met vijftien verschillende gemeenten binnen de jeugdhulpregio. Daar dreigen overbodig veel professionals terecht te komen. Als er een diabetesprik gegeven moet worden, heeft elke gemeente daar de eigen jeugdverpleegkundigen voor die langskomen op school om de leerlingen uit hun gemeenten van een prik te voorzien. In die situatie zouden gemeenten er goed aan doen om onderling afspraken te maken, zodat er slechts een verpleegkundige per school aangesteld hoeft te worden die alle leerlingen kan inenten en niet slechts die uit ‘de eigen’ gemeente. Dat scheelt niet alleen tijd, maar ook binnen de school is er minder gedoe.

Deze casus gaat ook op voor wat specifiekere handelingen die misschien maar voor enkele leerlingen binnen de school gelden. Als er zeven leerlingen verschoond moeten worden, is er een risico dat er in een groep daarvoor zeven klassenassistenten in de school aanwezig zijn die elk een ‘eigen’ leerling onder hun hoede hebben als er wordt afgegaan op het beeld dat elke gemeente zorg draagt voor de eigen leerlingen in het onderwijs. Scholen willen geen zeven klassenassistenten, maar liever rust in de tent.

 

Bekostiging

Voorheen hadden so-scholen eigen personeel voor zorg en dat werd aan de voorkant bekostigd vanuit de AWBZ. Nu moeten scholen en ouders op het niveau van de geïndiceerde leerling zelf de bekostiging voor hun zorg ophalen, bij de jeugdhulp, de zorgverzekeraar of bij het CIZ voor de langdurige zorg. Bij welk loket zij moeten aankloppen is afhankelijk van diverse criteria en of er sprake is van begeleiding, ondersteuning of verpleging.

Een ander spanningsveld ligt bij de levering van zorg. Vaak is niet duidelijk welke ondersteuning bij het onderwijs hoort en welke bij de zorg. Dat is globaal duidelijk. Gebruikelijke zorg behoort bij het onderwijs en de boven gebruikelijke zorg bij de jeugdhulp. Die vuistregel is weliswaar door het ministerie van WVS gedefinieerd, maar laat ruimte voor discussie en twijfel. Dat levert bij twijfelgevallen getouwtrek op, met het gevaar dat leerlingen niet de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben of door de ene jeugdhulpprofessional een andere oplossing krijgen aangeboden dan bij de andere.

Voorbeeld: Een kind van drie jaar oud heeft hulp nodig bij aan- en uitkleden en naar het toilet gaan. Dit is gebruikelijke zorg. Echter wanneer een kind vijf jaar oud is en nog geholpen moet worden is dat boven gebruikelijke zorg, ook wanneer die leerling in een voorziening voor SO3 verblijft. Als die leerling in SO3 nu eenmaal per dag geholpen moet worden is dat dan een taak die van de klassenassistent verwacht mag worden op basis van de bekostiging onderwijs, of moet dan de jeugdhulp vanuit de gemeente bijspringen? Duur van de ondersteuning en de frequentie maken dan deel uit van de beslisregels en die zijn lang niet allemaal eenduidig geformuleerd. Daar ontstaat een grijs gebied.

 

Zorg-Onderwijs-matrix

Het samenwerkingsverband passend onderwijs Maastricht Heuvelland wil helder in kaart brengen wanneer zorg thuishoort bij de school, wanneer bij de gemeente en wanneer bij een verzekeraar. Dat gebeurt aan de hand van een matrix met ondersteuningsactiviteiten die nu functioneert als een werkmodel voor alle gemeenten binnen dat samenwerkingsverband. Vanaf dit schooljaar is de matrix in gebruik genomen en wordt de werkzaamheid afgetast. Elke activiteit valt onder een van de pijlers (onderwijs, gemeente, verzekeraar). Gevallen waarvan nog niet zeker is waar het thuishoort worden komende tijd toch ondergebracht, zodat dit in de toekomst ook gestandaardiseerd kan worden. Daarmee moet consensus ontstaan over de toedeling van verantwoordelijkheid en het niveau van passende ondersteuning in geld of in natura. Indien deze consensus wordt bereikt kunnen scholen met vertegenwoordigende jeugdprofessionals namens de gemeenten in overleg over de invulling van de ondersteuningsbehoefte. Dan is een aparte afspraak met jeugdprofessional van specifieke gemeente niet meer noodzakelijk. Gedurende het jaar zal geëvalueerd worden of de matrix klopt en werkbaar is voor de toekomst.

Met deze matrix hopen samenwerkingsverbanden inzicht te krijgen wie waar verantwoordelijk is bij het inrichten van ondersteuning, begeleiding en verpleging van leerlingen in het onderwijs vanuit de jeugdhulp, de zorgverzekeringswet en de wet langdurige zorg. Het inzicht dat ontstaat kan leiden tot een vertegenwoordigend model in de inzet van jeugdprofessionals. En ook tot het maken van bovengemeentelijke afspraken en het verkrijgen van overeenstemming met de zorgverzekeraars tot het voorfinancieren van ondersteuning, begeleiding en verpleging van leerlingen in het onderwijs met verantwoording achteraf. Een traject waarbij individuele indicatie wordt omgebogen naar een meer lumpsumachtige insteek creëert rust binnen de scholen, zorgt voor eenduidigheid, investering in kwaliteit en uiteindelijk een effectievere en efficiëntere inzet van beschikbare middelen.

 

Sinds per januari 2015 de nieuwe Jeugdwet is ingevoerd is de jeugdhulp gedecentraliseerd en verdeeld in jeugdhulpregio’s. Niet meer het Rijk, maar gemeenten zijn verantwoordelijk voor de jeugdhulp. Deze regio’s hebben andere grenzen dan die van gemeenten en die van de samenwerkingsverbanden PO en VO. Elke regio heeft een raamplan opgesteld voor de jeugdhulp, een van de onderdelen daarvan is de aansluiting met het onderwijs.

De matrix waarover dit artikel gaat is opgezet vanuit het samenwerkingsverband Maastricht Heuvelland, www.swvpo-mh.nl.

 

Dit artikel werd gepubliceerd in PO Magazine, september 2017.

Instagram: #ll17 daar gaan we!

#ll17 daar gaan we! –
Instagram: #ll17 daar gaan we!
– %%text%%

Instagram: Toffe dingen deze zomer. Een driegangenmenu maken in deze pop-up keuken. #smullen #jamjam #popupkitchen #driegangen

Toffe dingen deze zomer. Een driegangenmenu maken in deze pop-up keuken. #smullen #jamjam #popupkitchen #driegangen –
Instagram: Toffe dingen deze zomer. Een driegangenmenu maken in deze pop-up keuken. #smullen #jamjam #popupkitchen #driegangen
– %%text%%