Het werk van Guus in de journalistiek
Videoverslag: Beat The Heat
Wereldwijd werd in veel landen het welbekende evenement 'Beat The Heat' georganiseerd. Dit ten tijde van de klimaattop in Kopenhagen eind december. In Nederland vond dit op 12 december 2009 in de ...
Kinderconcerten Museum Speelklok
Het Museum van Speelklok Tot Pierement in Utrecht organiseert samen met de Nederlandstalige band V.O.F. De Kunst een serie kinderconcerten. Deze worden gehouden in één van de zalen van het museu...
Open Up op Parkpop 2009 (Den Haag)
De nationale jeugdraad is bezig met een campagne voor het accepteren van homo's en anderen. Om de Nederlander toleranter te maken zijn zij de actie .open up gestart. Op verschillende plekken gaan ...
Sven Ratzke – Museumnacht 2009
Een compilatie van de voorstelling van Sven Ratzke bij het museum van Speelklok Tot Pierement in Utrecht tijdens de museumnacht 2009. Video is gemaakt in samenwerking met Mirthe Ruizendaal. ...
Verslag Museumnacht 2009 – Van Speelklok Tot Pierement
Samen met Mirthe Ruizendaal heb ik voor het museum Van Speelklok Tot Pierement in Utrecht een video gemaakt met een verslag van de museumnacht: Museumnacht 2009 - Van Speelklok tot Pierement fr...

Provincie Utrecht heeft de meeste Scrooges

Utrecht heeft de meeste Scrooges! De meeste wat? Scrooges! Je kent het wel, de vrekkige hoofdpersoon uit het werk van Dickens. Hier een korte samenvatting van het gesprek dat ik had met Rest ...Lees Meer

Podcast Vechtstreek Vandaag

Daar is er weer één: een podcast! Ruim een jaar later leek het me een uitstekend plan weer eens een programma online te zetten. Samen met Elena van Doorn presenteer ik wekelijks de actuali ...Lees Meer

Podcast Maarssen Actueel – 28-09-2010

Guus gaat goed op de radio. Nou ja, het meeste klinkt al een stuk beter dan een paar weken geleden. Een totale radiostop van zo'n drie jaar viel me zwaarder dan ik me had ingedacht van tevor ...Lees Meer

Dossier N.S.B.-internering

Geplaatst door: admin op 31/12/2011 in N.S.B.-internering - Reacties: Geen Reaties »

Dit dossier gaat over een onderzoek dat ik deed naar de internering van N.S.B.-ers in de periode 1945-1950. Na de oorlog zijn veel mensen opgepakt omdat ze zich, om wat voor reden dan ook, aansloten bij de Nationaal Socialistische Beweging (N.S.B.). Overigens zijn er ook mensen opgepakt waarvan beweerd was dat ze hier lid van waren of zijn geweest. Voor veel ex-N.S.B.’ers is dit een gruwelijke periode geweest met taferelen die we kennen uit concentratiekampen van wat eerder onze vijand was. Daarom is dit een periode waar weinig van bekend is. Ik deed onderzoek samen met Mette Vreeken en Gerben de Louw naar wat er zich afspeelde op Fort de Bilt, een van de plekken waar N.S.B.’ers geïnterneerd hebben gezeten. Mijn artikelen zijn hieronder te vinden. Ik onderzocht wat erover te vinden was in de kranten en tijdschriften, dat was bijster weinig. Daarnaast heb ik een ex-geïnterneerde geïnterviewd samen met haar dochter. Deze drie producties vormden mijn aandeel in het geheel. Archiefwerk hebben anderen op zich genomen. Het feit dat de stempel N.S.B.-er er nog steeds heel hard op drukt blijkt uit het feit dat beide interviewgasten zeker twintig keer hebben gevraagd of ik ze ècht onder een pseudoniem wilde vermelden. Dat heb ik dus ook trouw gedaan. Namen zijn dus fictief! Bij de inhoud van de teksten wil ik nadrukkelijk zeggen dat er staat wat deze mensen zelf zeiden. Mijn eigen mening speelt op geen enkele wijze een rol. Hier een kleine inleiding in het onderwerp.
Hier het hele dossier: http://www.guusbeenhakker.com/journalistiek/?cat=126.

‘EEN REGELRECHTE WRAAKNEMING’

Geplaatst door: admin op in N.S.B.-internering - Reacties: Geen Reaties »

Dit is het verhaal van Toos Verdonschot. Toos Verdonschot is direct na de oorlog opgepakt en naar de gevangenis aan de Plompetorengracht gebracht. Na drie maanden, twee weken en een dag werd ze opgehaald. Een norse commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten selecteerde gevangenen.
De uitgeselecteerden moesten hun boeltje pakken, wat niet meer was dan een extra pakje en wat persoonlijke bezittingen. Tegen elkaar werd vrolijk en opgewekt gefluisterd over vrijlating. Ze hadden immers nooit iets tegen landgenoten gedaan, hadden nooit Joden verraden en ook waren geen directe politieke verantwoordelijken geweest.
De overtuiging was dus dat ze wel onschuldig waren geweest. Niets was minder waar. Hardhadig werden ze op een rij gezet. Hun tasjes met spullen mochten ze vast houden. Ze kregen een blinddoek om en werden richting een vrachtwagen gedreven waar ze, geblinddoekt, hutjemutje op elkaar in een laadruimte terechtkwamen. Na een tijdje mochten ze eruit. Schreeuwende mannen sloegen de menigte met stokken op de plaats waar ze de menigte wilden hebben.
Was de ellende dan nog niet over? Was de blik op vrijheid, die pakweg een kwartier eerder steeds helderder was, alleen maar een oase van valse hoop geweest? Steeds meer leek het zo. De moed zakte in haar schoenen. Ze probeerde de hoop vast te houden. De hoop dat ze snel de blinddoek af zou kunnen doen en haar man en vier kinderen in haar armen mocht nemen.
De maanden ervoor was ze al genoeg gepijnigd, misbruikt, onderdrukt en geminacht. Die vermaledijde maanden aan de Plompetorengracht. Iedere dag werd ze ruw gewekt. Constant liepen er mannen met handwapens, maar het ergste waren de stokken die ze hdden. De stokken werden te pas en te onpas gebruikt. Overal stond gevangenispersoneel en de gevangenen leken vogelvrij. Misschien waren de gevangenen wel vogelvrij. Iemand hoefde maar te kijken of kreeg een klap met een stok.
Er werd totaal niet gekeken of iemand wel of niet schuldig was in de oorlog. De gevangenen wisten van elkaar wel ongeveer in hoeverre iemand wel of niet iets op zijn of haar kerfstok had of niet. Veel mensen hadden ernstige dingen gedaan, maar er waren ook mensen waarvan zeker was dat ze onschuldig waren. Het kon niet anders.
Maar ook zij zaten er. Net als de schuldigen. Ook zij werden geslagen. Op de grond gegooid en uitgelachen. Ook zij kregen slecht eten en ook harde plaatsen om op te slapen. Alles was er slecht. Het eten leek vaak oud en was niet veel. Dat zou kunnen komen doordat het land arm was door de oorlog en er gewoonweg niets anders was, maar leek iedereen sterk, gezien de rest van de stemming. Eens per twee weken mocht mevrouw Verdonschot een pakketje naar familie of vrienden sturen. Hierin mochten geen boodschappen of voedsel over en weer gebracht worden. Het was voor kleding, die gewoon bij de familie gewassen moest worden. Er kon ook maar één pakketje per persoon verstuurd en ontvangen worden. Aanvankelijk was ze sceptisch of dit ook echt zou aankomen, ze kon alleen maar sceptisch zijn. Niets was zeker. Maar nadat respons kwam, merkte ze dat brieven sturen een lichtpuntje in een donkere tijd was. Door hier briefjes in de verstoppen was er toch nog contact met het thuisfront.
Aan de mensen om haar heen had ze veel, ze had niets anders dus had ze veel aan hen. Soms konden ze praten, of had iemand een kaartspel toegestuurd gekregen. Veel kaarten was er echter niet bij. De eerste tijd zag ze weinig licht en moesten ze bovendien vroeg gaan slapen. Vaak mocht ze op gezette tijden heel even naar buiten, de tuin in. De andere kant was dat ze ook afstand moest nemen van juist de mensen om haar heen. Klaagbeden waren aanstekelijk. Je moest je niet laten meetrekken in putten van
zelfmedelijden en leed. Daar werd je alleen maar slechter van. De een na de ander werd gek, wat voor de bewaking een reden was om te gaan slaan. Dat moest je allemaal bij de anderen laten. Geïnterneerd zijn betekent: Iedereen voor zichzelf en laat het vertrouwen je op haar eigen tempo in de schoenen zakken. Dan overleef je het langst.
Toen moest ze denken aan de manier waarop ze opgepakt was. De oorlog liep tot zijn eind en er was geen houden meer aan. Uiteindelijk werd het 5 mei 1940 en Duitsland capituleerde. Onmiddellijk kwam er een enorme stormloop op het vangen van landverraders. Alle N.S.B.’ers waren dat. Er werden ook duizenden mensen opgepakt die nooit lid geweest zijn, maar omdat iemand dat riep werd diegene er ook bijgelapt. Voor mevrouw Verdonschot duurde het twee dagen. Twee dagen zat het gezin in hun eigen huis met de deuren stijf dicht en de gordijnen gesloten. Ineens werden de ruiten ingetrapt en werden zij en haar man hardhandig opgepakt. Aan haar benen werd ze naar buiten gesleept, terwijl de kinderen werd toegeroepen: “Deze hoer zien jullie nooit meer terug”. Dat was het laatste moment waarop ze haar kroost zag. Ze werd bespuugd en uitgejouwd door de hele buurt terwijl ze buitengesleept werd de een vrachtwagen werd ingegooid.
Dit alles schoot door haar hoofd toen ze de vrachtwagen uit kwam. Het was een ruige reis. Menigeen had zijn maaginhoud over een van zijn buren moeten lozen. Slechter dan het was kon het toch niet worden. Gek genoeg was het besef van tijd er nog wel. Het moest ergens begin september zijn. Zo lang kon het toch niet duren voordat de Nederland haar gevangenen ging berechten? Ze had niets ergs gedaan. Die houding en de gedachte aan het thuisfront hielden haar oppermachtig tegenover het diepe gevoel dat haar bekroop en niet weinig goeds voorspelde.
Iets goeds was het ook niet. Toen ze haar blinddoek af mocht doen stond ze op een droge en stoffige binnenplaats. Overal stonden ze weer, die vreselijke politiemensen. De moed zakte haar in de schoenen. Waar ze precies zat zou snel duidelijk worden, maar wist ze nu nog niet. Het kon in ieder geval weinig goeds betekenen. Weer schreeuwden de mannen, weer hoonden de mannen toen twee vrouwen in huilen uitbarstten. Het onheil zette voort.
Vooral de afschuw van zelfmedelijden maakte mevrouw Verdonschot sterk. Ze had veel mensen horen zeuren. Ze wist dat ze zelf onschuldig was aan misdaden. Maar zelfmedelijden heeft ze nooit gehad. Ze bad iedere dag trouw op een goede en eerlijke afloop. Blijkbaar moest het zo zijn. De N.S.B., dat eerst zo’n goede beweging was, had verkeerde keuzes gemaakt en kon toen niet meer terug.
Al in de jaren ’30, toen er nog helemaal geen sprake was van een Duitse inval of sympathie voor de gedachte van heersend politiek Duitsland, werd ze trots lid van de Nationaal Socialistische Beweging. Ze wilde zich tegen de eindeloze verzuilde, uit de tijd rakende Nederlandse politiek keren. Bovendien heerste crisis en wilde ze meer terug naar de kernbelangen van het Nederlandse volk. De N.S.B. was daar ook voor, het was een nationaal Nederlandse partij, en sloot dus prima aan bij haar visie. Reden genoeg om de partij te steunen en lid te worden.
De rest is uiteraard geschiedenis. De N.S.B. maakte vlak voor de oorlog een paar uitglijders door zich openlijk met het Duitse Nationaal Socialisme te vergelijken, wat op zich geen vreemde move was omdat de Duitse politiek van Hitler natuurlijk nationaal was bij uitstek. En toen werd het oorlog en probeerde de N.S.B. zich te handhaven. Dat pakte verkeerd uit. Mevrouw Verdonschot zegt(!) dat ze bang was om zich toen nog uit te schrijven. Bang dat de ze in het oog van de SS zou vallen en opgepakt te worden omdat ze zich tegen de bezetter keerde.
Spijt van haar lidmaatschap heeft ze niet. Ze is nooit actief geweest en heeft zich nooit ingelaten met de bezetter, niet meer dan gewone burgers dat deden. Het beruste nog
steeds op de oorspronkelijke politieke keuze om lid te zijn. Of dat goed of fout is, is een discussie die even in het midden moet blijven. Ze deed niets strafbaars en was in die zin onschuldig, tot aan het einde van de oorlog.
Maar nu stond ze, tussen lotgenoten in Fort de Bilt. Niet wetend voor hoe lang en niet wetend wat uiteindelijk haar lot zou zijn. Uiteindelijk bleek het allemaal nog erger te worden dan het in de stadsgevangenis was. De dagen leken langer en langer te worden. Er was honger. Het was hard werken. Soms had ze geluk, dan mocht ze in een halfdonkere zaal kleding controleren op gaten, maar meestal was het echt verschrikkelijk. De drukkerij was het ergst. Een werkdag kon wel tien tot veertien uur duren en je moest enorme dozen met papier naar persen brengen. Steeds was er maar die enorm strenge bewaking waar niet onderuit te komen was. Steeds was het benauwd en zwaar. Het ging slechter en slechter. Meestal kregen ze te weinig kleding waardoor de een na de andere ziekte toesloeg. Het maakte niet uit. In de eet- en slaapzalen renden de ratten af en aan. Het was er smerig. Het eten werd niet vertrouwd, maar bij gebrek aan beter toch opgegeten. Het was altijd te weinig dus niemand kon kieskeurig zijn.
De bewaking was meedogenloos en onmenselijk. Ze hadden ook de absolute macht en konden alles maken. Als iemand bezweek werd diegene uitgelachen. Of geslagen, net waar ze zin in hadden. Mensen die doodgingen werden met een stuk gereedschap naar buiten gesleept en als een stuk afgedankt vee afgevoerd. Fort de Bilt was een kamp met alleen maar vrouwen. De bewaking was mannelijk. Iedere avond werden mensen verkracht en seksueel misbruikt. De bewaking vermaakte zich mateloos door vrouwen gedwongen seksuele handelingen met elkaar te zien doen. Niemand, geen van de geïnterneerden ontkwam hier ook aan. Zeer geregeld werd er ook iemand zwanger. Zwangere vrouwen moesten express het zware werk doen en werden zelfs een enkele keer achter een vrachtwagen gespannen om miskramen te veroorzaken.
Het was geen straf meer. Het was een wraakneming van de hele menigte die er werkte. Wat mensen op straat niet mochten doen gebeurde hier op veel heftiger wijze. Er waren geen grenzen. Er was niemand die grenzen stelde en al helemaal niemand die zin had om grenzen te gaan bedenken en te handhaven. Geïnterneerden waren vogelvrij.
Achteraf bleek niet iedere bewaker een slechterik te zijn. De meesten knapten in en voor de oorlog ook al de nodige pikante zaakjes op en hielden ervan de baas te spelen over mensen. Veel mensen die in het kamp werkten namen binnen een mum van tijd ontslag.
Uiteindelijk overleefde ze het kamp maar net. Uiteindelijk kwam ze op 26 oktober 1947, na ruim anderhalf jaar internering vrij. Thuis kon ze de eerste maanden niets. Ze leed aan cholera en scheurbuik. Ze had om de haverklap hartritmestoornissen en bovendien was haar mentale gesteldheid een grote ruïne. Ze had weken nodig om fysiek te herstellen, om nog maar te zwijgen over haar mentale gesteldheid. Het gezin had erg veel geluk met de huisarts. Die was er altijd voor ze, ondanks hun verleden. Voor het eerst sinds anderhalf jaar kreeg ze ook medicijnen.
Ondanks alles had ze nog het geluk dat ze een huis en een gezin had dat haar kon opvangen. De meeste mensen die naar huis mochten hadden geen huis meer en een gezin dat totaal verspreid leefden, hertrouwde mannen en dergelijke. Voor hen volgde een nieuwe klap.
Mevrouw Verdonschot heeft haar hele leven iedere dag moeten terugdenken aan de kamptaferelen. Dat is iets wat nooit meer weggaat. Therapie op therapie volgde. Vijftien jaar na dato is ze gaan werken als schoonmaakster. Op haar werk was ze altijd afstandelijk omdat ze bang was dat mensen haar doorkregen, daardoor kreeg ze dus ook nooit vrienden. Ze heeft het nooit rijk gehad, maar is altijd een gul en gastvrij mens
gebleven. Vandaag de dag zit ze in een bejaardentehuis, is ze dementerend en alleen, maar die gastvrijheid mag er zijn!

NOTEN: -Op verzoek van de dochter van deze mevrouw hebben we ervoor gekozen niet de echte naam van de geïnterneerde te gebruiken. ‘Mervrouw Verdonschot’ is een naam van onze hand. -Mevrouw Verdonschot is dementerend en af en toe een beetje in de war. Ik voerde het interview samen met haar dochter. De dochter kon het verhaal volgen voor zover ze het juiste verhaal wist. Ik ga ervan uit dat alles naar waarheid verteld is.

Bevreidingsdag als bedreiging

Geplaatst door: admin op in N.S.B.-internering - Reacties: Geen Reaties »

“Tijdens Bevrijdingsdag moesten we ons altijd stil achter de gordijnen terugtrekken.” De dochter van mevrouw Verdonschot (ANDER ATIKEL), Tonny, is 75 jaar oud. Toen haar moeder geïnterneerd zat in Fort de Bilt leefde ze als tweede dochter in een gezin van vier kinderen. Hun vader moest hard werken voor zijn geld en de kinderen deden het huishouden vooral zelf. Jarenlang wachtte het huishouden op de terugkomst van de moeder. Buiten het feit dat het gezin geen huishoudhulp kon betalen, was de reden dat ‘mamma’ weg was een absoluut taboe. De grootste angst was dat men erachter kwam dat hun moeder ooit lid werd van de N.S.B.
Die angst om door de mand te vallen was ook daarna nog lang reëel. Misschien vaker dan we beseffen komen we op grapjes over de oorlog en vernederende opmerkingen over landverraders. Zonder pardon. Het was lastig om altijd maar met een krampachtige glimlach “ja” te knikken en niets te zeggen. Maar het lastigst in de eerste jaren waren misschien wel Bevrijdingsdag en de dodenherdenking, en het ieder jaar bombastischer wordende vuurwerk dat op oud & nieuw de lucht in gestoken werd.
Zo ver mogelijk verscholen keek het gezin toe hoe een heel land op haar grondvesten trilde bij het vieren van vrijheid. De bevrijdingsfeesten voelden als een rechtstreekse bedreiging. Het gezin is in Bunnik gaan wonen omdat men in de Utrechtse wijk Tuindorp wist waar de vrouw des huize voor de oorlog aanhanger van werd. De angst was vooral groot dat de mensen op de nieuwe plaats het ook te weten zouden komen en dat was cruciaal. Ook naar haar kinderen kon ze niet leuk en opgewekt doen rond 5 mei. Als haar kinderen ernaar vroegen kon ze dit makkelijk afdoen met antwoorden als: “Mamma heeft een beetje slechtere herinneringen aan de oorlog.” Tonny was 4 jaar toen de oorlog begon. Haar kinderen nemen hier nu genoegen mee, wetende dat ze waarschijnlijk ooit de waarheid zal moeten vertellen. Tonny Verdonschot is een tijdje stil. Haalt diep adem en piekert verbitterd: “Hoe kan ik mijn kinderen nu ooit nog de waarheid vertellen?” Haar kinderen zijn altijd begripvol, dat begrip is fijn, maar komt ook omdat ze niet weten dat haar moeder aan de ‘foute’ kant stond. Zelf, als schrijver van dit stuk, verbaas ik me over het feit dat haar eigen kinderen de waarheid niet eens kennen. De voornaamste reden van het verzwijgen van de waarheid voor haar eigen kinderen is het feit dat haar moeder niet veel fout heeft gedaan. Ze was lid geweest van de N.S.B., maar had nooit actief meegedaan en stond ook niet achter Nazi-gedachten of S.S.- praktijken. Tonny gelooft ook niet dat haar moeder geweten heeft wat er zich achter de schermen allemaal afspeelde. Daarnaast is ze nooit veroordeeld en heeft ook nooit een formele ‘straf’ gekregen, maar is gewoon vrijgelaten.
Tonny kan het zich nog maar al te goed herinneren hoe haar moeder uit huis ging. Ze was bijna tien. De zin: “En die hoer zien jullie nooit meer terug,” is heel haar leven blijven hangen. Haar vader kon op tijd vluchten. Mensen plunderden daarna het huis. Buren en zelfs familie kwamen en namen spullen mee met de woorden: “Zo. Dit hebben jullie ouders toch niet meer nodig.” Haar ouders waarschuwden het gezin al een tijdje dat er iets kon gebeuren en dat het na de oorlog voor kun nog niet veilig was. Als er gebeld werd moesten de kinderen naar boven. Maar op het moment dat dat gebeurde waar haar ouders de hele tijd voor waarschuwden en de gordijnen dicht hielden, werd er niet gebeld. De ramen werden ingetrapt en ze kwamen gewoon binnen.
Uiteindelijk hebben de kinderen onderkomen kunnen vinden bij de oma. De vader, die nooit lid was geweest had zich daarom uit zijn gevangenschap kunnen praten en kwam binnen een paar dagen thuis. Zo leefde het gezin verder. Moeder schreef in kleinde briefjes verstopt in kleding wanneer ze de tuin in mocht. Vaak gingen ze dan met z’n
allen naar de Plompetorengracht (waar ze toen nog zat), en dan konden ze zwaaien naar elkaar, vanaf een lange afstand. De jaren tijden de internering in Fort de Bilt waren stil. Er was weinig contact en het leven ging door. Vaak met pijn in het hart, omdat N.S.B. overal een onderwerp leek te zijn. Toen Tonny’s moeder eindelijk (ineens) thuiskwam, heeft ze samen met haar oudere zus veel voor haar gezorgd. Ze kon niet stoppen met praten, was ziek en mentaal compleet verward. Op een gegeven moment was er een vrouw die bevriend was geraakt in het kamp. Zij had geen huis meer, was ziek en kwam in het huis Verdonschot aansterken. Van haar kreeg het gezin een zilveren armbandje, als dank. Tonny heeft het nog bij zich.
Uiteindelijk zijn ze naar Bunnik verhuisd. In Utrecht bleef een soort vloek op het gezin hangen. In supermarkten werden ze aangekeken met schichtige oogjes. Af en toe riep iemand. Ze durfden niet naar café’s, bang om aangevallen te worden. Iedereen kende ze als waar ze in de oorlog voor stonden.
De uiteindelijke beslissing om te verhuizen was onvermijdelijk. Ze kregen niet vaak bezoek omdat buren bezoek vaak toeschreeuwden. Tonny’s eerste vriendje mocht niet bij hen thuis komen van zijn familie. Daarna wilde ze nog niet graag dat vriendjes kwamen omdat haar moeder iedere keer begon over haar ervaringen. Op een goede dag verbood Tonny haar dat, daar heeft ze erg veel moeite mee gehad.
Vooral achteraf heeft Tonny het erg te doen met haar ouders. Haar vader verloor zijn baan en kon bijbeunen in de bakkerij van een neef. Wat financieel niet heel erg gunstig was. Tot heel laat in hun leven hebben de ouders het moeilijk gehad. Maar nooit hebben ze hun optimistische houding opgegeven en ze waren vooral altijd heel erg behulpzaam. Die behulpzaamheid is ontstaan op Fort de Bilt.
Ook Tonny en haar zus en broertjes hebben therapie moeten volgen om het allemaal goed te kunnen verwerken. Uiteindelijk heeft ze veel steun aan haar man en gezin. Nog steeds zijn er weinig mensen die haar verleden echt kennen. Nog steeds voelt ze geen waardering. Nog steeds voelt ze angst voor wat mensen zullen zeggen tegen haar, terwijl het een toen liefdevolle keuze van haar moeder was om lid te worden. Ze is vijfenzeventig en hoopt ooit nog van de regering een excuus te horen. Of misschien meer een erkenning. Een erkenning voor wat honderduizend of meer Nederlanders (inclusief kinderen) is aangedaan. Pas dan is er een groot maatschappelijk taboe opgelost.

Maatschappelijk Taboe Bevestigd

Geplaatst door: admin op 24/12/2011 in N.S.B.-internering - Reacties: Geen Reaties »

WAT DE KRANTEN SCHREVEN

We horen mondjesmaat wat de N.S.B.-ers allemaal moeten hebben meegemaakt in de kampen. Maar hoe stond het publiek daar tijdens de kamptijden tegenover? Interessant omdat er wraakgevoelens naar landverraders heerste. Daarnaast ultieme euforie vanwege de bevrijding. Dat zou wel eens een goede bodem kunnen zijn voor haat en vernedering. Maar aan de andere kant: vernedering en mishandeling in kampen, kenden we dat niet ergens anders van?
Natuurlijk, er is een verschil. We hebben het in dit geval over mensen die bewust of zelfs onbewust iets op hun kerfstok hebben. Toch zijn wij een ‘land van de goede gebaren’, met onze mensenrechten, gedifferentieerde en geciviliseerde samenleving. Dat blijkt ook uit de kranten. Een uitgebreid onderzoek naar wat de mensen in de media te lezen kregen wijst uit de het leven in de kampen een groot taboe was.
Kranten stonden vol met berichten die mensen maanden om verantwoord om te gaan met landverraders. Dat laatste is een term die wel steevast gebruikt werd. Mensen mochten geen eigen rechter spelen en moesten landverraders aangeven bij de binnenlandse militaire dienst. Zij zorgden er dan voor dat de mensen opgepakt werden. Daarnaast was er veel belangstelling voor welke N.S.B.- ers er werden opgepakt. Zeker vlak na de bevrijding stonden er bijna dagelijks gearresteerden met naam en toenaam in de krant.
Opvallend vind ik dat vooral overheden, maar ook redacties, het nut inzagen van cultureel erfgoed. Er zijn veel berichten te vinden waarin staat dat eigendommen van N.S.B.-ers van de Nederlandse Staat zijn en daarom niet vernietigd mogen worden. De goederen die bij de staat terecht kwamen, werden in een fonds voor slachtoffers gestopt. Ook huizen mochten niet in de fik worden gestoken, dit zijn voor mij aanwijzingen dat het dus een veel voorkomende bezigheid was om huizen in lichterlaaie te zetten. Het meest gelezen argument om het niet te doen is letterlijk: “Door het vernielen van huizen vernielen we nog meer eigendommen van het vaderlands volk.” (De Waarheid – 07-05-1945).
Redacties van kranten laten zich openlijk uit over N.S.B.-ers. Misschien logisch, maar het is toch interessant om te lezen, aangezien de eigen krant met andere berichten maant tot het koest houden van Nederland. Concreet doel ik op zinnen als: “Medelijden met landverraders is misplaatst, maar grofheden en spot kunnen wij ook niet bewonderen.” (Trouw – 28-05-1945). Daarnaast stonden er berichten van redacties berichten in zoals hiernaast!
Het blijft frappant dat over de forten waar N.S.B.-ers geïnterneerd waren niets verscheen. Gezien berichten over het in brand steken van huizen moet het wel aangeslagen hebben. Blijkbaar zijn de, vaak vreselijke taferelen in de kampen toch een taboe gebleven buiten het leger. Over Fort de Bilt is niks te vinden in kranten, buiten een paar berichten van mensen die berecht of vrijgekomen zijn. Achteraf is dat maar goed ook. Zeker wanneer te bedenken dat een aantal mensen slechts lid werd om te overleven. In dorpen is bekend wie wel en niet lid waren. Als publiek bekend werd hoe het leger zelf omging met politiek gevangenen, zouden de geïnterneerden nog zwaardere straffen in hun leefomgeving wachten. Ik denk dat het leger, en de kranten op hun manier, verantwoordelijk naar buiten zijn getreden met berichten over N.S.B.-ers.

Provincie Utrecht heeft de meeste Scrooges

Geplaatst door: admin op 23/12/2011 in Radio - Reacties: Geen Reaties »

Utrecht heeft de meeste Scrooges! De meeste wat? Scrooges! Je kent het wel, de vrekkige hoofdpersoon uit het werk van Dickens. Hier een korte samenvatting van het gesprek dat ik had met Resto VanHarte.

Utrecht heeft de meeste Scrooges -Samengevat- Get Adobe Flash player

“Wij willen ons land terug” – Dirk Tieleman

Geplaatst door: admin op 13/12/2011 in Recensies - Reacties: Geen Reaties »

Als het om Best Practises gaat kies ik voor het werk “Wij willen ons land terug”, van de Vlaamse journalist Dirk Tieleman. Het boek, dat gaat over het leven in Afghanistan na dertig jaar oorlog, trok mijn aandacht aanvankelijk door het onderwerp. Uiteindelijk blijkt het een bijzondere productie vanwege de persoonlijke insteek van de schrijver. Dat zal dan ook centraal staan in deze beschouwing. Zelf noemt hij het dan ook een reisverslag. De vraag die eigenlijk centraal staat in het werk is: “Wat vinden de Afghanen zelf nou van de Westerse aanwezigheid in hun land?” De titel lijkt hier al een beetje antwoord op te geven maar het resultaat is verrassender.
Dit boek koos ik niet alleen omdat het genomineerd is voor de Loep 2011, maar ook omdat het een vrij bijzondere werkwijze heeft. Het lijkt alsof Tieleman in België voordat hij ging alleen wat contacten heeft geregeld en zonder verdere research is gaan reizen. Dat bevestigde hij later ook. Hij voegde er wel aan toe: “Ik heb ervoor gezorgd dat ik overal, op iedere plek waar ik
kwam, iedere dag een man had.” Daarmee bedoelt hij iemand die daar woont en de omgeving kent. Om hem de weg te wijzen, informatie te geven en ook te beveiligen.
De veiligheidsrisico’s zijn in het land niet echt in te schatten en verschillen bovendien per plaats. Ik vind het daarom ook een bijzondere manier van werken, vooral omdat de schrijver zich blijkbaar bewust is van de risico’s, maar ze niet heel erg van tevoren in kaart brengt. Tieleman kende Afghanistan uit de jaren ’80 en begin jaren ’90 omdat hij toen als verslaggever door het oorlogsgebied met de Moedjehedien (vrijheidsstrijders) meetrok. Ik denk dat het een heleboel scheelt dat op die manier het land, de bevolking en de situatie van oorlog al bekend was. Bovendien had Tieleman hierdoor een netwerkje waar hij zijn contacten mee kon zoeken.
Door niet mee te gaan met het leger mee te gaan krijg je meer grip op de Afghaanse mensen zelf. Dat was de gedachte van tevoren en ik denk dat dit ook een juiste gedachte was als ik het boek lees. Het leger dat er zit, zit in kampen en kent de straten van Kabul niet eens, laat staan dat ze contacten bieden met de lokale bevolking. Bovendien het hele doel dat dit werk draagt, antwoord vinden op de vraag: Wat vinden de Afghanen zelf? Is een iets waar ik in geen ander journalistiek werk echt antwoord op vond. En dat terwijl we er al tien jaar zitten. Dat is een beetje een gat in de uitgebreide journalistieke werken over het land.
Die weinig geresearchte weg was een bewuste keuze. De contacten moesten er zijn om de veiligheid te waarborgen. De contacten kwamen Tieleman ook altijd afhalen op bijvoorbeeld luchthavens. Niet één verzuimde. Misschien geeft dat ook aan dat de Afghanen best hun verhaal willen doen op deze manier. Toen ik vroeg wat er zou gebeuren als hij niet zou worden opgewacht, antwoordde hij: “Dan zou ik denk ik op de luchthaven zijn blijven wachten.” Wat aangeeft dat het er inderdaad gevaarlijk is en dat Tieleman dit gevaar wel ziet en weet dat hij iemand nodig heeft. Kortom: Hij is nooit onverantwoord. Blijkbaar was minimale research niet alleen daarom een goede methode, want een bijkomend gevolg in het boek is dat er verbazing komt vanaf het moment van aankomst. Verbazing omdat hij dingen ziet die hij niet verwacht. Dingen ook geresearcht hadden kunnen worden, en vervolgens over het hoofd gezien. Een voorbeeld is de beschrijving van de aankomst in Kabul. Hij beschrijft een soort “stad van de paradox”, zoals ik het zelf een beetje proef. Aan de ene kant is er een grote geldstroom richting de stad, die het tot een moderne metropool met hoge flats en grote kastelen maakt. Maar aan de andere kant is er een enorme armoede en Middeleeuwse levenswijzen te bespeuren. Ook wordt bijna pijnlijk duidelijk hoe dingen soms langs elkaar heen werken. Naast Kabul staat een moderne kerncentrale die helemaal gebouwd is door een westerse overheid, maar die niet in gebruik kan worden genomen. Er is glasvezelnetwerk op sommige plaatsen en een hypermodern telefoonnetwerk. Jammer alleen dat er geen stroom is om er iets mee te doen. Dergelijke dingen moeten we weten en dit is daar een schitterend verslag van.
Het boek bevat ook veel foto’s. Ik vind dit een waardevolle toevoeging. Aan de ene kant natuurlijk om een beeld te krijgen van de situatie en een beeld van hoe het land er nu precies uit ziet. Maar aan de andere kant is het ook functioneel voor het lezen. Tieleman beschreef het werk zelf als een soort reisverslag en mede dankzij de foto’s is het dat ook.
Qua tekst vind ik het een beetje snel geschreven. Het komt daardoor misschien wel meer over als een verslag, maar vaak moest ik een zin meerdere keren lezen voordat ik begreep wat er stond en ik heb ook enkele taalfouten kunnen ontdekken. Het verhaal is interessant genoeg, en dat maakt tekstuele uitglijertjes vooral een beetje jammer. Meerdere keren een zin lezen omdat je niet begrijpt wat er staat en spelfouten leiden af van de inhoud.
Een punt wat ik qua stijl heel erg waardeer is de mijmeringen tussen de stukjes verslag door. Daar stelt Tieleman vragen en nieuwe vragen en zit hij als het ware met zichzelf te bakkeleien over antwoorden op die vragen. Het geeft denk ik mooi weer hoe erg het land in stukjes is op te delen en hoe ver het
weg is van een stabiele, vreedzame en leefbare samenleving.
Terug naar de werkwijze. Terug ook naar de visie van het “aan het woord laten van de Afghaan”. Wat ik te prijzen vind is dat hij met een zo breed mogelijk publiek gaat praten. Met locale boeren, maar ook met jongere en oudere mensen. Zelfs de Taliban is aan het woord geweest. Pas dan krijgt de lezer op een eerlijke manier inzicht in de verschillende visies die er in zo’n land spelen. Bovendien krijg je, voor zover dat gaat, grip op de samenleving. Deze samenleving blijkt een breed gedragen mening te hebben over de aanwezigheid van het westen, maar daar kom ik later op terug.
Ook de legers die er liggen komen aan het woord. Met name het Belgische leger, maar ik denk dat ik het breder mag zien en dat dit beeld niet anders is voor het Britse, Duitse, Hollandse of wat voor aanwezig Navo-leger dan ook. Dit stip ik even aan omdat er talloze keren terug komt op het thema: “We moeten de harten van de bevolking winnen.” Iedere commandant zegt dit in één van zijn eerste zinnen. Terwijl de legers in kampen zitten en nauwelijks buiten komen. Als ze buiten komen is dat in een zwaar bewapende colonne. Mijn vraag is dan: “Hoe win je op zo’n manier de harten van een bevolking?” Die vraag proefde ik ook in het boek. Tot mijn verbazing stond Tieleman hier zelf anders in. Hij begreep de vraag duidelijk, maar hij zei dat er nu veel wordt over gelaten aan de locale politie en militie. Dat is de bedoeling en dat is wat er uiteindelijk ook moet gebeuren. Zijn visie kwam niet overeen met wat ik uit het boek haalde, dat vond ik opvallend.
Onderzoek is in dit werk een beetje een lastig begrip. Niet dat er geen onderzoek aan te pas kwam, maar er is niet van tevoren een hele reeks dingen uitgezocht. Onderzoek is in beginsel een beetje het achternalopen van een persoonlijke missie. Die missie, dat moge duidelijk zijn, is het uitvinden van de mening van de plaatselijke bevolking van de westerse aanwezigheid. Het onderzoek begint zoals ik beschreef heel simpel met het zoeken naar slaapplaatsen en voor de rest dient het onderzoek de missie. Dit door deels je neus achterna te lopen in Afghanistan, deels door diep nadenken en voor het grootste gedeelte ter plaatse dingen opnemen, opvangen en kleine onderzoekjes plannen om kleine vragen te beantwoorden en te zorgen dat je de juiste mensen treft. Op zich heb ik hier niets op aan te merken. Ik ben er nog niet helemaal uit wat ik van het minimale researchen van tevoren vindt, maar in Afghanistan klopte dit gewoon qua werkwijze.
Het maatschappelijk belang is een van de dingen die dit boek zeker in zich heeft. Wat ik mooi vind aan de persoonlijke drang van Tieleman om dit te maken, is dat het ook een groot maatschappelijk belang draagt. Want ten eerste: er is nog niet een werk met deze invalshoek en ten tweede draagt het een groot maatschappelijk belang omdat er vanuit Belgie, maar ook Nederland een hoop geld heen gaat en we leveren militairen. In Nederland is ons vorige kabinet zelfs gevallen over de kwestie: Missie Afghanistan. Dit werk heeft mijn sceptische houding tegenover ons verblijf daar eigenlijk weten om te draaien. Het heeft me laten zien dat het inderdaad zinvol is om er te zitten en dat we er nog even blijven. We hebben er een verantwoordelijkheid, maar daarnaast hebben we ook een buffer tussen een heel groot radicaal Arabisch/Islamitisch blok dat wel eens een bedreiging zou kunnen vormen. Dat is ook Tielemans boodschap. Die discussie laat ik even links liggen, aangezien deze voor dit stuk niet erg relevant is. Vooral wil ik zeggen dat het voor ons westers beleid goed is om ook deze kant van het Afghanistan verhaal gezien te hebben. Kortom: Het is een werk dat er moet zijn. Vandaar een terechte nominatie voor de Loep 2011. Je zou het bijna kunnen zien als een oproep aan de westerse wereld dat ze er moeten blijven. Om van Afghanistan een mooi land te maken dat functioneert, omdat er een verantwoordelijkheid ligt en niet in de laatste plaats om een voorbeeld te stellen aan Arabische landen en daarmee de eigen veiligheid te waarborgen tegen een groot extremistisch Islamitisch blok dat een bedreiging kan gaan worden.
Daarnaast vind ik het voor de schrijver persoonlijk een mooi iets dat hij zelf iets
heeft met Afghanistan en er daarom op eigen houtje en kosten heen reist om er zijn verhaal te maken. Toen ik Dirk Tieleman vroeg naar zijn motivatie, bleek dat ook: “Omdat het er moet zijn, maar ook vanwege een persoonlijke passie”. Dat is een mooie drijfveer. Alleen begrijp me niet verkeerd: Het is mooi, maar zou bij de meeste gevallen van onderzoeks-journalistiek niet toepasbaar zijn. Niet op deze manier in ieder geval.
Het moet er zijn omdat het een totaal andere kant van Afghanistan weergeeft die we nog niet kennen. We kennen vooral de kant van het leger. Die klopt ook wel, als ik dit boek lees. We kennen de kant van het leger via projecten als “Uruzgan.fm”, een radiostation vanaf een Nederlands legerkamp. We kennen het van reizen die bijvoorbeeld Arnon Grunberg en Giel Beelen maakte, allemaal onder leiding van en onder soldaten. Ook dat is een kant die we moeten kennen, ik wil het niet op zichzelf afzwakken, maar Tieleman beschrijft een kant die weergeeft waarom we er zijn voor Afghanistan en dat is een kant die nooit eerder belicht werd. Het is een kant die de kern van de missie weergeeft. Volgens Tieleman geven de traditionele journalisten om die reden een vertekend beeld: Het beeld is namelijk niet compleet.
De werkwijze was tricky, vooral vanwege het gevaar dat er is. Op de ene plaats meer dan op de andere, maar er is gevaar om rond te reizen in het Afghaanse. Maar dat is niet de enige moeilijkheid die in de weg zit bij een onderzoek als dit. Bijvoorbeeld westerse opvattingen, gebruiken en overtuigingen zitten in de weg wanneer er gepraat wordt met de Afghanen.
Tieleman kon hier meteen op inspringen. Het boek staat ook vol met verbolgen en verbazingwekkende beschrijvingen over de soms middeleeuwse tradities die worden gehandhaafd. Bijvoorbeeld de behandeling van vrouwen bij de traditionele bevolking, veel vrouwen worden onderdrukt, moeten zich volledig bedekken enzovoorts. “Daar ga je toch op een westerse manier over denken en dat krijg je er niet uit. Het blijft altijd botsen.” Ik denk wel dat je al een heel eind op weg bent als je jezelf bewust bent van het feit dat de je andersdenkend bent. Dat helpt je, lijkt me, dat je toch eerder over dit soort gedachten heen kunt stappen, kunt onderdrukken voor zover dat kan en dat je ze links kunt laten liggen. Een ander lastig punt ligt op het gebied van vooroordelen. Dat is denk ik in iedere productie zo, maar hier is er wel op een goede manier mee omgesprongen. Want natuurlijk, of je wil of niet, je gaat met vooroordelen op reis. Zeker als je er, zoals in het geval van Dirk Tieleman, al eens geweest bent. Nu worden die vooroordelen duidelijk op de plaats waar de verbazing om de hoek komt kijken. Dezelfde verbazing die ik eerder beschreef in mijn uiteenzetting over research hierboven. Hieraan zie je dat bepaalde bestaande vooroordelen en vooronderstellingen ook zo weer omver geworpen kunnen worden. Zolang ze er dus maar niet zo diep in zitten, en je probeert bewust te zijn van het feit dat van tevoren bedachte beelden ook een vooroordeel kunnen zijn.
Een ander punt waar een vooroordeel naar boven komt is bij het beantwoorden van de hoofdvraag. Er kwam iets anders uit dan ik, en ook de schrijver, van tevoren had bedacht. Ikzelf verbaasde me over de conclusie: De Afghanen willen het westen op den duur weg hebben, maar nu nog niet. Nog lang niet. Pas als het land weer helemaal stabiel is. Alles is beter dan een massale terugkeer van de Taliban. Afghanistan wil een stabiel en “open” land worden. Zelfs de kleinste boer is min of meer op de hoogte van wat er speelt. Dat is een openbaring voor mij. Die openbaring had Dirk Tieleman zelf ook gehad.
Een andere productie waar deze zelfde open houding erg tot zijn recht komt is de VPRO- serie “De slag om Brussel”. Ook hier gaan de makers van Appelbaum met een open vizier te werk. Ze onderzoeken de geldstromen van het Europees subsidiebeleid en vinden een aantal interessante dingen. In één oogopslag valt vind ik te zien dat ze er niet op uit zijn om een misstand aan te tonen, maar ze zijn erop uit om dingen in kaart te brengen. Dit geeft fleur aan het programma, want stel ze zouden van tevoren een Eurosceptische houding hebben, dan zouden de afleveringen waar het wèl werkt (de Hongaarse Goulash bijvoorbeeld) niet hebben kunnen maken.
Voor het volledige plaatje is dit de juiste houding. Het verschil met “Wij willen ons land terug” is dat dit veel dichter bij huis is en over dingen gaat waar we ons collectief meer bij kunnen voorstellen. Toch verschilt de werkwijze nauwelijks. Ook de makers van De slag om Brussel hebben vooroordelen. Zelf zijn ze niet zo’n voorstander van het één worden van de Euro. Misschien was dat een drijfveer om dit te maken, maar ik denk dat dit weer een bewijs is dat het best mogelijk is zelf te bedenken wanneer iets een vooroordeel is en wanneer je die aan te kant moet kunnen zetten of, beter nog, kunnen weerleggen of bevestigen.
Ik vroeg meneer Tieleman ook wat hij, achteraf gezien, anders had moeten doen. Wat daar vooral uit kwam was het ontbreken van de mannen die het voor het zeggen hebben. Ongeveer iedereen komt aan bod in het boek, maar niemand van de regering Karzai (formeel de huidige president van Afghanistan). Hierdoor komt er een teveel zwart/wit beeld. De leiders van het huidige Afghanistan zouden een nuance kunnen aanbrengen die nodig is in het boek, nodig omdat deze er is en nu ontbreekt. Tieleman vraagt zich nog af wat voor antwoorden zij hebben en welke synthesen zij zullen maken over de huidige situatie en ook de toekomst van Afghanistan.
Voor mezelf bood dit werk wel een verhelderende blik op de diepe journalistiek. Het hoeft niet per sé zo te zijn dat er iets mis is. Dat is het onderzoek. Bovendien spreekt me een persoonlijke band met iets of iemand enorm aan. Het geeft je een extra trigger om aan iets te trekken en het laat je “voelen” dat een werk er moet zijn. Ik denk dat dit voelen heel belangrijk is voor kwaliteit. Het geeft me op een heel andere manier antwoord op de stelling: “Journalisten zijn in het Twittertijdperk niet meer nodig.” Die stelling is kortzichtig. De journalistiek moet met haar tijd meegaan, maar zal nooit overbodig zijn.

De Dikke Dertien (20-02-2011)

Geplaatst door: admin op 19/02/2011 in Verslagen - Reacties: Geen Reaties »

Hoppa! Daar istie weer, de Dikke Dertien voor de komende week. Dertien Dikke Dampende hits die de smaak van de week bepalen! Mis ze alsjeblieft niet. Luister deze lijst achter elkaar in Spotify.

1. Eefje de Visser – Afdwaalt
Ik denk een maand of twee geleden zat ik een beetje teneergeslagen achter mijn scherm. Tot het moment waarop in Eefje de Visser leerde kennen. Ik heb haar Roosbeef-achtige album “De Koek” zeker twee keer geluisterd voordat ik ging slapen. Deze week hoorde ik haar weer en besloot dat ze niet mocht ontbreken:

2. Crystal Fingers – Plage
De lente begon deze week te krieken. En daar past deze heel goed bij. Bij de vrolijke klanken van Plage maakt mijn hart een klein sprongetje. Laat die lente maar komen.

3. Mark Ronson & The Bussiness Intl. ft. Boy George – Somebody To Love
Mark Ronson, als je het mij vraagt een bewonderenswaardig producer, heeft een hele toffe plaat gemaakt met The Bussiness Intl. Zijn volgende single liet hij inzingen door Boy George, we kennen hem als zanger van de toepasselijke hit “Karma Chameleon” van zijn voormalige jaren-80band Culture Club. En nu, bijna 30 jaar later is de man geen steek veranderd:

Lees de rest van de lijst hier.

Podcast Vechtstreek Vandaag

Geplaatst door: admin op 21/10/2010 in Radio - Reacties: 1 Reactie »

Daar is er weer één: een podcast! Ruim een jaar later leek het me een uitstekend plan weer eens een programma online te zetten. Samen met Elena van Doorn presenteer ik wekelijks de actualiteitenrubriek ‘Vechtstreek Vandaag’ op RTV Stichtse Vecht. Enjoy.

Vechtstreek Vandaag – 31 oktober 2011 Get Adobe Flash player

Podcast Maarssen Actueel – 28-09-2010

Geplaatst door: admin op 17/09/2010 in Radio - Reacties: Geen Reaties »

Guus gaat goed op de radio. Nou ja, het meeste klinkt al een stuk beter dan een paar weken geleden. Een totale radiostop van zo’n drie jaar viel me zwaarder dan ik me had ingedacht van tevoren. Gelukkig is het plezier in het radiomaken niet weggewaaid.
Deze week zeg maar de eerste volledige uitzending van op RTV Maarssen gehad. Door enige omstandigheden om me heen werd het me meteen zwaar gemaakt. Helaas een beetje te horen aan het begin van het programma, maar eenmaal op dreef zat ik er aardig in.

Hieronder een podcast van deze fijne uitzending van 28 september 2010:

Maarssen Actueel – 28 september 2010 Get Adobe Flash player

Drie manieren van optreden tegen de zee

Geplaatst door: admin op 02/04/2010 in Verslagen - Reacties: Geen Reaties »

www.sinauzun.com

UTRECHT – Het is geen geheim meer dat de zeespiegel zal stijgen de komende decennia. Wetenschappers zijn het er nog niet over uit in welke mate, maar de zeespiegel zal stijgen. Voor Nederland is het van cruciaal belang om hier drastische maatregelen tegen te nemen. Anders zal er weinig van ons kikkerlandje overblijven. Eind januari was het voorstel voor de, inmiddels controversieel verklaarde, nieuwe deltawet klaar. Deze wet moet een opstap vormen naar een nieuwe en veilige oplossing om onze voeten in de toekomst droog te houden.

Staatssecretaris  Huizinga (V&W) presenteerde het met trots. “Nederland is één van de laagstgelegen delta’s. Zo’n zes miljoen mensen zijn voor droge voeten afhankelijk van onze dijken en maar liefst 65% van ons bruto nationaal produkt wordt verdiend onder de zeespiegel. Daarom mag onze aandacht voor de waterveiligheid niet verslappen. Integendeel, met de Deltawet kiest het kabinet bewust om te blijven investeren in verbetering van onze veiligheid en het veilig stellen van de zoetwatervoorraad ook voor volgende generaties.”

Die woorden geven in heel grote lijnen weer wat er gaat gebeuren. De nieuwe wet richt zich met nadruk op ‘Aandacht voor veiligheid (AV)’ en stelt wettelijk vast dat er een zogenaamde ‘deltacommissie’ komt. Dit wordt een soort wachter voor onze veiligheid m.b.t. water. Aan het hoofd hiervan komt een rechtstreeks onder Onze Minister ressorterende regeringscommissaris voor het deltaprogramma. Deze draagt de titel “deltacommissaris”. De deltacommissie buigt zich over het Nederlandse beleid tegen het wassende water.

Dát er iets moet gebeuren is geen vraag meer. De vraag is wat er moet gebeuren. Daar moet de deltacommissie zich over buigen en uiterlijk in 2020 moet er een uitvoerbaar, doorberekend plan komen waarmee Nederland de 22e eeuw gaat halen. Het huidige kabinet heeft afgesproken dat vanaf 2020 jaarlijks 1 miljard euro gereserveerd wordt voor het deltafonds. Er is al gekeken naar mogelijkheden die we hebben om veilig te zijn. Grofweg zijn dat er drie.

www.sinauzun.com De eerste wordt genoemd ‘Business as Usual (BAU)’. Eigenlijk gebruiken we die heden ten dage al. Door het plaatsen van golfbrekers de zee in komen golven minder hard tegen de kust aan. Dat geeft de kust veel stevigheid en bescherming. Deze optie is goed uitvoerbaar en relatief goedkoop. Het nadeel is alleen dat het niet overal mogelijk is vanwege bijvoorbeeld scheepvaart. Deze optie vervalt als het water verder dan 5 meter stijgt.

Commissie AVV planDe tweede optie draagt de naam ‘Raising Holland’. Dit lijkt een surrealistische optie. Alle lage gebieden in Nederland moeten, na een grotere stijging dan 5 meter voor 2040, met een aantal meter worden opgehoogd. De Noordzee heeft genoeg zand om dit te doen. Voor het land is dit alleen een enorm ingrijpend verhaal. Het betekent ook dat steden (die uiteraard niet op te hogen zijn) in een soort kuil komen te liggen. (zie kaart hiernaast).

Commissie AVV planDe derde en voorlopig laatste optie heet  ‘Widening Holland’. Dit klinkt een stuk realistischer dan de tweede. De bedoeling is dat de kust eigenlijk wordt uitgebreid. Voor de huidige kustlijn komt een baan van zand, dat opgespoten wordt uit de Noordzee. Deze baan wordt zo hoog dat de zee er moeilijk overheen kan. Zo ontstaat er een kust met een heel breed duinlandschap dat, goed beschouwd, ook als een soort uiterwaard gezien kan worden. Dat maakt de kust uiterst sterk. De bebouwing staat nu achter een hoog duingebied.

De komende twaalf jaar moet duidelijk worden wat voor Nederland de beste keuze is. Voor de politiek is het van belang om geld opzij te gaan zetten voor dit probleem. Gezien onze resultaten bij het gevecht tegen de zee moet het geen onmogelijke opgave zijn om het jaar 2100 te halen als Nederland. We hebben volgens velen de kennis in huis en de mogelijkheden zijn reëel, dus Amersfoort zal voorlopig geen kustplaats worden.