Het is weer broedseizoen

dorstlezer - buizerd broedseizoen

In mei….. juist, het bos zit weer vol met broedende vogels. Dat duurt ongeveer tot halverwege juli, daarna zijn de jonkies uitgevlogen en is het vogelleven weer helemaal de oude. Tot die tijd is er een hoop gekwetter en een schichtig heen en weer gevlieg tussen de (beschutte) nesten.

Buizerd in het broedseizoen

Maar wees ook op je hoede. Niet alleen de merel, zwaluw en andere kleine vogels brengen in deze periode hun kroost groot. Dat geldt ook voor menig uil of buizerd. In de buurt van het Cadettenkamp in de buurt zijn al meldingen van nestelende buizerds.

Als hun jonkies uitkomen willen deze grote, veel voorkomende roofvogels graag rust. Als wandelaars, fietsers of mensen met hond per ongeluk te dicht in de buurt komt, kan de buizerd uit zelfverdediging toeslaan. Hij zal dan soms een flinke tik kunnen uitdelen.

Buizerds zijn veel voorkomende vogels in Nederland en zeker ook in onze streek. Ze kunnen groot zijn en zijn vaak te herkennen aan hun witte borst. Niet elke buizerd valt aan als je in de buurt van zijn nest komt, maar sommigen doen dit wel. Het is een soort territoriaal gedrag.

Buizerds die dit wel doen, doen dit dus puur uit bescherming voor hun kuikens. Dit duurt een periode van ongeveer zes weken, dus ongeveer media juli ben je er weer vanaf.

 

Wat doe je ertegen?

Zo’n voorval is misschien minder eng dan het klinkt. Hij zal je nooit als prooi behandelen, maar je alleen willen verjagen. Dit kun je verhelpen door bijvoorbeeld een paraplu mee te nemen. Deze hoef je niet eens uit te klappen, omhoog steken is vaak al voldoende om genoeg afstand te bewaren. In dat geval kom je met een stok uit het bos ook al heel ver.

Weten hoe het eruit ziet? Er zijn op YouTube meerdere video’s over te vinden.

Dit artikel verscheen in De Dorstlezer van mei 2019.

NLroei.tv – NK Kleine nummers 2019

Logo Nlroei - Laat mij maar schrijven

Kaj Hendriks: ‘Ik heb veel vertrouwen in Jacob, ik sla voor en hij doet de rest’

NK 2019: Obbe Tibben: ‘Ik schrok een beetje dat ik zo hard startte’

Lisa Scheenaard Nederlands kampioen DE1x & Ilse Paulis LDE1x direct na hun finales.


Meer op NLroei.nl.

Geldstromen door de school

PO-Magazine

‘Van OCW naar 7B’

“Het onderwijs slaagt op school. Daar gebeurt het. Maar in hoeverre ligt de zeggenschap over het slagen van onderwijs ook op school?”, vraagt Marije van den Berg zich af. Zij is een van de initiatiefnemers van het onderzoek ‘Geldstromen door de school’, waarin de besteding van de middelen onder de loep is genomen. Ze begon – uit pure nieuwsgierigheid – in 2016 met een financieel onderzoek op de school van haar kinderen in Leiden.

Het onderzoek is een gezamenlijk project geworden van een ouder (Van den Berg), de schoolleider, twee leerkrachten en twee Leidse gemeenteambtenaren. Ook Peter Hulsen, directeur van Ouders&Onderwijs, schoof aan. De twee onderzoekers Pieter Buisman en Nathan Rozema, konden dankzij een subsidie van de gemeente Leiden aan de slag.

De onderzoeksclub had een stevige ambitie: “Door de onderwijsgeldstromen door en rond de school grondig in beeld te brengen krijgen we inzicht in knelpunten en kansen voor verbetering van efficiency en effectiviteit. Met dat inzicht kunnen we trefzekerder sleutelen aan samenwerking en zeggenschaps-(her)verdeling in en rond de school.” Van den Berg vertelt verder dat het onderzoek twee jaar heeft geduurd en tot twee conclusies is gekomen. Allereerst is het ingewikkeld om er precies achter te komen hoe het geld wordt verdeeld en waar die beslissingen precies worden genomen. Ten tweede kwamen de onderzoekers tot de ontdekking dat over bijna de helft van het onderwijsgeld boven de hoofden van de scholen wordt besloten.

“Oorspronkelijk wilden we er met elkaar achter komen hoe we met dezelfde hoeveelheid geld meer zouden kunnen bereiken. Hiervoor zijn we eerst gaan kijken op school, maar al snel moesten we het plein af en kwamen we via allerlei wegen bij het ministerie van OCW terecht”, vertelt Van den Berg. “De geldstromen blijken een ongelofelijk ingewikkelde kluwen. En hoe ingewikkelder, hoe meer geld er weglekt of blijft hangen.” Het schema op de volgende pagina laat dat duidelijk zien.

 

“Als je vanuit de school vertrekt sta je al snel voor een groot aantal keuzes. De ene school zal breed willen inzetten op taalonderwijs, waar de andere zich bijvoorbeeld meer wil richten op digitale vaardigheden”, aldus Van den Berg. “Die keuzes kun je maken als je ook zeggenschap hebt over waaraan je als school het geld uitgeeft en inzicht hebt in hoe de geldstromen lopen.” Dat begint dus op de school. “Hoe mooi zou het zijn dat elke school kan bedenken wat er nodig is op jouw locatie, met jouw leraren, jouw ouders en jouw leerlingen en ga dan een plannetje maken over de besteding van de middelen en welke samenwerkingen er nodig zijn voor het beste onderwijs op jouw school.” In wezen is een basisschool als organisatie heel simpel. Van den Berg: “We stelden als experiment met een groep 7B de schoolbegroting op. Die was niet anders dan de officiële: een leraar, met nodige hulp, in een lokaal vol met leerlingen. We hebben een gebouw – liefst een beetje schoon – en we hebben leermiddelen en extraatjes als een museumbezoek en een sportdag. Zo simpel is de begroting van een locatie, zo simpel zou het met de besteding van het onderwijsgeld ook moeten zijn. Helaas is het echte financieel allocatiemodel veel complexer. Onnodig complex, in onze ogen.”

 

Uit het onderzoek blijkt dat 52 procent van elke euro die het ministerie aan het basisonderwijs uitgeeft, in de klas terecht komt. De vervolgvraag is dan waar de rest van het geld, bijna de helft van het budget, allemaal terechtkomt. En: wie daarover de keuzes maakt.

 

In de weg tussen school en ministerie kom je dan bij de directeur van de school, de bestuurder van de onderwijsstichting en de raad van toezicht, langs de organisatie van passend onderwijs, het vervangingsfonds voor als een leraar ziek is, een groot aantal gemeentelijke afdelingen en wat instellingen met een directie, een staf, een bestuur en een eigen raad van toezicht. “Natuurlijk zijn daar een heel aantal nuttige dingen inbegrepen, maar je kunt je afvragen of daarvoor de helft van het geld nodig is”, stelt mede-onderzoeker Pieter Buisman. “Kan dat niet efficiënter en kan er niet meer geld rechtstreeks naar de klas? Tien cent per euro verschuiven naar de klas betekent meer geld voor het onderwijs direct aan leerlingen. Daar kan een leraar heel wat mee doen: een hulp in de klas inschakelen, een nieuwe methode aanschaffen of laptops gebruiken. Al wat voor zijn leerlingen het best is.” Het punt in de praktijk is dat de school vaak niet zomaar kan meebeslissen over deze keuzes. Die worden doorgaans buiten de school gemaakt, juist doordat de helft van de budgeten al zijn bestemd of zelfs uitgegeven voordat het de school heeft bereikt.

 

Begin bij de school

Om dat te veranderen is het volgens de onderzoekers zaak dat de zeggenschapover onderwijsgeld bij de scholen komt te liggen. Van den Berg: “Scholen kunnen zelf best de keuzes maken over wat zij belangrijk vinden en nodig hebben. Daar kun je dan het geld aan uitgeven. Welke expertise moeten we inhuren en waar kunnen we slim samenwerken? Dat zien we nu in de praktijk bij de werkdrukmiddelen; daar kan het wel en lukt het prima.”

“Wij pleiten daarom voor het omkeren van de bekostiging: begin op school en leg de zeggenschap daar neer. Als scholen vervolgens ervoor kiezen om een deel van het werk uit te blijven besteden aan een gezamenlijk ondersteunend staf- en bestuur bureau, is dat natuurlijk prima. Als het maar een bewuste keuze is, dienend aan de scholen en te volgen voor de medezeggenschapsraad (mr).”

Van den Berg ziet de discussie zich toespitsen op de relatie tussen besturen en scholen. “Er is in onze optiek veel winst te halen – letterlijk en figuurlijk – in het systeem tussen OCW en de besturen in. De instellingen en bureaus daar moeten steviger gaan verantwoorden: in hoeverre dragen hun diensten bij aan de onderwijskwaliteit op scholen? Die verantwoording ontstaat als je de zeggenschap verlegt. Dan wordt het vraaggestuurd in plaats van aanbodgestuurd.”

 

Medezeggenschap en Toezicht

“Ook je toezicht en verantwoording zou mee moeten bewegen: niet alle gegevens naar Den Haag toe aggregeren, maar lokaal en passend toezien, in de context van de school. Het instemmingsrecht op de begroting van de MR, waartoe Slob nu heeft besloten, biedt daarvoor kansen. Maar adel verplicht ook: dan moeten we de toerusting van MR’en willen verbeteren. En ook kunnen veel raden van toezicht veranderen: opener worden, meer in contact staan met leraren, schoolleiders en ouders.” Feitelijk in lijn met de toekomstvisie van de VTOI (vereniging voor toezichthouders) die ook pleiten voor meer contact tussen stakeholders en toezichthouders van onderwijsorganisaties.

Geldstromen door de school

Omdraaien

Het antwoord op de vraag: ‘waar blijft het geld dat OCW uitgeeft?’ zit hem in de dingen waaraan klaarblijkelijk geld wordt uitgegeven, maar waar scholen, ouders, leerlingen niets van merken. Dat kan anders. Daarvoor moet de route van onderwijsfinanciering feitelijk worden omgedraaid. Dat moet je niet lichtzinnig doen volgens de onderzoekers. “In elk geval al niet omdat de organisatievorm met grotere overkoepelende besturen, inclusief passend onderwijs, geld op een andere manier over scholen verdeelt dan de lumpsum doet.”

Benieuwd naar de uitkomsten van het onderzoek? Deze worden gedeeld via: www.geldstromendoordeschool.nl/onderzoekrapport.

Dit artikel verscheen in PO Magazine van april 2019. Lees hier meer.

NLroei.tv – Triton wint de Varsity

Logo Nlroei - Laat mij maar schrijven

Kaj Hendriks, Harold Langen en Fiep Warmerdam. Zojuist gehuldigd.

De finish van de Varsity, tussen de Tritonfans

Meer op NLroei.

NLroei.tv – Head of the river 2019

Bondscoach Mark Emke reageert op de race van de Holland 8 op de Head. “Ik vond dat Skøll het heel goed deed.”

De elitemannen van Skøll legden de Holland 8 het vuur aan de schenen tijdens de Head 2019. Skøllroeier Lennart van Lierop en Holland8-roeier Robert Lücken geven een reactie.

Nieuws uit het bos: De winter voorbij

De winter heeft al plaatsgemaakt voor de eerste lentezon. Na een droge zomer is er eigenlijk nog steeds te weinig neerslag om de grondwaterstanden op peil te krijgen. Natuurbeheer en de waterschappen proberen dit zo goed mogelijk te regelen. Het is toch een beetje spannend hoezeer de natuur in de bossen geleden heeft onder de droogte van de afgelopen twaalf maanden.

Dat gaan we de komende maanden zien. De komende maanden zal opvallen dat sommige bomen en struiken het lastig hebben of het zelfs helemaal niet hebben gered. Aan andere planten zal weinig te zien zijn. Hoeveel schade er is en waar deze precies te zien zal zijn is zo aan het einde van de winter vaak nog lastig te zeggen. Maar vanaf nu wordt het tijd om goed rond te kijken. Overigens speelt het weer van de komende maanden ook een grote rol. Het moet niet te droog worden, maar ook niet te koud.

Ook voor Staatsbosbeheer is het einde van de winter ingetreden. Her en der is sinds begin februari al veel gekapt. Dit jaar zijn vooral de Seterse Bergen en De Vijftig Bunder aan de beurt voor groot onderhoud.

En dat groot onderhoud kan er rigoureus uitzien. Het doel is vooral om ruimte te scheppen voor de bomen, om op termijn een divers bos te creëren. “Het doel van de werkzaamheden is om bomen te verwijderen om licht en ruimte te maken voor bestaande bomen die dan dikker kunnen worden. Door meer licht en ruimte te creëren krijgen jonge bomen de kans om te ontkiemen, dit komt de variatie van het bos ten goede. De werkzaamheden vallen onder regulier beheer dat noodzakelijk is om het bos toekomstbestendig te houden. Bos blijft Bos”, legt boswachter Floris Hoefakker uit.

Hoe heftig de kap er soms ook uitziet, Staatsbosbeheer houdt de schuilplaatsen van dieren, hoe klein ook, zorgvuldig in de gaten. Het bos blijft een multifunctioneel karakter hebben. Dat wil zeggen dat recreatie, landschap, cultuurhistorie, natuur en duurzame houtproductie allemaal plaatsvindt. Het hout komt terecht in Nederland en de opbrengst wordt weer gebruikt voor het bosbeheer.

Dit artikel verscheen in De Dorstlezer van maart 2019.

‘Leve onze leraren’

PO-Magazine

“Onze leraren zijn geweldig. En bovenal deskundig”, vindt Emiel van Doorn. Maar ze hebben gaandeweg steeds meer op hun schouders gekregen volgens de expert in mediërend leren. Wat Van Doorn tegen de borst stuit is het gebruik van eindeloos vaste protocollen, instructiemodellen en toetsen. “Dat maakt onze leraren vooral bekwaam in het geven van instructie en in het begeleiden van hun leerlingen. Dankzij dat vele toetsen wordt er (te) veel druk op zowel de leerlingen als de leraar gelegd.”

Zijn boodschap is: “het is niet nodig om zoveel te toetsen als we vandaag de dag vaak doen”. Van Doorn wijst op de vele uren die een leraar besteedt aan de afname van toetsen. De toetsen worden niet alleen afgenomen, maar moeten ook worden gemaakt en achteraf worden nagekeken en administratief verwerkt worden. “Natuurlijk moet je af en toe kunnen peilen hoe het ervoor staat met een leerling, maar we hoeven echt niet al die overhoringen en toetsen af te nemen.” De afnametijd en de uren die besteed worden aan nakijken en aan de administratie, kunnen dan beter besteed worden. “Bovendien raken leerlingen gestrest omdat ze worden overhoord en dus direct worden geconfronteerd met wat ze antwoorden op dat moment. Iedereen verliest feitelijk als de leerlingen in de stress raken en de leraar veel tijd kwijt is. Is dat nou nodig?” De confrontatie met toetsen en toets uitslagen kent Van Doorn goed. Zelf is hij dyslectisch en dat speelde hem nogal eens parten tijdens zijn carrière op school. Inmiddels mag hij zich auteur noemen van meerdere boeken. “Ik weet dat ik niet goed kan spellen, dus dan moet ik het proces dat gepaard gaat met het schrijven van mijn boek anders aanpakken dan iemand die wel goed is met spellen”, legt hij uit. “Dat kan met leerlingen en hun specifieke aanpak ook.”

Onze leraren zijn geweldig en bekwaam; maar het is echt niet nodig om zoveel te toetsen zoals we vandaag de dag vaak doen”.

“De huidige toetsdruk maakt het ingewikkeld om oog te blijven houden voor de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen. Het voortdurend verantwoording moeten afleggen komt het leerproces niet ten goede. Ook voor de ouders werkt dat belemmerend.” Dus leraar, leerling en ouder zouden allemaal niet gebaat zijn bij een toetscultuur. Naast minder toetsen doen leraren er goed aan om te investeren in een ontwikkelingsgerichte relatie met hun leerlingen. Daarbij is het volgens Van Doorn belangrijk dat zij aansluiting zoeken bij hun leerlingen en hun actuele leerniveaus. “Als die aansluiting goed is, dan is toetsen om te kijken waar een leerling staat in elk geval minder nodig.” Leerkrachten zouden minder afgerekend moeten worden op het toepassen van instructiemodellen, toets resultaten en procedures. Meer zou gekeken moeten worden hoe zij leerlingen verder hebben laten ontwikkelen.

 

Wat aandacht krijgt groeit

“Leerlingen en ouders kunnen en willen best accepteren dat sommige leerresultaten wat achterblijven of net wat later worden opgepakt, mits ze te horen krijgen dat er desondanks sprake is van ontwikkeling op veel andere gebieden”, stelt Van Doorn. “Laten we ons, zeker als leraren, niet gek maken met opmerkingen als: ‘dit moet van de inspectie’, of ‘pas op, we moeten niet onder het landelijke Cito-gemiddelde terecht gaan komen’ of ‘wat ga jij doen aan het slechte cijfers van je leerlingen’?”. Van Doorn pleit om in plaats daarvan te richten op het bewust maken van leerlingen van hun talenten, kwaliteiten en mogelijkheden, en hen probleemeigenaar te maken van zoveel mogelijk van hun ontwikkelvragen.

En daar ligt de crux. “We zijn zo ontzettend getraind, opgevoed en getriggerd om te kijken naar waar het fout gaat, dat we vergeten om te kijken wat er goed gaat. Dat we vooral de focus hebben op wat er niet goed of wat onder het gemiddelde is. Terwijl we zo blij worden van de dingen die juist wel goed gaan en daarop complimenten krijgen. Het is niet motiverend om steeds te horen te krijgen dat we niet voldoen aan een norm, niveau of wat dan ook. Wat doet dat uiteindelijk met je zelfbeeld, je zelfvertrouwen en je wens tot zelfontwikkeling?”

Ik weet dat ik niet goed kan spellen, dus dan moet ik het proces van een boek schrijven anders aanpakken dan iemand die wel goed is met spellen.

Leerlingen en hun ouders hebben er veel meer aan om aan de slag te gaan met de kennis dat zij hun ontwikkelvragen ‘samen’ met anderen kunnen aanpakken en oplossen.. Want, zo zegt Van Doorn, wat aandacht krijgt, dat groeit. Maar het moet wel op de juiste manier aandacht krijgen. En dat is niet door af te rekenen op fouten als het aan Van Doorn ligt. “Een leerling kan werken aan bijvoorbeeld rekenen terwijl hij daar minder goed in is. Maar als hij dat samen met anderen mag uitvoeren dan houdt hij een positief toekomstbeeld. Dat zal hem veel beter afgaan dan dat hij bang is om op de toets voor zijn kunnen te worden afgerekend.”

De leerlingen zouden dus moeten weten dat het samen mag, want alleen in het onderwijs word je afgerekend op wat je alleen kan en in de maatschappij zal je het uiteindelijk samen met een ander oplossen. Een leerling moet perspectief hebben. Het is voor een kind en voor de ouders niet zo prettig om te horen dat het kind een achterstand heeft. Het is overigens ook maar net de vraag waarmee je vergelijkt. Het is toch voldoende en ook beter om te weten op welk niveau je kind het functioneert en of er ontwikkeling is geweest inde afgelopen periode? Alleen investeren in beperkingen is een doodlopende weg. Ontwikkeling kent bij iedereen pieken, dalen, tempoversnelling en opstoppingen; dat is niet gek, dat is natuurlijk. Een stap voor stap voor gestructureerde methodiek sluit daarop vanzelf onvoldoende aan.

Het gaat er vaak niet om dat hij ergens niet goed in is, de manier van werken doet ertoe. Kinderen die in het ene vak of met de ene vaardigheid minder  goed zijn, kunnen gewoon de huidige participatiemaatschappij in, ziet Van Doorn. “Het gebrek aan iets maakt normaal gesproken niet het verschil. Juist de talenten en de kwaliteiten die een leerling heeft kunnen hem ver brengen. Kijk naar wat ik met mijn dyslexie toch maar voor elkaar krijg.” Met andere woorden, de focus op het gebrek aan kennis of kunde bij een vak, zal een leerling veel minder helpen dan de focus op de vraag waar een leerling wil komen. Dan kunnen we spreken over de vraag hoe dit dan zal lukken. “En in dat proces ontstaat een belangrijke, kwalitatieve relatie tussen de leerlingen onderling en met de leraar.”

Emiel van Doorn (1960) is de drijvende kracht achter (de totstandkoming van) Mediërend Leren. In april verschijnt zijn nieuwe boek over dit onderwerp. Emiel heeft een onvoorwaardelijk geloof in de krachten, kwaliteiten en ontwikkelingsmogelijkheden van elk mens. Zijn levensmotto is: Als je niet voor de kwaliteiten van iemand gaat, dan moet je van zijn beperkingen afblijven!

Dit artikel verscheen in PO Magazine van februari 2019. Lees hier meer.

“Het gaat om het creëren van de juiste plaats, dat betekent anders organiseren”

PO-Magazine

Bart van Kessel is duidelijk. Iedereen doet mee en dan is passend onderwijs geslaagd. Dat betekent voor de leerling een stap van thuiszitten naar anders leren. Voor de school betekent dit: anders organiseren. Er moet iets gebeuren waardoor het op school allemaal wél past.

Dat is natuurlijk makkelijk gezegd, maar vaak ziet Van Kessel dat allerlei vaste routines, handelingen en normen in de weg zitten om het handelen met een leerling die is thuis komen te zitten mogelijk te maken. Van Kessel triggert scholen om dat los te laten en vooral te proberen om flexibeler te denken. “Als creatief en flexibel mag, wie is er dan nog handelingsverlegen?”, is uiteindelijk zijn uitgangspunt. Natuurlijk leert de ene leerling makkelijker dan de andere. Maar leerlingen die het nodig hebben, hebben volgens Van Kessel baat bij een plek waar ze mogen vallen en opstaan. “Die plek bieden wordt vaak als lastig ervaren. Het betekent dat een recept dat bij veel leerlingen werkt, bij deze leerling niet smaakt. Daar kunnen we vaak geregeld lastig mee overweg. Wees dan creatief”, is zijn devies.

“Een situatie is natuurlijk te benaderen vanuit wet en regelgeving, maar daarmee los je het vaak niet op. Je moet inhoudelijk en situationeel op de goede route uitkomen.”

Er komt – als het aan Van Kessel ligt – een zoektocht op gang naar de juiste setting. De leerling verandert niet alleen, maar vooral ook de setting rondom hem heen. “We moeten beseffen dat dit proces niet zelden gepaard gaat met boosheid, teleurstellingen of onmacht. Laat je niet bang maken door dat soort uitingen.” Een andere boodschap van Van Kessel is om goed te kijken naar wie zich op welke manier buigt over een thuiszittende of mogelijk thuiszittende leerling. “Vaak zie je dat de situatie rondom een leerling benaderd wordt vanuit allerlei hoeken. Naast de leraar hebben ook de directeur, het wijkteam en leerplicht een zegje. Situaties en casuïstiek zijn natuurlijk te benaderen vanuit wet en regelgeving, maar daarmee los je het vaak niet op. Je moet inhoudelijk op de goede route komen. Dan wordt het grootste succes vaakbehaald en vinden kinderen hun plaats. Ofwel, het gaat vaak om kinderen die wij de juiste plek niet weten te geven. We mogen het niet bij het kind wegleggen als het niet lukt om die plaats te bieden.” Soms lijkt het een probleem van het kind terwijl het eigenlijk meer een systeem- of organisatieprobleem is.

De laatste wagon

Iedereen moet omgaan met de situatie van het kind. Het kind zelf, de leerling, zijn ouders, de klas, de leraar, etc. Dus dat vergt samenwerking. “De een is daar beter in dan de ander. Maar je kunt het nooit alleen. Hoe graag je het ook alleen zou willen doen, je bent samen de motor.” En in elke klas zit zo’n leerling. Er is altijd iemand de laatste wagon, in de klas, op school en later in elke organisatie. En die wagon is eigenlijk altijd complex. Allerlei lastige vragen, situaties en voorvallen komen samen bij juist díe wagon. En als die wordt afgekoppeld en op het spoor van speciaal onderwijs gezet, dan is er altijd weer een ander de laatste wagon. “En dan begint het hele feest weer van voor af aan.” Maar hoe zorgen we ervoor dat de laatste wagon blijft aangehaakt en niet wordt afgekoppeld of zelf stopt met rollen? Als het gaat om het creatief omgaan met kijken wat een leerling nodig heeft en het afstappen van het standaardrecept, is het in zekere zin lastig om concreet en in het algemeen te beschrijven wat er gedaan moet worden om ervoor te zorgen dat de lastige leerling aangehaakt blijft en in de juiste richting mee gaat draaien. Toch noemt Van Kessel wel enkele richtlijnen die van pas zullen komen:

  1. Accepteer dat er laatste wagons bestaan en accepteer ook dat dit geen schande is. Deze wagons horen erbij en moeten daarom aangehaakt blijven. Weet: als ik hem ontkoppel dan komt de volgende.
  2. Realistische verwachtingen rondom een leerling ontwikkelen is belangrijk. Als een kind een lage intelligentie heeft, gaat hij nooit het gymnasium halen. Dat moet dan ook niet in je verwachtingspatroon liggen. Er kan een zekere vorm van emotiemanagement nodig zijn om dit inderdaad een juiste en realistische plek te geven. En dat gaat soms niet van de een op de andere dag. Als een leerling autisme blijkt te hebben, kan het even tijd nodig hebben voordat dit een juiste plek bij alle betrokkenen krijgt. Iedereen zal moeten leren leven met het feit dat deze leerling autisme heeft. Neem daarvoor de ruimte.
  3. Er is dus bij voorbaat geduld nodig en ook heel veel luchtigheid.
  4. Daaruit volgt een plannetjevoor in de klas. Dat moet een reëel en praktisch plannetje Het maken daarvan hoeft niet teveel tijd in beslag nemen en de loopduur van het plannetje ook niet, vaak is een week of twee a drie voldoende. Het devies is: vooral beginnen en laat de rest maar vanzelf ontstaan. Het moet een richtinggevend begin zijn van een route rondom een vraagstuk waarvan de uitkomst vaak nog niet helemaal duidelijk is. En die hoeft ook nog niet vastgepind te liggen. Maar er moet wel een duidelijke weg worden ingeslagen. Er moet een actiegericht begin zijn. Er hoeft geen methode voor te zijn, maar het is wel net wat anders dan je tot nu toe hebt gedaan.
  5. Daarna is het zaak om goed, eerlijk en realistisch te blijven kijken of nog steeds koers wordt gehouden op de juiste weg.

“Het gaat om het vinden van een route waar niet al een gebaand pad is. Waar nog geen pasklare antwoorden liggen”, legt Van Kessel uit. “Wat nodig is, is de durf om te experimenteren en samen te kijken of de goede weg wordt bewandeld. Of de juiste paden nu wel worden gebaand.” Van Kessel benadrukt het belang van het monitoren. “Met alle goede bedoelingen bedenken we hoe een leerling gaat passen in de klas of een arrangement. Maar het is niet terecht om te verwachten dat dit kind vanaf morgen keurig in lijn loopt met de rest.” Daar is meer voor nodig. Daarvoor moet gekeken worden hoe de situatie evolueert. “Je moet niet pas na drie maanden gaan evalueren hoe het gaat. Nee, dat moet je morgen doen. En om je gerust te stellen, overmorgen ook. En daarna met tussenpozen van een paar dagen. Als je zo vaak samen naar de ingeslagen weg kijkt, is bijsturen als het niet gaat ook makkelijker, sneller en het maakt de school beter handelingsbekwaam. Zeker als je dit samen doet.

Hoe zorgen we ervoor dat de laatste wagon blijft aangehaakt en niet wordt afgekoppeld of zelf stopt met rollen?

Het plannetje is gesteld op papier, maar het wordt gedaan door mensen die met een bepaalde onzekerheid beginnen aan een traject. Die mensen zijn met zijn allen aan het zoeken en zouden het elkaar dus moeten gunnen om te vallen en weer op te staan.” Mensen hebben in de praktijk een bepaalde afstand tot elkaar die naar elkaar moet groeien. “We maken vaak de fout te denken dat we dingen op een blaadje zetten en dat het dan wel goed komt. Dat we dan weer verder kunnen. Vaker evalueren is een weg van vallen en opstaan. Maar het is uiteindelijk wel het best voor alle betrokkenen. Want van de kinderen die de laatste wagon zijn, kun je het meeste leren. Wat je van dit ene kind leert, kun je later weer gebruiken om anderen de juiste plek te bieden. Het zijn dan misschien de meest lastige, maar ook de meest leerzame gevallen.”


Dit artikel verscheen in PO Magazine van februari 2019. Meer is hier te vinden.

Spring High in Amsterdam: “Het stellen van eigen doelen motiveert”

PO-Magazine

Leerlingen ontdekken zichzelf en komen er achter wat ze willen, zonder dat de school daarbij sterk stuurt en selecteert. Dat is het basisuitgangspunt bij Spring High, een onderwijsinitiatief in Amsterdam Nieuw-West voor zowel het primair – (po) als het voortgezet onderwijs (vo). Op basis van capaciteit, ontwikkeling en interesse ontplooien zij zich om een vitaal en duurzaam leven te kunnen leiden. Het motto luidt: ‘Durf jij het beste uit jezelf en anderen te halen’?

Spring High biedt het zogenaamde 10 – 14 onderwijs. Er is geen harde overgang meer tussen het traditionele po en vo. De laatste twee groepen van het po, zitten in hetzelfde gebouw als de onderste groepen in het vo. “Daarmee creëren we doorlopende leerlijnen, zowel pedagogisch-didactisch als op vakinhoudelijk vlak”, zegt Camyre de Adelhart Toorop. Zij is de directeur van Spring High.

Het vernieuwde schoolconcept kwam tot stand door een samenwerking van de besturen van Esprit Scholengroep en de Stichting Westelijke Tuinsteden. “Bij Spring High willen we inclusief onderwijs aanbieden, waarbij je steeds weer door kunt gaan vanaf het punt waar je tot op dit moment bent gekomen. Kortom, we selecteren niet op niveau om leerlingen in een ‘stroom’ of ‘route’ in te delen.. Leerlingen leren wie ze zijn, wat ze kunnen en vooral ook wat ze willen.”

Dit onderwijsconcept is opgestart vanuit het besef dat het klassikale, leerkracht gestuurde onderwijs de motivatie van leerlingen tekort doet.

“Bijvoorbeeld bij rekenen bekijken we wat de leerling al kan. Vervolgens wordt op een heldere manier de volgende stap geformuleerd. Dan wordt duidelijk wat de leerling nu moet gaan leren.” Op deze manier worden alle cognitieve vakken en de studievaardigheden ingestoken. “Daarnaast leren we via projecten nog andere vaardigheden aan”, legt De Adelhart Toorop uit. “Denk daarbij aan samenwerken, presenteren, je creativiteit gebruiken en je eigen inbreng vergroten.” Met die projecten wordt de maatschappelijke betrokkenheid aangewakkerd.

Einde klassikaal onderwijs

Spring High betekent ook het einde van het klassikale onderwijs. De Adelhart Toorop: “Het werkt niet zo dat iedereen moet luisteren naar de leraar voor de klas, die aan de slag gaat met werkwoordspellen of zegt ‘open je boek maar op bladzijde zoveel’. Terwijl er in zo’n klas misschien vijf of tien leerlingen zitten die dit al prima kunnen. Zij kunnen in ons systeem dan iets anders gaan doen. De focus is gericht op de individuele leerling; met het besef dat deze opereert binnen een grotere leergemeenschap. We kijken wie er voor ons staat en wat die leerling nodig heeft.”

De Adelhart van Toorop vindt het prettig om daarmee al te starten met kinderen vanaf 10 jaar oud. “We kunnen ze dan al vroeg meenemen in de groei. We willen leerlingen in groep 8 niet meer vertellen wat hun niveau is en ze dan ergens indelen. Dat doet ook wat met de motivatie. Je bent niet je niveau, je bent wie je bent en je staat ergens. Het is veel belangrijker om te weten waar je heen gaat. Van daaruit ga je verder. De fixed mindset‘je bent mavo, of je bent havo’, daar doen we dus niets meer mee.” Daarbij wordt tegelijkertijd ook geprobeerd om het aanbod zo passend mogelijk te laten zijn. Leerlingen krijgen bij Spring High veel vrijheid en ook ruimte om te bewegen. ontdekkingstocht naar jezelf en wat je kan is dus ook letterlijk een actief proces. Vitaliteit wordt erg belangrijk gevonden in het schoolconcept. Dagelijks krijgen de leerlingen beweging, zowel binnen als buiten.

De motivatie om dit onderwijsconcept op te starten komt voort uit het besef dat het klassikale onderwijs de motivatie van de leerling tekort doet. “Wanneer de leraar zegt wat een leerling moet doen, zal hij veel minder gemotiveerd zijn om aan de slag te gaan dan wanneer een leerling zelf bedenkt wat hij nodig heeft. Het stellen van eigen doelen proberen we steeds te doen.” Maar een bepaalde

vrijheid brengt ook verantwoordelijkheid met zich mee. “Omgaan met vrijheid en verantwoordelijkheid kan soms een harde les zijn, maar wel een leerzame.” Leerlingen krijgen de ruimte om fouten te maken en opnieuw te beginnen. Doorzetten en niet opgeven is ook een les.

Spring High: een vitaal en nieuw onderwijsconcept waar de leerling zelf meer regie neemt op de eigen ontwikkeling. Een concept dat afscheid neemt van klassikaal onderwijs, vaste leerroutes en  de harde overgang tussen primair en voortgezet onderwijs.

Dit artikel verscheen in PO Magazine van februari 2019. Meer is hier te vinden.

Staatsbosbeheer vindt bossen Dorst te druk

De bossen in West-Brabant, dus ook die in Dorst, zijn te druk volgens Staatsbosbeheer. Wandelaars, hardlopers, hondenbaasjes, fietsers, mountainbikers en zelfs uitlaatservices maken gebruik van de ruimte in de bossen. Het bos zou overvol zijn.

Om de drukte te temperen is de hondenuitlaatservice de gebeten hond. Vanaf 1 januari mogen zij met minder dieren tegelijk de bossen in. Bovendien betalen ze nu een bedrag om überhaupt van de openbare bossen gebruik te mogen maken van hun diensten. Zij tekenen hiervoor een gebruikersovereenkomst. Deze hebben zij nodig om met de honden van hun klanten de bossen te betreden. Het bedrag dat de bedrijven betalen varieert van 60 tot 90 cent per hond per bezoek. Het aantal honden dat tegelijk met een baasje het bos in macht is gesteld op acht.

Juist de groepen honden zijn de klos, omdat zij de meest storende factor zijn in de leefgebieden van de dieren die in het bos zijn. ‘Gasten’ moeten daarmee rekening houden. Bovendien neemt het aantal uitlaatservices in rap tempo toe. En niet elk baasje houdt even veel rekening met de bewoners van de bossen.

Hondenuitlaatservices hoeven overigens nog niet meteen te voldoen aan de nieuwe eisen. Staatsbosbeheer heeft hiervoor een coulanceregeling getroffen. Het moet ook voor de bedrijven die van het bos gebruikmaken wel te organiseren zijn. Ze krijgen een jaar de tijd om de ‘groepsgrootte’ te laten slinken.

Boswachters signaleren overigens niet alleen overdag drukte. Ook allerlei nachtelijke escapades van droppings tot aan illegale feestjes verstoren het bosleven geregeld. Of mountainbikers die met felle lampen op hun fiets in de avond door de bossen crossen. De uitlaatservicevergunningen moeten er in elk geval voor gaan zorgen dat de drukte wordt gespreid over de dag. Er is geen spitsuur meer. Wel wil Staatsbosbeheer de bossen tot een algemeen goed houden: ‘er kan nog steeds heel veel, alleen het leven moet niet teveel worden verstoord.’

Dit artikel verscheen in De Dorstlezer – Januari 2019