Leerlingvervoer: In de gemeente Nieuwegein worden schoolbussen ingezet

PO-Magazine

De gemeente vervoert leerlingen wanneer deze meer dan zes kilometer van de school woont. Dit gebeurt in de regel met busjes, met begeleid openbaar vervoer (ov) of met een abonnement in het ov. Met name scholen in het speciaal (basis) onderwijs hebben te maken met leerlingen die wat verder van de school vandaan wonen. Het leerlingvervoer is iets dat overal anders geregeld is en waar deze scholen –om verschillende redenen- vaak mee worstelen. In Nieuwegein is hiervoor enkele jaren geleden een oplossing bedacht en ontwikkeld.

Gonnie Boerma – directeur sbo De Evenaar:
Wat maakt dat je als schoolorganisatie zelf je vervoer wilt gaan regelen?

Bij onze groep leerlingen, die ver weg woont, kwam het zeer regelmatig voor dat er in de busjes op de heenweg al zoveel onrust was waardoor de leerlingen te energiek op school aankwamen. Er ging veel tijd overheen om de leerlingen weer tot rust te laten komen, zodat ze aan het onderwijs deel konden nemen. Hier liepen we als school regelmatig tegenaan.

Daarnaast zijn er ook leerlingen die dichter bij de school wonen, maar die zonder georganiseerd vervoer niet naar school kunnen komen. De reden hiervoor kan b.v. de thuissituatie zijn: ouder(s) krijgen het niet georganiseerd om hun kind om wat voor reden dan ook naar school te brengen.

Naar aanleiding van bovenstaande feiten zijn er meerdere gesprekken geweest met de politiek en de gemeente. Deze gesprekken resulteerden in een akkoord met de gemeente, waarin is geregeld dat we jaarlijks een vaste bijdrage krijgen vanuit de gemeente en dat we dan verder het vervoer zelf mogen regelen.

Voor het bijeenbrengen van de gelden voor de aanschaf van de bus hebben we een aanvraag gedaan bij de Lions Club in Nieuwegein. Zij hebben vervolgens een benefietavond georganiseerd, waarbij de collega’s van de school actief betrokken waren, van garderobedienst tot uitserveren, enzovoort. Door de opbrengst van deze benefietavond waren we in de mogelijkheid om een door de autogarage gesponsorde bus te kopen.

De Evenaar mocht dus zelf zorg dragen voor het vervoer. Dit plan is de school verder gaan opzetten en uitvoeren. Leraar Barrie Piekema en collega’s stonden aan het begin van de uitvoering van dit project. “Er waren steeds meer ouders van wie we te horen kregen dat hun kinderen heel lastig op school kunnen komen.”

Zelf vervoer regelen

Toen is er concreet een busje aangekocht. “Inmiddels rijden we met twee busjes en een auto. De leerlingen worden dan op een afgesproken plek opgehaald”, vertelt Piekema.

“Wat ook een belangrijk item was en zeker meespeelt om het vervoer zelf te willen regelen, is dat het voor sbo-leerlingen vaak ook fijn is om bekende en vaste gezichten te hebben in het busje. Dus telkens dezelfde chauffeur. De busjes worden namelijk door onze eigen mensen gereden. “

Er is geen minimum of maximum aantal leerlingen dat deel mag nemen aan het vervoer. Momenteel maken er ongeveer 50 leerlingen gebruik van de regeling. “Aan het begin van het jaar willen we elke leerling die moet, ook in het vervoer hebben en gaan we het zo organiseren dat dit meestal lukt. Soms merken we na een paar maanden dat we dan echt vol zitten. We kunnen niet elke maand wijzigingen van chauffeurs of van plek of met andere zaken. Gedurende het jaar moeten we daarom wel eens aangeven dat we het vervoer niet kunnen bieden, maar eventueel later wel.”
Wat heeft geholpen in het goed kunnen regelen van de logistiek is het afspreken op een ophaalplek. Aanvankelijk werden de leerlingen thuis opgehaald. De tijd die erin ging zitten om huis-aan-huis te rijden bleek in de organisatie van het vervoer lastig te zijn. “Ouders moeten hun kinderen naar een ophaalplek bij hen in de buurt brengen”, vertelt Piekema. “Op de terugweg zetten we ze daar dan ook weer af. Zo blijven ouders ook verantwoordelijk voor het zelf brengen en halen van hun kinderen, dat vinden we belangrijk.” En er is nog een bijkomstig voordeel: “Afspreken op een plek waar je beide heen gaat schept een beetje contact met ouders dat er niet was toen we kinderen thuis op de stoep afzetten.”

Voor wie is er vervoer?

Piekema stelt dat het niet gaat om luxevervoer, omdat ouders bijvoorbeeld beide werken. “We proberen zo goed als mogelijk te kijken of het echt nodig is om voor een leerling vervoer te regelen. Bijvoorbeeld omdat ze anders niet op school arriveren.”
Uiteindelijk is het de bedoeling dat ouders weer zelf gaan halen en brengen. Daar werken we ook naar toe. Kijken wat er nodig is om het zelf te doen. Bijvoorbeeld leren fietsen, organiseren van ritme enz.

Ouders die aanspraak willen maken op vervoer kunnen een formulier invullen, dat door de vervoerscommissie wordt beoordeeld. Die commissie bestaat uit de directeur, de adjunct-directeur en Piekema. Vervoer is niet vanzelfsprekend, ook ouders waarvan het kind al in het vervoer heeft gezeten, moeten bij een nieuw schooljaar opnieuw een aanvraag doen. “We kijken dan secuur naar wat er echt nodig is en wat ouders eventueel zelf kunnen doen.” Dat is heel verschillend per leerling. “Het lukt bijvoorbeeld lichamelijk niet of niet elke dag..” Op basis van diverse afwegingen wordt de keuze gemaakt om een leerling wel of niet in het vervoer op te nemen. Ook krijgen de leerlingen niet alle dagen vervoer, dit omdat wij het contact van de ouders met de school belangrijk vinden.
Op dit moment loopt het vervoer volgens Piekema goed. “We zijn tevreden over hoe we het hebben neergezet.”

PO Magazine

Dit artikel is geschreven voor PO Magazine – Juni 2019. Meer Instondo?

Boek: Omgaan met digitalisering op school

Omgaan met digitalisering op school

In het boek “Omgaan met digitalisering op school” komen actuele en relevante onderwerpen aan bod over digitalisering en sociale media, zowel binnen als buiten de muren van het klaslokaal. Er staan tips in over het hanteren van een goede en gemakkelijke manier om de sociale media van de school goed te onderhouden. Privacy is zowat het ‘woord van de dag’ als het over digitalisering gaat. Dit boek geeft antwoorden over hoe om te gaan met deze privacy. Er wordt een inkijkje gegeven in de wetgeving. Dit wordt vertaald naar makkelijke tools om ouders te garanderen dat de school goed met de gegevens van leerlingen omgaat.
Verder wordt de leraar getriggerd om digitalisering mee te nemen ter ondersteuning van het lesprogramma. Een korte blik in de toekomst geeft de zich in rap tempo ontwikkelende wereld weer. Tot slot helpt dit praktische boek leraren ook om ouders te adviseren op het gebied van media en digitale hulpmiddelen.

Voor Instondo schreef ik eerder al het boek “Sociale media slim inzetten op school“. Meer Instondo?

Onderwijsminister Arie Slob bezoekt: Auris Dr. M. Polanoschool Rotterdam

Minister Arie Slob - Auris Dr. M. Polanoschool Rotterdam

Om zelf te zien hoe passend onderwijs in de praktijk uitpakt, brengt minister Arie Slob (basis- en voortgezet onderwijs en media) met enige regelmaat bezoeken aan verschillende scholen in het land. Daarbij gaat hij in gesprek met leraren, ouders, leerlingen en andere betrokken professionals. Bij een bezoek aan de Auris Dr. M. Polanoschool in Rotterdam mocht PO Magazine over de schouders meekijken.

De Auris Dr. M. Polanoschool is een speciaal onderwijsschool voor dove en slechthorende kinderen. Leerlingen van groep 8 stromen er soms door naar het reguliere vo, maar vaak naar het vso, zo bleek in een gesprek tussen de minister en de schoolverlaters. De minister luisterde geïnteresseerd naar de verhalen van acht leerlingen, waarmee hij pakweg een kwartier aan tafel zat. Ook stelde hij vragen. De leerlingen zelf gaven aan vooral meer behoefte te hebben aan doventolken, op school, maar bijvoorbeeld ook bij het jeugdjournaal.

Minister Arie Slob - Auris Dr. M. Polanoschool Rotterdam

Minister Arie Slob aan tafel met leerlingen van de Auris Dr. M. Polanoschool Rotterdam

Na een kijkje bij de leerlingen in de klas, volgde een ronde-tafel-bijeenkomst met ouders en teamleden. Hieruit kwam een aantal zaken aan bod waar ouders van leerlingen met gehoorproblematiek mee te maken hebben. “Ik heb vooral veel gehad aan de ambulant begeleider”, vertelt een van de ouders, wiens dochter afgelopen jaar doorstroomde naar het reguliere vo. “De ambulant dienstverlener heeft voor ons een belangrijke rol gehad in het benoemen van de ondersteuningsbehoefte van onze dochter. Als horende ouder van een doof kind ervaar ik vaak moeite om onder woorden te brengen wat mijn kind precies nodig heeft. Ouders weten vaak heel goed wat hun kind nodig heeft, vooral sociaal emotioneel, maar in het onderwijs is dat soms lastig voor ouders om aan te geven. De ambulant dienstverlener vormt een goede brug in het overbrengen van informatie tussen ouder en school.” Hoewel scholen zorgplicht hebben, is de ervaring dat er verschillend wordt omgegaan met de mogelijkheden die ze deze leerlingen kunnen bieden.

Directeur Alice Geessinck ervaart het probleem bij leerlingen die de overstap maken naar regulier onderwijs. “Vaak hebben scholen last van koudwatervrees, maar ze zouden vaak meer vertrouwen mogen hebben en minder angst voor het onbekende.”

In het algemeen is een risico dat leerlingen zich alleen kunnen gaan voelen in het reguliere onderwijs, zij krijgen alle verbale communicatie vaak niet of slechts gedeeltelijk mee. Dat bleek ook uit gesprekken die de minister had met een schoolverlater, die angst had om gepest te worden. Een tolk, betere kennis bij leraren en een rijker taalaanbod kan hiertegen helpen. Ook helpt het gebruik van gebaren ter ondersteuning van de taal. De groep auditief belemmerde leerlingen is een kleine doelgroep, dat betekent dat er vaak weinig kennis en kunde bij scholen is en ook weinig lesmateriaal. Leraren en intern begeleiders op de Auris Dr. M. Polanoschool bewerken vaak zelf allerlei materiaal om het te kunnen gebruiken in de klas. Om daar een betere basis voor te genereren wordt de minister onder meer gevraagd om te helpen dat de Nederlandse Gebarentaal officieel erkend wordt als volwaardige taal, het zou de dove meer rechten geven en daarmee meer toegang tot de nodige informatie.

“Vaak hebben scholen last van koudwatervrees, maar ze zouden vaak meer vertrouwen mogen hebben en minder angst voor het onbekende.”

Karin Beld zit namens de ambulante dienst aan tafel. Zij merkt dat het proces op school voor een doof of slechthorende leerling altijd op maat is, maar door de jaren heen ook kan veranderen. “De constante vraag die we met leraren bespreken is ‘hoe zorgen we ervoor dat het kind baat heeft bij jouw lessen?’. Dat beantwoorden we aan de hand van goede begeleiding, het bieden van handvatten en expertise en door te coachen.” Zo is passend regulier onderwijs voor sommige dove leerlingen goed mogelijk.

Beld: “Maar dat is voor een deel ook een kwestie van hoe de leerling er zelf mee omgaat. De leerling moet per definitief assertief zijn in het vragen van hulp. Dat gaat soms om heel simpele zaken, bijvoorbeeld om een apparaat even aan te zetten zodat het voor hem beter te volgen is. Dat vergt bewustzijn en durf. Leraren maken we alert dat de leerling dit nodig heeft. Op die manier lossen we al veel zaken op en helpen we scholen.”

 

Rol van de ouders

Ouders geven de minister mee dat het taalaanbod en het aanbod aan tolken van cruciaal belang is om goed onderwijs te geven aan deze leerlingen. Ouders van dove kinderen horen zelf vaak goed en zijn dus niet meteen in staat om gebarentaal te ‘spreken’, laat staan dat zij in staat zijn om hun kinderen dat aan te leren. Ouders zijn onmisbaar, merkt schoolleider Geessinck op. “Zij moeten zelf vaak veel leren en aanpassen op de situatie zoals hij in hun gezin dan is. Dat kost energie, waarbij er altijd ook nog een bepaald  acceptatieproces speelt.” Een van de ouders, Arie Verkaik, vult aan: “Je gaat door een molen als je erachter komt dat je kind doof is. Het betekent dat je meteen al op achterstand staat ten opzichte van andere ouders en kinderen. Ik heb veel gehad aan de korte lijnen die er kunnen ontstaan. Er zit veel verschil in hoe de ouders omgaan met de ontdekking dat hun kind doof is en met het omgaan met deze achterstand. De een is veel pragmatischer terwijl de ander emotioneel reageert.”

In de dagelijkse praktijk gaat het dan om het anders uitvoeren van allerlei alledaagse zaken. “Wij kloppen voor het eten op tafel in plaats van dat we ‘eet smakelijk’ zeggen”, vertelt Verkaik. “Ook neem je op een heel andere manier tijd voor elkaar, iedere begroeting of afscheid gaat gepaard met een knuffel of omhelzing.”

Wat op de Rotterdamse school vooral als prettig wordt ervaren door ouders, is dat er anderen zijn die met dezelfde problemen leven.

Minster Arie Slob Slob met de ouders en teamleden - Auris Dr. M. Polanoschool Rotterdam

Minster Arie Slob Slob met de ouders en teamleden.

 

Vaak wordt er nog niet een plaats op het reguliere vo gevonden voor de schoolverlaters. Geessinck: “Het reguliere vo is niet voor alle leerlingen weggelegd op dit moment. We bekijken in de eerste instantie wat de meest geschikte plaats is voor de leerling in kwestie. De ondersteuningsbehoefte bepaalt welk type onderwijs het best past bij de leerling.”

 

Rolmodellen

Selena den Besten is leraar en zelf al sinds haar geboorte doof. Ooit zat ze op deze lagere school. Later heeft ze via het vmbo haar havodiploma gehaald. Aanvankelijk werd gedacht dat havo te hoog gegrepen zou zijn. Ze moest maar bewijzen of ze het aan kon en haar plekje op school waard was.  Ze moest zelfs op de route kader beginnen, bleek het daar heel goed te doen,  kon uiteindelijk via tl naar havo doorstromen.

Zij voelt zich nu een rolmodel voor haar leerlingen. Aan den lijve ondervond ze hoe lastig het voor (reguliere) scholen in het vo is om de toetsresultaten te interpreteren die ze haalde op deze speciale school voor dove leerlingen.

Den Besten kreeg vwo-advies, maar ervoer dat veel scholen het niet aandurfden om haar een kans te geven: “Slechts een uit vier scholen wilde me een plek geven. Ik ben na de basisschool verder gegaan met vmbo-tl, veel lager dus dan ik kon.” Uiteindelijk haalde ze na vijf jaar haar diploma. “Wat ik vooral heb geleerd is dat ik als dove leerling voor mezelf moet opkomen. Assertiviteit is zeer belangrijk. Ten tweede is een goed team onmisbaar.”

 

Arie Slob, na afloop: “Het is mij door deze leerlingen en ouders zeer duidelijk geworden hoe belangrijk het dovenonderwijs is en dat zij een moeilijke weg moeten bewandelen.”

Minister Slob komt een aantal keer per maand op scholen om de stand van zaken rondom passend onderwijs met eigen ogen te bekijken. “Ik zie dat scholen over het algemeen goed omgaan met zorgplicht”, reageert hij. “Ze zijn alert en nemen verantwoordelijkheid om het onderwijs zo aan te bieden dat het past. Aan de andere kant, merk ik ook dat dit juist lastig is omdat het heel complex vaak is. Daar is de groep leerlingen waar we nu zijn een voorbeeld van. Dit is ook nog eens een relatief kleine doelgroep. Dan merk je dat informatie over passend onderwijs bij dit soort ondersteuningsbehoeften vaak niet goed voor handen is. Het knelt nog vaak bij de vraag: ‘hoe zorgen we ervoor dat de juiste kennis er komt op het moment dat ouders van kinderen met een dergelijke problematiek voor de poort staan?’.”

Kortom: er zijn veel wegen die naar Rome leiden. De oproep die er vanuit deze hoek gedaan wordt is een open houding van scholen, ruimte voor de ambulante begeleiding en een rijker taalaanbod. Wanneer is passend onderwijs voor een leerling met een auditieve beperking geslaagd? Als de leerling zelf kan zeggen ‘het is geslaagd’.

PO Magazine

Dit artikel verscheen in PO Magazine van juni 2019. Meer Instondo?

Onderwijs en jeugdhulp samen over de schutting

PO-Magazine

Onderwijsprofessionals en jeugdhulpverleners streven hetzelfde doel na: de veiligheid en voorspoedige ontwikkeling van het kind op school en in het gezinsverband. Toch berust het verbond tussen onderwijs en jeugdhulp lang niet altijd op een gelukkige samenwerking. Een veelgehoorde klacht van de hulpverlening is dat het onderwijs moeilijke cases als het ware ‘over de schutting werpt’. Andersom klaagt de onderwijsprofessional geregeld over trage hulpverlening en gebrekkige communicatie bij de jeugdhulpverlening. De twee partijen zouden in theorie bevriend moeten zijn, maar in de praktijk is er geregeld sprake van wederzijds onbegrip en begripsverwarring. Dat genereert juist afstand.

Jantien Gerdes doet een nog lopend onderzoek genaamd ‘Onderwijs en jeugdhulp samen over de schutting’. Daaruit blijkt ook dat er nog altijd veel te winnen is in de samenwerking tussen professionals. Zowel de onderwijs- als de jeugdhulpprofessional zou ‘op het tuintrapje moeten klimmen en over de schutting gaan samenwerken’. Samen optrekken zorgt voor een integrale en innovatieve aanpak op de plaatsen waar dat nodig is. Passend onderwijs zou met een goede samenwerking beter kunnen slagen als het gaat om het terugdringen van de instroom in het s(b)o en het aantal thuiszitters.

De transitie van de jeugdzorg en de invoering van passend onderwijs lijken verschillende doelen te hebben. Maar er bestaat er wel degelijk een gezamenlijke maatschappelijke opdracht: samen dragen we er zorg voor dat kinderen zo veel als mogelijk thuisnabije ondersteuning krijgen. Onderwijsondersteuning en jeugd- een gezinszorg moeten op elkaar worden afgestemd. Dat resulteert in een grotere samenhang in de driehoek onderwijs-ouders-jeugdzorg.

 

Onderzoek naar samenwerkingsvormen

Het onderzoek richt zich op het vo. Er zijn enkele mentoren gevraagd naar de samenwerking met jeugdhulp. Unaniem zien zij de samenwerking als een coöperatie, waarbij de school een probleem ervaart en jeugdhulp dat probleem benadert als casus.

 

  1. De eerste trede op de trap om over de schutting samen te werken is uitwisselen van informatie. Deze samenwerkingsvorm komt overigens al heel lang voor en wordt in het onderzoek ‘coöperatie’ genoemd. Het contact is formeel en weinig intensief. Deze manier van samenwerken wordt beoordeeld als afstandelijk en traag. Ook de mogelijkheden om van elkaar te leren blijken er niet veel te zijn. Een van de bevraagde mentoren zegt over het verschil in beleving tussen beide werelden: “Soms krijgt de school een mooi groen formulier dat je moet invullen, het is ongeveer alle contact die er is.”
  2. Bij andere ondervraagde scholen is er op een meer structurele basis contact met elkaar. Daardoor ontstaat een betere structuur in de samenwerking. In het onderzoek wordt dat ‘coördinatie’ genoemd. De mentoren ervaren de stemming al anders: “Je kent elkaar heel goed en kunt altijd bij elkaar terecht. We proberen hen goed te begrijpen en dat merk je aan de inzet. Wat wij erin stoppen, stoppen zij er ook in. Dan is er ook een basis om gezamenlijk tot de beste oplossing te komen”. Dit is in Gerdes’ onderzoek de tweede trede om boven de schutting uit te komen. In elk geval is er sprake van een duurzamere verbinding, doordat informatie-uitwisseling op reguliere basis plaatsvindt en gecoördineerd is, bijvoorbeeld via interdisciplinaire overleggen. Er kan op deze manier een meer integraal afgestemde aanpak worden ontwikkeld bij ondersteuningstrajecten.
  3. De laatste trede om boven de schutting uit te komen is interdisciplinaire samenwerking, de zogenaamde ‘collaboratie’. Dit kan leiden tot afstemming in werkprocessen, opzet onderwijs-zorg settings en ook tot het gezamenlijk onderling leren van professionals, dat wordt expansief leren genoemd. Dit behelst niet primair het leren van nieuwe kennis. Het gaat juist om het verkrijgen van nieuwe inzichten, via kennis die van meerdere kanten bij een ondersteuningsvraag wordt ingebracht. Het is dus hard nodig dat kennis en kunde gedeeld worden onderling.
  4. Bovenop de schutting ontstaat de sterkste vorm van samenwerking. Dat is een sterk partnerschap, waarbij de kennis en de werkwijze uit meerdere domeinen daadwerkelijk worden verbonden. Dit resulteert in de integrale aanpak. De complexe vraagstukken die in het onderwijs aan de oppervlakte komen, kunnen via deze aanpak het best op een oplossing rekenen. Om het welzijn van leerlingen in de klas en op school te verbeteren, moeten onderwijs en zorg goed verbonden zijn in de onderwijs-zorgarrangementen. Overigens zal het welzijn van de leerling ook buiten de school verbeteren. Van professionals in beide domeinen vraagt dit een andere rol dan zij voorheen hadden. Zij zullen bij elkaar ‘over de schutting moeten’, wil een integrale aanpak op een goede manier ontstaan. Met name de intern begeleiders zullen het eerst en het meest te maken krijgen met de zorgvraagstukken in het primair onderwijs en dus ook met de aanpak om ze het hoofd te kunnen bieden. Zij vormen een heel belangrijke partner in het proces.

 

Dorpen aan de rivier

Gerdes vergelijkt de diverse naar samenwerking zoekende partijen met dorpen op de oevers van dezelfde rivier. Ze zijn als het ware buren en samenwerken is op allerlei vlakken handig, maar het water kan dat contact moeilijker maken. Het advies luidt: “Ga samen de rivier op en maak daarmee innovatie mogelijk. Laat je niet belemmeren en kruip op de schutting.”

Ook voor de schoolleiding zou er een sterk sturende rol zijn weggelegd om een breed gedragen samenwerking teweeg te brengen, tussen de jeugdhulpverlening, de mensen in het schoolteam en andere ketenpartners die de schol heeft.

Helaas wordt er de laatste twee jaar in diverse zich ontwikkelende samenwerkingsvormen weer een stapje teruggedaan. Dat heeft te maken met de interpretaties rondom de nieuwe privacy richtlijnen (AVG). Onderlinge uitwisseling en afstemming komt in sommige gevallen gierend tot stilstand. Dat is zorgelijk en zeker niet in belang van leerlingen en ouders.

 

Hoe kunnen we verbeteren?

Dat er in verschillende regio’s veel verschil zit in de intensiteit waarmee jeugdhulp en onderwijs samenwerken is duidelijk. Op veel plaatsen is verbetering gewenst. Dat wil zeggen: een stap richting een volgende trede. Maar hoe kun je dat vormgeven?

“Soms krijgt de school een mooi groen formulier dat je moet invullen, het is ongeveer alle contact die er is.”

Uit het onderzoek blijkt hiervoor een rol weggelegd ligt bij de opleiders. Zij zullen studenten in de situatie van vandaag anders voor moeten bereiden op het werken met passend onderwijs dan voorheen. Bijvoorbeeld door dit te verankeren in stageopdrachten die gericht zijn op het samenwerken met professionals uit de jeugdhulp. Studenten krijgen dan een kans om ook deze kant van de onderwijspraktijk al tijdens de opleiding te ervaren. Stagiaires zouden bijvoorbeeld de ondersteuningsstructuur op hun school in kaart kunnen brengen, om zich bewust te worden van het reilen en zeilen van de samenwerking op dit gebied.

Tot slot zouden gemeenten kunnen worden gestimuleerd te helpen bij het goed functioneren van een gestructureerde samenwerking, met korte lijnen tussen verschillende deelnemende partners. Maar bovenal liggen er kansen in de gezamenlijke opzet van onderwijs-zorgbeleid en de verankeringen hiervan in de educatieve agenda’s.

 

Werkplaats samennaarschool.org

Dit onderzoek is onderdeel van de academische werkplaats www.samenopschool.org. Dat is een plek waar onderzoek, beleid en praktijk op het gebied van onderwijs en jeugdhulp centraal staat.

 

De academische werkplaats ‘Samen op School’ wil bevorderen dat zo min mogelijk kinderen uitvallen op school en minder gebruik hoeven te maken van (zwaardere) vormen van ondersteuning. ‘Samen op School’ heeft zich tot doel gesteld om:

 

  1. Ontwikkelingskansen te verbeteren en achterstanden te voorkomen bij (met name kwetsbare) kinderen;
  2. De regie te vergroten van de ouders en de betrokkenheid van het netwerk rond het gezin en de 1ste lijn te versterken;
  3. Een passende plek in het reguliere primair en voortgezet onderwijs voor zoveel mogelijk kwetsbare kinderen te vinden;
  4. De samenwerking tussen gezin, school en jeugdhulp in de regio Flevoland en IJsselland te verbeteren.

 

De academische werkplaats ‘Samen op School’ richt haar activiteiten op twee hoofdvragen:

 

  1. Welke typen sturing en samenwerking dragen het meest bij aan de realisatie van de transformatiedoelen?
  2. Welke werkwijzen dragen bij aan een verbeterde samenwerking tussen ouders, jeugdigen, onderwijs en jeugdhulp?

 

PO Magazine

Dit artikel verscheen in PO Magazine, juni 2019. Meer Instondo?

NLroei TV: Scheenaard brons, Paulis/Keijser zilver

Met een fabelachtige eindsprint racete Lisa Scheenaard in haar skiff naar het brons. “Ik wilde een race neerzetten waar ik trots op was en van A tot Z gewoon gaan”, zegt de Eindhovense.

Ilse Paulis en Marieke Keijser behaalden zilver. “Dat was voor nu het maximaal haalbare”, zei Paulis na een zware finalerace.

NLroei tv: Lichte mannen pakken goud

De lichte mannendubbelvier met Damion Eigenberg, David Kampman, Ward van Zeijl en Bart Lukkes aan boord pakte vanmiddag goud in Rotterdam. “We waren bloednerveus van tevoren en wisten niet wat erin zat. Wel dat het vermogen en de snelheid goed zaten”, zegt Van Zeijl.

Het was de enige race voor de mannen. Gisteren werd vanwege de weersomstandigheden hun race om de banen gecanceld. Dat gold ook voor de lichte vrouwenvier. In een veld met drie inschrijvingen behaalden zij het brons.

NLroei TV: Goud voor paraskiffeurs

Op de Willem-Alexanderbaan voegden Annika van der Meer en Corné de Koning vanmiddag allebei Rotterdams wereldbekergoud toe aan hun inmiddels indrukwekkende prijzenkast.

Onder luid applaus van het thuispubliek passeerden de pararoeiers de finish. Hun eerste reactie:

Het is weer broedseizoen

dorstlezer - buizerd broedseizoen

In mei….. juist, het bos zit weer vol met broedende vogels. Dat duurt ongeveer tot halverwege juli, daarna zijn de jonkies uitgevlogen en is het vogelleven weer helemaal de oude. Tot die tijd is er een hoop gekwetter en een schichtig heen en weer gevlieg tussen de (beschutte) nesten.

Buizerd in het broedseizoen

Maar wees ook op je hoede. Niet alleen de merel, zwaluw en andere kleine vogels brengen in deze periode hun kroost groot. Dat geldt ook voor menig uil of buizerd. In de buurt van het Cadettenkamp in de buurt zijn al meldingen van nestelende buizerds.

Als hun jonkies uitkomen willen deze grote, veel voorkomende roofvogels graag rust. Als wandelaars, fietsers of mensen met hond per ongeluk te dicht in de buurt komt, kan de buizerd uit zelfverdediging toeslaan. Hij zal dan soms een flinke tik kunnen uitdelen.

Buizerds zijn veel voorkomende vogels in Nederland en zeker ook in onze streek. Ze kunnen groot zijn en zijn vaak te herkennen aan hun witte borst. Niet elke buizerd valt aan als je in de buurt van zijn nest komt, maar sommigen doen dit wel. Het is een soort territoriaal gedrag.

Buizerds die dit wel doen, doen dit dus puur uit bescherming voor hun kuikens. Dit duurt een periode van ongeveer zes weken, dus ongeveer media juli ben je er weer vanaf.

 

Wat doe je ertegen?

Zo’n voorval is misschien minder eng dan het klinkt. Hij zal je nooit als prooi behandelen, maar je alleen willen verjagen. Dit kun je verhelpen door bijvoorbeeld een paraplu mee te nemen. Deze hoef je niet eens uit te klappen, omhoog steken is vaak al voldoende om genoeg afstand te bewaren. In dat geval kom je met een stok uit het bos ook al heel ver.

Weten hoe het eruit ziet? Er zijn op YouTube meerdere video’s over te vinden.

Dit artikel verscheen in De Dorstlezer van mei 2019.

NLroei.tv – NK Kleine nummers 2019

Logo Nlroei - Laat mij maar schrijven

Kaj Hendriks: ‘Ik heb veel vertrouwen in Jacob, ik sla voor en hij doet de rest’

NK 2019: Obbe Tibben: ‘Ik schrok een beetje dat ik zo hard startte’

Lisa Scheenaard Nederlands kampioen DE1x & Ilse Paulis LDE1x direct na hun finales.


Meer op NLroei.nl.

Geldstromen door de school

PO-Magazine

‘Van OCW naar 7B’

“Het onderwijs slaagt op school. Daar gebeurt het. Maar in hoeverre ligt de zeggenschap over het slagen van onderwijs ook op school?”, vraagt Marije van den Berg zich af. Zij is een van de initiatiefnemers van het onderzoek ‘Geldstromen door de school’, waarin de besteding van de middelen onder de loep is genomen. Ze begon – uit pure nieuwsgierigheid – in 2016 met een financieel onderzoek op de school van haar kinderen in Leiden.

Het onderzoek is een gezamenlijk project geworden van een ouder (Van den Berg), de schoolleider, twee leerkrachten en twee Leidse gemeenteambtenaren. Ook Peter Hulsen, directeur van Ouders&Onderwijs, schoof aan. De twee onderzoekers Pieter Buisman en Nathan Rozema, konden dankzij een subsidie van de gemeente Leiden aan de slag.

De onderzoeksclub had een stevige ambitie: “Door de onderwijsgeldstromen door en rond de school grondig in beeld te brengen krijgen we inzicht in knelpunten en kansen voor verbetering van efficiency en effectiviteit. Met dat inzicht kunnen we trefzekerder sleutelen aan samenwerking en zeggenschaps-(her)verdeling in en rond de school.” Van den Berg vertelt verder dat het onderzoek twee jaar heeft geduurd en tot twee conclusies is gekomen. Allereerst is het ingewikkeld om er precies achter te komen hoe het geld wordt verdeeld en waar die beslissingen precies worden genomen. Ten tweede kwamen de onderzoekers tot de ontdekking dat over bijna de helft van het onderwijsgeld boven de hoofden van de scholen wordt besloten.

“Oorspronkelijk wilden we er met elkaar achter komen hoe we met dezelfde hoeveelheid geld meer zouden kunnen bereiken. Hiervoor zijn we eerst gaan kijken op school, maar al snel moesten we het plein af en kwamen we via allerlei wegen bij het ministerie van OCW terecht”, vertelt Van den Berg. “De geldstromen blijken een ongelofelijk ingewikkelde kluwen. En hoe ingewikkelder, hoe meer geld er weglekt of blijft hangen.” Het schema op de volgende pagina laat dat duidelijk zien.

 

“Als je vanuit de school vertrekt sta je al snel voor een groot aantal keuzes. De ene school zal breed willen inzetten op taalonderwijs, waar de andere zich bijvoorbeeld meer wil richten op digitale vaardigheden”, aldus Van den Berg. “Die keuzes kun je maken als je ook zeggenschap hebt over waaraan je als school het geld uitgeeft en inzicht hebt in hoe de geldstromen lopen.” Dat begint dus op de school. “Hoe mooi zou het zijn dat elke school kan bedenken wat er nodig is op jouw locatie, met jouw leraren, jouw ouders en jouw leerlingen en ga dan een plannetje maken over de besteding van de middelen en welke samenwerkingen er nodig zijn voor het beste onderwijs op jouw school.” In wezen is een basisschool als organisatie heel simpel. Van den Berg: “We stelden als experiment met een groep 7B de schoolbegroting op. Die was niet anders dan de officiële: een leraar, met nodige hulp, in een lokaal vol met leerlingen. We hebben een gebouw – liefst een beetje schoon – en we hebben leermiddelen en extraatjes als een museumbezoek en een sportdag. Zo simpel is de begroting van een locatie, zo simpel zou het met de besteding van het onderwijsgeld ook moeten zijn. Helaas is het echte financieel allocatiemodel veel complexer. Onnodig complex, in onze ogen.”

 

Uit het onderzoek blijkt dat 52 procent van elke euro die het ministerie aan het basisonderwijs uitgeeft, in de klas terecht komt. De vervolgvraag is dan waar de rest van het geld, bijna de helft van het budget, allemaal terechtkomt. En: wie daarover de keuzes maakt.

 

In de weg tussen school en ministerie kom je dan bij de directeur van de school, de bestuurder van de onderwijsstichting en de raad van toezicht, langs de organisatie van passend onderwijs, het vervangingsfonds voor als een leraar ziek is, een groot aantal gemeentelijke afdelingen en wat instellingen met een directie, een staf, een bestuur en een eigen raad van toezicht. “Natuurlijk zijn daar een heel aantal nuttige dingen inbegrepen, maar je kunt je afvragen of daarvoor de helft van het geld nodig is”, stelt mede-onderzoeker Pieter Buisman. “Kan dat niet efficiënter en kan er niet meer geld rechtstreeks naar de klas? Tien cent per euro verschuiven naar de klas betekent meer geld voor het onderwijs direct aan leerlingen. Daar kan een leraar heel wat mee doen: een hulp in de klas inschakelen, een nieuwe methode aanschaffen of laptops gebruiken. Al wat voor zijn leerlingen het best is.” Het punt in de praktijk is dat de school vaak niet zomaar kan meebeslissen over deze keuzes. Die worden doorgaans buiten de school gemaakt, juist doordat de helft van de budgeten al zijn bestemd of zelfs uitgegeven voordat het de school heeft bereikt.

 

Begin bij de school

Om dat te veranderen is het volgens de onderzoekers zaak dat de zeggenschapover onderwijsgeld bij de scholen komt te liggen. Van den Berg: “Scholen kunnen zelf best de keuzes maken over wat zij belangrijk vinden en nodig hebben. Daar kun je dan het geld aan uitgeven. Welke expertise moeten we inhuren en waar kunnen we slim samenwerken? Dat zien we nu in de praktijk bij de werkdrukmiddelen; daar kan het wel en lukt het prima.”

“Wij pleiten daarom voor het omkeren van de bekostiging: begin op school en leg de zeggenschap daar neer. Als scholen vervolgens ervoor kiezen om een deel van het werk uit te blijven besteden aan een gezamenlijk ondersteunend staf- en bestuur bureau, is dat natuurlijk prima. Als het maar een bewuste keuze is, dienend aan de scholen en te volgen voor de medezeggenschapsraad (mr).”

Van den Berg ziet de discussie zich toespitsen op de relatie tussen besturen en scholen. “Er is in onze optiek veel winst te halen – letterlijk en figuurlijk – in het systeem tussen OCW en de besturen in. De instellingen en bureaus daar moeten steviger gaan verantwoorden: in hoeverre dragen hun diensten bij aan de onderwijskwaliteit op scholen? Die verantwoording ontstaat als je de zeggenschap verlegt. Dan wordt het vraaggestuurd in plaats van aanbodgestuurd.”

 

Medezeggenschap en Toezicht

“Ook je toezicht en verantwoording zou mee moeten bewegen: niet alle gegevens naar Den Haag toe aggregeren, maar lokaal en passend toezien, in de context van de school. Het instemmingsrecht op de begroting van de MR, waartoe Slob nu heeft besloten, biedt daarvoor kansen. Maar adel verplicht ook: dan moeten we de toerusting van MR’en willen verbeteren. En ook kunnen veel raden van toezicht veranderen: opener worden, meer in contact staan met leraren, schoolleiders en ouders.” Feitelijk in lijn met de toekomstvisie van de VTOI (vereniging voor toezichthouders) die ook pleiten voor meer contact tussen stakeholders en toezichthouders van onderwijsorganisaties.

Geldstromen door de school

Omdraaien

Het antwoord op de vraag: ‘waar blijft het geld dat OCW uitgeeft?’ zit hem in de dingen waaraan klaarblijkelijk geld wordt uitgegeven, maar waar scholen, ouders, leerlingen niets van merken. Dat kan anders. Daarvoor moet de route van onderwijsfinanciering feitelijk worden omgedraaid. Dat moet je niet lichtzinnig doen volgens de onderzoekers. “In elk geval al niet omdat de organisatievorm met grotere overkoepelende besturen, inclusief passend onderwijs, geld op een andere manier over scholen verdeelt dan de lumpsum doet.”

Benieuwd naar de uitkomsten van het onderzoek? Deze worden gedeeld via: www.geldstromendoordeschool.nl/onderzoekrapport.

Dit artikel verscheen in PO Magazine van april 2019. Lees hier meer.