SWV in the picture – Onderwijscollectief Voorne-Putten Rozenburg

Dennis Gerits

Het Onderwijscollectief Voorne-Putten Rozenburg (Onderwijscollectief VPR) is een collectieve samenwerking tussen de samenwerkingsverbanden voor passend primair (voorheen Kindkracht) en voortgezet onderwijs (voorheen VO-VPR). Deze intensieve samenwerking is er sinds een jaar. Onder deze organisatie vallen 58 basisscholen en 15 vo-scholen, allen in de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis, Nissewaard, Westvoorne en in Rotterdam gevestigd.

“Al langer zijn we bezig om goede interactie tussen het primair en het voortgezet onderwijs te krijgen”, vertelt bestuurder Dennis Gerits. “De dingen die we op het primair onderwijs (po) zien en de vragen die er zijn, houden niet ineens op als een kind twaalf of dertien wordt. Om goed met die lijn mee te kunnen lopen ontstond de ambitie om een samenwerkingsverband voor primair én voortgezet onderwijs (vo) te worden.” Sinds het begin van dit schooljaar zijn de oude namen van de samenwerkingsverbanden opgeheven en is er samen een nieuwe start gemaakt onder een nieuwe vlag.

Nu de samenwerking zo hecht is wordt er inhoudelijk flink gesmeed om het onderwijs zo goed mogelijk te laten doorlopen. Gerits: “We bekijken hoe we de aansluiting nog beter kunnen maken en hoe we gebruik kunnen maken van elkaar expertise. We merken dat de expertise er is, maar er wordt soms weinig gebruik van gemaakt.” Dit is onder meer te merken bij leerlingen met extra ondersteuningsvragen die overgaan van po naar vo. “Mensen uit het po gaan meekijken wat er nodig is in het vo, om het onderwijs zo passend mogelijk te realiseren. Ook expertise wordt dan gekoppeld. Dit gebeurde nog maar mondjesmaat. We zijn ermee bezig om te kijken hoe we dit verder kunnen versterken.” Hier liggen volgens Gerits nog meer kansen, bijvoorbeeld in het een tijdje laten meedraaien van elkaars mensen. Het is de wens om die kansen in de nabije toekomst te gaan benutten.

Formeel mogen samenwerkingsverbanden voor po en vo niet fuseren. Onderwijscollectief VPR is een personele unie, waardoor het opereren als een verband toch mogelijk is in de praktijk. Er is één centrale Raad van Toezicht en dezelfde bestuurder, dat is Gerits. “We zitten nu in de afrondende fase van een ondersteuningsplan dat we hebben opgesteld voor het gehele onderwijscollectief”, vertelt hij. “De hoofdstukken lopen door elkaar heen en we stappen dus af van twee aparte ondersteuningsplannen. Het nieuwe plan gaat dus over leerlingen van vier tot achttien jaar oud. We zijn daar heel trots op en we zetten hiermee een belangrijke stap naar de realisatie van onze doelstellingen.”
In dat ondersteuningsplan ligt er een nadruk op duidelijkheid over welke taken er bij de schoolbesturen ligt en welke taken bij het samenwerkingsverband. “En daaropvolgend op de vraag: hoe kunnen we elkaar versterken. Juist de kracht van passend onderwijs is dat het samenwerkingsverband een heel duidelijke rol inneemt in de verbinding naar alle partners om het onderwijs heen”, stelt Gerits. “Het gaat dan om verbinding met de schoolbesturen, de gemeenten of de opvang. “Die rol proberen we goed te vervullen.”

visual vpr

De aanleiding om te fuseren was vooral die inhoud. Daarnaast had het primair onderwijs een onafhankelijke Raad van Toezicht. Dit was nog niet het geval bij het voortgezet onderwijs, maar wel een vurige wens. “Als we toch die beweging gaan maken en tegelijkertijd heel veel kansen zien in het samenwerken binnen het onderwijs, dan pakken we meteen door. Dat was het begin om samen op te trekken.”

Samenwerken
Een samenwerkingsverband maakt het gemakkelijker om die verbinding aan te gaan, merkt Gerits. “Voorheen zaten we steeds met twee samenwerkingsverbanden aan tafel bij dezelfde overleggen. Dat is er nu nog maar één. En we hebben met de schoolbesturen afgesproken dat wij het mandaat hebben om te praten over de aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp. Dus wij zitten aan tafel om die verbinding tot stand te brengen. Dat betekent dat we in een regionaal educatieve agenda wij namens het hele onderwijs praten. Dat maakt een heleboel processen wel een stuk gemakkelijker, omdat niet alle schoolbesturen daar ook nog aan tafel zitten.”
Er is een heel nieuwe ondersteuningsroute opgezet. Dit is gericht op het versterken van de regio, waar de ondersteuning voorheen veel gericht was op een schoolbestuur. Denken vanuit het belang van een schoolbestuur wordt omgebogen naar denken vanuit het belang van de leerlingen in Voorne-Putten en Rozenburg. Voorheen was het swv betrokken bij de voorkant en helemaal aan de achterkant als er een toelaatbaarheidsverklaring moest worden afgegeven. Er werd gewerkt via handelingsgericht integraal arrangeren. “Dat hebben we helemaal opzijgeschoven. We hebben alle orthopedagogen die in dienst waren van schoolbesturen van hen overgenomen. Die hebben we per wijk ingezet in de regio. Daar worden zij laagdrempelig vanuit het swv ingezet. Ze hebben daardoor een goede feeling met de wijk. Op dat niveau zetten wij ze in. Dit leidt tot een preventievere blik, die scholen helpt bij het neerzetten van een zorgstructuur. En ze zijn aan de voorkant bij de casuïstiek betrokken.”

 

Kinderogen

Een belangrijk initiatief is het Pact Kinderogen, dat in Goerree-Overflakkee en in zijn regio is getekend. De gemeenten op Goeree-Overflakkee en Voorne-Putten hebben met de Samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs de handen ineengeslagen bij dit PACT. Ook de kinderopvang, het Centrum voor Jeugd en Gezin en het Schoolmaatschappelijk werk zijn hierbij aangesloten. Door ondersteuning (jeugdhulp) op de scholen en in de kinderopvang te brengen, willen zij samen eerder en beter steun kunnen bieden aan die kinderen en hun ouders, die wat extra’s nodig hebben. Dit moet leiden tot gezamenlijke inzet om de verbinding tussen kinderopvang, onderwijs en ondersteuning (jeugdhulp) versterken. Gerits: “Samen met gemeenten hebben we geïnvesteerd in verschillende programmalijnen. Met dat programma proberen we de aansluiting onderwijs en jeugdhulp nog beter te maken.”

Meer daarover is te vinden via www.kinderogenvpg.nl.

 

Instondo

Dit artikel is gepubliceerd in Passend Onderwijs Magazine, van Instondo Uitgevers, editie april 2022.

Traject Op Maat

Traject Op Maat - Ingrado Magazine

In april 2022 schreef ik een artikel over Traject Op Maat (T.O.M.) in Den Bosch voor het Ingrado Magazine.

Traject Op Maat (T.O.M.) is een initiatief in de gemeente ’s-Hertogenbosch waarbij jongeren worden begeleid naar een passende studie of werkplek. De deelnemers investeren zelf in hun proces en maken ook zelf de keuze wat goed is voor hun toekomst. Het team van T.O.M. begeleidt hen daarbij op een open manier, met maatwerk. Dit doen ze met T.O.M.-coaches. Op dit moment zijn er ongeveer 45 deelnemers. Per jaar zijn er zo’n 160 deelnemers.

Lees verder –>

Klik om toegang te krijgen tot Ingrado%20Magazine%2046.pdf

INTERVIEW: Hans du Prie “Ik wil graag af van de hele term jeugdzorg”

Hans du Prie

Hans du Prie (67) gaat na een carrière van ruim 40 jaar in de jeugdzorg en het speciaal onderwijs met pensioen. Deze maand vertrekt hij als bestuursvoorzitter van iHub, een verregaande samenwerking tussen Horizon, Altra, de Opvoedpoli en De Nieuwe Kans. Dat is de organisatie waarvan hij vier jaar geleden aan de wieg stond. Twee belangrijke doelen van de samenwerking zijn: geen kinderen meer die tussen wal en schip raken en zorgen voor een professionele bedrijfsvoering passend bij de behoeften van de professionals die er werken. Bij iHUB worden jeugdzorg, speciaal onderwijs en jeugd-GGZ onder één dak vormgegeven. Met een combinatie van zorg en onderwijs bieden zij een passend aanbod aan kinderen en hun ouders wanneer zij dat nodig hebben.

Du Prie heeft een achtergrond in de jeugdzorg, maar heeft het onderwijs er altijd graag bij willen betrekken. De samenhang tussen onderwijs en zorg is volgens hem een enorm belangrijke. “Ik heb de rol van onderwijs in de jeugdzorg altijd een heel belangrijke gevonden”, vertelt hij. “Zeker wanneer jongeren voorheen werden opgenomen in de jeugdzorg, was er onvoldoende aandacht voor het onderwijs. Daarmee liepen zij per definitie een flinke achterstand op. Dit is ook een veel gehoorde klacht van de jongeren die in die tijd opgenomen zijn geweest. Het speciaal onderwijs in die tijd was veel gericht op persoonlijke ontwikkeling. Maar het speciaal onderwijs heeft de afgelopen jaren een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Het is nu mogelijk om via het speciaal onderwijs erkende diploma’s te halen en ook verschillende leerlijnen volgen, bijvoorbeeld Havo.”

“Het speciaal onderwijs heeft een enorme ontwikkeling doorgemaakt”- Hans du Prie

Bij iHub heeft Du Prie dit probleem kunnen aanpakken omdat de organisatie zowel jeugdzorg als speciaal onderwijs aanbiedt. De winst daarvan zit in het kijken naar een kind. Du Prie: “We praten met kinderen niet alleen over hun probleem, maar vragen ook wat hij of zij later wil worden. Wat zijn dromen zijn en welke ambities hij of zij heeft. Dit maakt het makkelijker om met ouders en kinderen te bekijken wat ervoor nodig is om dromen en ambities te verwezenlijken. En ook welke betrokkenheid dat bijvoorbeeld van ouders vraagt.” Daardoor ziet iHub de relatie tussen ouder en kind vaak verbeteren. Kinderen wordt weer perspectief geboden. Het helpt ouders om weer trots te zijn op hun kind. “Ik spreek graag de wens uit om dit de komende jaren nog wat intensiever te maken”, aldus Du Prie.

Topspecialisten

Du Prie ziet nog uitdagingen in de driehoek regulier onderwijs – speciaal onderwijs – zorg. Het is zijn droom dat het speciaal onderwijs niet op zichzelf staat, maar onderdeel mag uitmaken van scholengemeenschappen. Het gevolg is dat bestuurders van reguliere scholengemeenschappen trots durven presenteren dat er speciaal onderwijs aanwezig is op school en dat die expertise wordt ingezet. “We kunnen dan ook leerlingen helpen die al dan niet tijdelijk niet in staat zijn om het reguliere onderwijs te volgen.” Dit lukt tot op heden nog niet omdat het speciaal onderwijs nog te veel het imago van ‘drukke lastige kinderen’ zou hebben en wat minder het imago dat er topspecialisten zitten die het lukt om deze kinderen aan het leren te krijgen, merkt Du Prie. “Dat imago is nog onvoldoende opgepoetst. We proberen kosten wat het kost te voorkomen dat een kind naar het speciaal onderwijs gaat. Maar je zou ook kunnen zeggen: wat is het fijn dat er speciaal onderwijs binnen de scholengemeenschap is, zodat hij niet ergens anders heen hoeft en getraumatiseerd of gefrustreerd raakt door negatieve effecten op school.”

De term jeugdzorg

Als het gaat om de jeugdzorg heeft Du Prie nog een speciale wens voor de toekomst: laten we van het hele woord afscheid nemen. “Jeugdzorg bestaat eigenlijk niet. Een jongere maakt altijd deel uit van een familie, die heb je je leven lang. Het is dan raar als we het kind daar helemaal uit halen voor de zorg. Daar waar er vragen zijn rondom opvoeding moeten ouders er niet alleen bij betrokken worden, maar we moeten de ouders helpen met de vraag op welke manier zij het best met hun kind kunnen omgaan om tot ontwikkeling te komen. Soms betekent dit dat we ouders helpen om weer grip op hun kind te krijgen.” Dit kan soms een grotere investering vergen in ouders dan in een jongere.

“Soms helpen we ouders om weer grip op hun kind te krijgen.”- Hans du Prie

“Vaak komen jongeren hier aan tafel en dan gaat het al snel over wat het kind allemaal doet en vooral ook niet doet. ‘Hij luistert niet, hij leert niet, is al van twee scholen verwijderd’, enzovoort. Ouders zijn dan heel benieuwd of wij het wel met hun kind gaan redden. Wij maken ouders dan meteen duidelijk dat wij het alleen niet gaan redden. We kunnen niet toveren. Dit gaat ook iets vragen van de ouders. Het vraagt van ze dat ze niet eens per jaar naar een ouderavond komen, maar intensief met ons gaan communiceren over hoe het gaat, wat er goed is, wat er minder goed is en wat ouders daarmee doen.” Om ouders daarbij te helpen is er een gezinscoach betrokken. Er moet een doorbraak komen in de negatieve situatie. “We laten ouders wekelijks zien wat de vorderingen zijn.”

Relatie ouders en jongere

Het is de kunst om over het gezin te praten waar het kind onderdeel van uitmaakt en niet ‘slechts’ over het kind. Er moet een andere relatie gaan ontstaan tussen de ouders en de jongere. “En dan wat minder in termen van problemen en wat meer in termen van perspectief. Wat beogen we met elkaar? Wij betrekken ouders niet zomaar. We houden hen verantwoordelijk voor hun kind, ook voor het gedrag van hun kind. Maar we helpen hen daar ook bij. Ouders zijn niet schuldig, maar soms wel even onmachtig in de opvoeding. Komt een jongere met een wapen op school, dan spreken we ook de ouders aan op de vraag hoe dit kan.” Er is vaak nog een taboe over de worsteling die ouders doormaken in de opvoeding.

“Dit gaat ook iets vragen van de ouders.” – Hans du Prie

Du Prie besluit: “Ik zwaai af bij iHub, maar ik ben nog niet klaar met het onderwerp. Ik hoop dit de komende tijd nog verder handen en voeten te kunnen geven en wat mij betreft nemen we afscheid van het hele begrip jeugdzorg.”

Dit interview is in december 2021 gepubliceerd in het blad OJ Actueel, onderdeel van Onzejeugd.nu. Lees hier meer voor Instondo.

Coalitie Onderwijs Jeugd en Zorg: Met andere ogen

PO-Magazine

In 2018 werd de Almeerse ex-wethouder René Peeters geïnstalleerd als kwartiermaker in de zogenaamde brede coalitie. Daarin wordt de samenwerking tussen onderwijs, jeugdhulp en zorg op een passende manier vormgegeven. In de praktijk is daar in de afgelopen jaren op verschillende manieren en op verschillende plaatsen handen en voeten aan gegeven. Het ontwikkelprogramma waarin deze voorbeelden worden samengevoegd heet ‘Met Andere Ogen’.

Op de website van Met Andere Ogen (www.aanpakmetandereogen.nl) is weergegeven wat er in het land is ontstaan binnen de samenwerking en welke projecten er worden opgetuigd. Voor de zomer zijn er oproepen geplaatst voor zogenaamde inspiratieregio’s. Deze regio’s vormen op een eigen manier een inspirerend voorbeeld. Zij laten voorbeelden zien waar het, soms ondanks andere wetgeving en financieringsstromen, is gelukt om de samenwerking te versterken ten behoeve van de ontwikkelkansen van kinderen. Elke regio heeft ook ontwikkelvragen en uitdagingen waarbij de regio’s van elkaar en anderen kunnen leren.

 

Inspiratieregio’s

Inmiddels zijn er elf inspiratieregio’s. Die moeten het hart vormen van Met Andere Ogen. Het gaat om de regio’sTwente, Noord-Kennemerland, Regio NO-Friesland, Holland-Rijnland, Zuid-Kennemerland, De Meierij, Utrecht, Leeuwarden, Zuid-Limburg, Almere en FoodValley. In dit artikel geven we het verhaal van twee inspiratieregio’s, Almere en Twente, weer.

Op al deze plekken lopen vernieuwende projecten waarin lef en uitvoeringskracht in de praktijk leiden tot het verbinden van onderwijs, jeugdhulp en zorg. Zij hebben de wens om actiever te worden om de ontwikkelkansen van kinderen te vergroten. Elk van deze regio’s heeft een of twee mensen aangesteld die werken als verbinder binnen Met Andere Ogen. Op hun beurt zijn zij weer verbonden aan iemand vanuit een landelijke partij, de zogenaamde Coalitieverbinders. Samen vormen zij een landelijk verbindersnetwerk.

In deze inspriatieregio’s, die bewust verspreid over het land gekozen zijn, komen verschillende aspecten aan de orde. Er zijn vragen over verandermanagement, cultuur, monitoring, het betrekken van ouders en kinderen, de poreuze randen van de budgetten en over steun van andere regio’s. Centraal staat de vraag wat er nodig is om stappen te zetten die voor het kind en de ouder daadwerkelijk goed werken.

Een inspriatieregio deelt zowel op bestuurlijk als op uitvoerend niveau kennis en kunde, dilemma’s en successen met andere aandeelhouders in het netwerk en inspireren zo anderen om te doen wat werkt voor kinderen. De aanpak maakt het ook mogelijk om stelselwijzigingen en systemische belemmeringen die nodig zijn bij de juiste betrokken partijen te (laten) agenderen.

 

Inspiratieregio Almere

In Almere bestaat sinds ongeveer drie jaar het onderwijs-jeugdarrangement (OJA), voor leerlingen met een licht verstandelijke beperking. Vijf scholen in de gemeente bieden dit inmiddels aan. Elke school heeft een hoofdaanbieder en iemand die het budget beheert. Wanneer er hulp nodig is die niet binnen het arrangement valt, wordt via de hoofdaanbieder gekeken hoe andere aanbieders kunnen worden ingezet. Zo wordt lichte ondersteuning zowel op school als thuis mogelijk gemaakt. Het resultaat: minder thuiszitters en minder verwijzingen naar zwaardere vormen van hulp.

Binnen het OJA wordt nu, na enkele jaren, vooral ingezet op preventieve hulp. De omschakeling van acute naar preventieve hulp is een succes dat na enkele jaren wordt binnengehaald. Bertien Hoek, directeur van praktijkonderwijs Almere en Esmeralda Krone, coördinator OJA, vertellen erover.

“Zo’n tien jaar geleden zochten we naar een organisatie die bereid was om dagbehandelingen op school aan te bieden. Waardoor onze leerlingen niet buiten school hoefden te komen voor een behandeling. Daarmee werd voor hen een belangrijke drempel weggenomen”, blikt Hoek terug. “We hebben een partner gevonden die dat aandurfde. Die is gestart op een van onze locaties. Dat is niet vanzelf gegaan, maar toen het er eenmaal was en er meer leerlingen gebruik van konden maken, is dit goed bevallen. Leerlingen kunnen vanuit de les naar de dagbehandeling. In enkele jaren zijn we dat ook gaan exporteren naar andere locaties.” Behalve voor leerlingen, is het ook voor ouders belangrijk dat het bij school hoort.

Toen het eenmaal liep, ontstond de wens om deze dagbehandeling op school intensiever te maken. School en de behandeling werden meer verweven met elkaar omdat gedragsbehandeling in de klas mogelijk werd gemaakt. Dit gebeurt via een ambulant begeleider. Omdat dagbehandeling na school zou moeten plaatsvinden en niet onder schooltijd, begon dat formeel te knellen. Hoek: “Daarom wilden we een OJA aanvragen bij de gemeente. Dan zouden alle leerlingen die dat nodig hebben passende zorg op school kunnen krijgen. We hadden de overtuiging dat als we meer vanuit school zouden kunnen doen, we het laagdrempeliger kunnen maken en ouders makkelijker kunnen bereiken.” Een ander voordeel is dat de hulp niet met beschikkingen hoeft te worden ingevlogen. “Dat scheelt papier en heel veel handtekeningen. Dit deden we al langer, maar het mocht officieel niet.”

Door deze manier van werken wordt het mogelijk om preventief en aan de voorkant ondersteuning te bieden. Krone: “Uiteindelijk is de OJA er in 2019 gekomen. Met name budgettair gezien was dat een gesteggel. We hebben meerdere jaren nodig om het goed op te zetten en succeservaringen te kunnen oogsten. Die fase gaat nu komen.” Een deel van dat succes zit hem in het feit dat de hulp en het onderwijs dicht op elkaar zitten. “Dat betekent namelijk dat je snel van alles ziet en effectief en efficiënt kunt handelen. Daar wordt het niet per se goedkoper van, maar wel sneller en op termijn preventiever. Aan de andere kant geeft het grip op de kosten: we merken dat we dichterbij zitten en dat doet wat met het uit de maat laten lopen van allerlei hulpverlening.”

 

Inspiratieregio Twente

De inspiratieregio Twente zet in op het bieden van perspectief voor de toekomst. Een van de concrete stappen om dat perspectief te vergroten is de pilot interprofessioneel werken. Interprofessioneel betekent uiteraard samenwerken tussen professionals uit het onderwijs, de jeugdhulp en de zorg. Deze pilot vindt plaats op 13 scholen en hun samenwerkingspartners. Het doel: de samenwerking verbeteren om de ontwikkelkansen van leerlingen te vergroten. Er is gestart vanuit een nulmeting, waarbij de huidige samenwerking in kaart is gebracht. Debbie Nijhof, Betty Peters (beide intern begeleider) en Marjan Wolf (IKC-directeur) vertellen over hun ervaringen in deze aanpak. Zij startten drie jaar geleden met dit idee.

Nijhof: “Wij hadden het idee om een integraal kindcentrum (IKC) neer te zetten voor alle kinderen tot 13 jaar. De verschillende functies, zoals onder meer een peuterspeelzaal, een fysiotherapeut, een bso en een kinderdagverblijf waren al aanwezig. Wij wilden dat inhoudelijk samenbrengen. Wij hebben hiervoor een plan geschreven en het team meegenomen via studiedagen. Dit leidde tot een pedagogische visie op onderwijs, opvang en in het algeheel op kinderen. We zijn begonnen met de filosofie van de vreedzame school.” Deze visie is een samenwerking tussen alle mensen binnen het IKC. Zo draagt iedereen dezelfde visie uit.

“Ons plan heet ‘samen in beweging voor een vreedzame toekomst’. Dat stukje beweging vinden we heel belangrijk. We sluiten aan bij de methodiek beweegwijs. We richten ons schoolplein groen en beweegwijs in”, legt Nijhof uit. In het kader van Met Andere Ogen willen de Twentenaren nu verder om andere partijen die te maken hebben met jonge te verbinden aan de visie. Wolf: “De BSO, de peuterspeelschool, een gemeentelijk regisseur, een schoolarts, een schoolverpleegkundige en een schoolzorgzorgondersteuner sluiten inmiddels ook aan. Dat resulteert in heel korte lijnen. Samen vormen wij de pilot interprofessioneel werken.” Deze groep is op dit moment bezig te ervaren hoe de verbinding met elkaar het best gezocht kan worden. Nijhof: “Het komt erop neer dat we bekijken hoe de cases het best kunnen worden aangepakt en de juiste zorg het best bij de kinderen terechtkomt.” En ook is er op dit moment veel aandacht voor preventie: “Hoe zorgen we ervoor dat zaken geen groot probleem worden, maar dat we goede oplossingen vinden binnen ons IKC.”

Volgens Wolf is het goed om bij dit soort plannen vooral de populatie goed te kennen. “Om de beste en de juiste zorg te leveren, moeten de plannen goed zijn afgestemd op de eigen populatie. Dat betekent dat dit plan steeds iets wordt bijgesteld. We zijn over tien jaar niet precies hetzelfde aan het doen, maar onze activiteiten evolueren met de populatie mee. Op dit moment is taal een belangrijk item, naast bewegen. We zetten heel erg in op wat wij denken dat de leerlingen op dit moment nodig hebben.” Nijhof vult aan: “Daarbij zoeken we naar expertise dichtbij, zodat ouders weten wat ze bij ons kunnen verwachten. Zij hebben bij ons een vast aanspreekpunt. Binnen het IKC zetten we als dat nodig lijntjes uit daar onderlinge expertise op verschillende vlakken. We willen voorkomen dat ouders verdwalen en steeds opnieuw ergens aan de bel moeten trekken om hulp te krijgen.”

Dit artikel verscheen in PO Magazine – editie april 2021.

Lerarencollectief: werken aan de basis van passend onderwijs

PO-Magazine

Vlak voor de ministeriële voortgangsrapportage van november 2020, kwam het nieuw opgerichte Lerarencollectief met een zorgvuldig opgezette eigen evaluatie over passend onderwijs. De leraren vertellen op basis van een breed uitgezette en ingevulde enquête over de stand van zaken in de klas, na zes jaar passend onderwijs. Begrippen als handelingsverlegenheid, het vinden van een passende plek voor zorgleerlingen en de onder druk staande onderwijskwaliteit komen aan de orde. Een belangrijke bevinding is dat passend onderwijs nooit een eerlijke kans heeft gekregen. Het is te veel gegaan over accentverschuivingen.

Sharon Martens, een van de initiatiefnemers namens de lerarenraad van het Lerarencollectief vertelt over hun enquête: “Voordat we begonnen met het opzetten van de enquête zijn we eerst gaan onderzoeken wat er al beschikbaar was. Er is in al die jaren na de invoering van passend onderwijs enorm veel geschreven. We vroegen ons af of wij ons als leraren kunnen wij ons vinden in wat er al ligt. Want wat goed is, is goed en hoeft niet opnieuw.” Maar het viel haar op dat veel vragenlijsten die onder leraren zijn uitgezet, behoorlijk sturend waren. Een stelling als ‘door passend onderwijs heb ik meer zorgleerlingen in de klas’ is daarvan een voorbeeld. “Dit soort vragen vind ik ingewikkeld. Want hoe kun je vaststellen dat dit door passend onderwijs komt en in hoeverre heeft het een met het ander te maken?”, legt Martens uit. “Ons doel is niet om te evalueren hoe iets komt, dat maakt ons bij het opstellen van de enquête nog even niet uit. Wat we willen doen is evalueren hoe het ervoor staat met passend onderwijs. Van daaruit willen we verder kijken wat er moet gebeuren om passend onderwijs goed neer te zetten of hoe door te gaan als het goed gaat.”

“Voor een open vragenlijst geldt dat elk antwoord goed is. We willen niet sturen naar passend onderwijs werkt wel of niet”

Dat leidde tot een zo neutraal mogelijke enquête met open vragen die geen verbanden leggen. Het resultaat is in te zien via www.lerarencollectief.nl. Martens: “Voor een open vragenlijst geldt dat elk antwoord goed is. We willen niet sturen naar passend onderwijs werkt wel of niet”. De vragenlijst was in te vullen door alle leraren in het hele land. Dat is ook veelvuldig gebeurd, in twee weken tijd hebben een kleine 2.500 mensen de moeite genomen om de vragen te beantwoorden. “Vanuit de antwoorden willen wij kijken wat we adviseren richting de Tweede Kamer en het ministerie over de stand van zaken.”

De enquête bestond uit 13 vragen, waarvan een aantal sociaal-demografisch was en een aantal ging over de onderwijspraktijk. “Als we kijken naar de demografische gegevens, kunnen we stellen dat mensen uit heel het land de vragen hebben ingevuld. Ook de verdeling tussen speciaal – en basisonderwijs is mooi. Daar zijn we blij mee.”

 

Hebben we het wel over hetzelfde?

Passend onderwijs is een van de meest besproken onderwerpen in de lerarenkamer. “Wat wij van tevoren vermoedden, is dat iedereen het bij het begrip passend onderwijs niet altijd over hetzelfde heeft”, zegt Martens. “Daarom hebben we een open vraag opgenomen om dat te peilen. En het blijkt inderdaad dat passend onderwijs verschillende definities heeft bij leraren. De een heeft het eigenlijk over inclusief onderwijs, de ander heeft het over passend onderwijs zoals het bedoeld is en weer een ander heeft het over alle leerlingen in plaats van alleen de zorgleerlingen.”

Een andere open vraag was gericht op wat er goed gaat en wat er beter kan. Martens: “Daarmee willen we voorbijgaan aan alleen maar een onderbuikgevoel.”

 

Wat valt op?

Het valt meteen op dat 71 procent van de respondenten aangeeft dagelijks handelingsverlegen te zijn. “Dat valt zeker op als je meeneemt dat wij leraren over het algemeen niet zo snel aangeven dat het niet gaat. In eerdere enquêtes is eigenlijk nooit geconcludeerd dat wij ons handelingsverlegen voelen. In elk geval niet zo duidelijk”, merkt Martens op. Die handelingsverlegenheid kent overigens meerdere oorzaken. “Mensen weten soms niet hoe te handelen, of ze hebben niet genoeg tijd, ruimte of tools.”

Ook valt op dat het nog niet altijd goed lukt om een leerling een passende plek te bieden of naar een passende plek te kunnen doorverwijzen. 89 procent van de leraren geeft dat aan. “Dan heb je het niet meer over een of twee kinderen waar het niet lukt.”

De conclusie is hard, maar duidelijk: de basis is niet op orde om passend onderwijs te geven. Men wil wel, maar grote klassen, onvoldoende geld in de school zelf en het lerarentekort zijn factoren waardoor we passend onderwijs nog niet zo vorm kunnen geven als we graag zouden willen. Dat wil het Lerarencollectief met deze uitkomsten duidelijk maken.

 

Het lerarencollectief

Het lerarencollectief is een nog vrij nieuwe beweging. In december 2019 zijn kwartiermakers Jan van de Ven en Thijs Roovers vanuit POinActie de eerste stappen gaan zetten. Vanaf maart vorig jaar is het collectief officieel van start. Per 1 augustus werd de eerste lerarenraad geïnstalleerd.

Deze organisatie bestaat uit een groep, bestaande uit leraren, verspreid over Nederland en over de verschillende onderwijssecties, dat wil zeggen speciaal onderwijs, maar ook bovenbouw en onderbouw, ervaren en minder ervaren en zo allerlei achtergronden. Het voordeel daarvan is dat zij een breed veld vertegenwoordigen. Een hoofddoel is ‘het imago van de leraar opkrikken en zelf aan tafel zitten bij besluiten over de inhoud van het onderwijs’.

Martens daarover: “De leraar komt vaak negatief in het nieuws de laatste tijd vanwege stakingen en lerarentekorten. Maar we hebben allemaal hetzelfde doel als overheid, ouders, besturen, etc.: namelijk goed onderwijs geven. We lopen er tegenaan dat er veel voor ons wordt besloten, maar vaak weinig met ons. Behalve het verbeteren van het imago willen wij de leraar ook kunnen vertegenwoordigen bij besluiten over onderwijsinhoud. Voorbeelden daarvan zijn curriculum.nu, de voortgangsrapportages passend onderwijs en het nieuwe bevoegdhedenstelsel dat er aankomt. Echt invloed heeft de leraar er niet. We moeten dat samen doen.”

 

In november vond het Kamerdebat over de voortgang van passend onderwijs plaats. Er is inmiddels ook een verbeterplan gepubliceerd. “Wij hoopten met deze enquête en met ons geluid aan tafel te kunnen zitten om te praten over dat verbeterplan en hoe het verder moet. Het is niet zo dat we per se anders denken dan partijen die wel aan tafel zitten, maar we moeten het samen doen en onze achterban raadplegen. Dan wordt voorkomen dat er volgend jaar van bovenaf iets wordt gedropt dat wij allemaal mogen gaan uitvoeren. We willen daar constructief mee bezig zijn.”

 

Hetzelfde doel

Uiteindelijk heeft iedereen hetzelfde doel: goed passend onderwijs bieden, zo stelt het Lerarencollectief. Om daarmee aan de slag te gaan is er een thema-avond georganiseerd met onder meer De acht onderwijswoordvoerders van de Tweede Kamer, de NRO, de Onderwijsraad, vijftig leraren en vijftig ouders. Goed passend onderwijs organiseren stond hier op de agenda. “Nog voordat die thema-avond kwam, heeft het ministerie ook een afspraak met ons gemaakt. Ze wilden samen naar het verbeterplan kijken. De uitnodiging staat om mee te denken, ook in het vervolgtraject. Uiteraard hebben we daar ‘ja’ op gezegd en zitten we aan tafel.”

Daarmee lijkt een belangrijke stap gezet.

PO Magazine

Dit artikel verscheen in PO Magazine, editie februari 2021.

LEGENDE: De ogenschijnlijke rust van het Galgenveld

Galgenveld Oosterhout - galg

Het galgenveld is een merkwaardig stuk bos. Je vindt er vandaag de dag veel rustige plekken en intieme hoekjes. Duikend in de historie van dit stuk natuur komen minder rustige taferelen boven tafel: duidelijk wordt wel waar Galgelveld haar naam aan dankt.

Een galgenveld ligt vaak aan de grens van een gebied, zo ook in dit geval. Vroeger grensde het gebied behorend bij Oosterhout hier aan dat van Breda. Men stelde hier een galg op, om misdadigers aan op te hangen. Zo werden mensen die het gebied betraden geconfronteerd met de boodschap dat met de macht en het functioneren van het rechtssysteem niet te sollen viel. Mensen met kwade wil zouden hierdoor worden afgeschrikt. Hun lichaam werd door roofvogels en vossen verslonden, een eervolle begrafenis waren zij niet waard.

Na de dood van Willem van Duyvenvoorde (1353) kregen de heren van Oosterhout het recht om misdrijven te berechten en zelfs de doodstraf op te leggen. De berechting zelf gebeurde vaak op de Heuvel in Oosterhout. Het lijk werd in het bos aan de rand van het gebied nog een tijdje aan de galg gehangen, dus puur voor de voorbijgangers.

Oosterhout was trots op haar rechtssysteem. De galg werd ‘Het Geregt van Oosterhout’ genoemd.

Verhalen over berechtingen zijn er een aantal. Zo zou bijvoorbeeld Daniel van Hemstede, die al gestorven en begraven was, n vrouw en kind hebben vermoord. Hij werd daarom op het kerkhof opgegraven en herbegraven onder de galg. Als symbool voor de vermoorde vrouw en kind werden er aan de galg een grote en een kleine ‘clippel’ (knuppel) gehangen. Cornelis Willem Mercus zou een halve eeuw later ook zijn vrouw hebben omgebracht. Niemand wist dat, totdat hij in een herberg zijn mond voorbijpraatte, zodat ook hij zijn straf niet ontliep. Ook had gaan er verhalen de rondte dat er ter plaatse van de galg een ketelaar of ketellapper verbrand is.

Oosterhout was trots op haar rechtssysteem. De galg werd ‘Het Geregt van Oosterhout’ genoemd.

Het Geregt van Oosterhout heeft bestaan tot net na het jaar 1800. In 1803 ging de rechtspraak definitief over naar wat nu de rechtbank is in Breda. Pas toen is ook de galg verdwenen.

Wie het verhaal nog rustig na wil lezen, in het bos ten oosten van industrieterrein De Vijf Eiken, staat een drietal galgen opgesteld ter nagedachtenis aan de eeuwen van berechting in ons huidige bosgebied. Het ligt naast de Vijf Eikenweg, waar vroeger veel verkeer richting Oosterhout passeerde. Het zou een logische plek zijn voor een galg, maar of hij daar ook heeft gestaan is niet precies bekend. In de loop der eeuwen is de plaats van de galg veranderd van de locatie nabij Teteringen en de Hei, naar de Duiventoren.

Dorstlezer

Dit artikel verscheen in De Dorstlezer van januari 2021.

BETOOG WONINGBOUWSTRATEGIE

D66 Oosterhout

Voorzitter,

De komende periode ligt er een flinke uitdaging als het gaat om woningbouw. Wij vinden het goed om te lezen dat u nadrukkelijk de samenwerking in de regio Breda-Tilburg en in het bijzonder met de gemeente Breda aanhaalt. Over de manier hoe u met dit vraagstuk om wilt gaan binnen de gemeentegrenzen verschillen we deels van mening.

U zegt op zoek te willen naar woningbouwlocaties buiten het bestaande stedelijke gebied om een antwoord te geven op woningvragen. In een visie vraag je je af: wat voor stad wil je zijn. Dat moet wat ons betreft niet alleen vraaggedreven maar ook ideologisch gedreven zijn. D66 zet in op inbreiding, in plaats van uitbreiding. Liever wat minder grondgebonden woningen en wat meer de hoogte in, dan uitdijen in allerlei windstreken. Wij hebben hier vooral vijf redenen voor:

 

  1. Mensen kiezen juist voor wonen in Oosterhout omdat het een kleinere, compacte stad is. Wij zien het als waardevol om dat compacte te behouden en niet een tweede Breda te worden.
  2. Er is gewoonweg ruimte voor inbreiding. Door het kopen van de Arendshof II is er unieke ruimte in de binnenstad ontstaan voor woningbouw. Wij willen dit gebied ontwikkelen in combinatie met het bankenplein. Met aandacht voor betaalbare woningen en veel groen, zo krijgt de binnsntad een gezond en modern karakter. Door beide plekken samen te ontwikkelen ontstaat er een geheel. Dat gaat versnippering tegen en er is ruimte om een iconisch en kenmerkend nieuw stadshart te creëren. De huidige visie voor het bankenplein heeft natuurlijk al geld gekost, maar een gelijktijdige ontwikkeling van beide gebieden levert meer op dan de som geld die het gekost heeft. Graag dienen we daarom een motie in.
  3. We gaan meer bouwen en er komen dus ook meer mensen in onze gemeente te wonen. Ons buitengebied en onze natuur bieden op tal van manieren een uitlaatklep voor al die mensen om er even tussenuit te gaan. Dit geeft onze gemeente ook een goed en gezond leefklimaat. Nu is dat gebied behoorlijk druk op dagen met mooi weer. Verschillende vormen van recreatie kunnen nu nog maar net naast elkaar bestaan op sommige plaatsen. Als er meer mensen bij komen in deze gebieden wordt het nog drukker. Laten we het buitengebied niet verkleinen. We zetten het liever in voor mensen die naar buiten willen.
  4. U wil betaalbare huizen. Kijkt u dan vooral ook naar wat kleinere huizen, en kleinere woonvormen zoals tiny houses. Die kunnen prima in de stad staan. Ze nemen minder ruimte in. Dat scheelt in de prijs en in de oppervlakte per huis. Dit komt de betaalbaarheid ten goede.
  5. Als je wonen in het huidige buitengebied in grotere mate mogelijk wil maken: kijk dan eerst naar bestaande bebouwing. In juni 2020 verscheen er een onderzoek van Hogeschool Rotterdam-student Jochem Vermeulen waarin waardevolle herbestemming van cultuurhistorisch erfgoed in agrarisch gebied aan de orde komt. Er wordt gesteld dat er veel onroerend goed leeg komt te staan. Die trend is al voorzichtig zichtbaar. Om verloedering tegen te gaan, de leefbaarheid van het buitengebied te vergroten en betaalbaar te houden is het zinvol om te kijken hoe er makkelijker herbestemd kan worden. En dat is een bredere opgave dan sec een pand veranderen van bestemming agrarisch naar wonen. We denken dan aan woongroepjes of woning splitsing bijvoorbeeld.

Al met al zien wij dus ruimte om juist in het hart van de stad aan de slag te gaan met de woningbouwvisie. Groener er kleinere huizen zijn daarbij de sleutelwoorden. Wij worden liever een ‘groen Manhattan van Breda’ waar men naar buiten kan, dan een eindeloos uitgestrekte provinciestad.

Dank u wel voorzitter.

RAADSBIJDRAGE ONTWERPVERKLARING GEEN BEDENKINGEN ZONNEPARK A59

D66 Oosterhout

Voorzitter,

U vraagt ons om een verklaring van geen bedenkingen af te geven voor de ontwikkeling van een zonnepark in de Oranjepolder. Uit onze eerdere bijdragen blijkt al wat wij belangrijk vinden: prioriteit bij zon op dak, en in een zonnepark versterking van cultuurhistorische- en natuurwaarden in het landschap en een goede participatie. We zijn niet tegen een zonnepark op zich, maar wel als de noodzaak niet duidelijk is.

Wat betreft de participatie. Dit is in het afgelopen jaar uitvoerig aan de orde gekomen. Het belangrijkste punt voor ons is dat belanghebbenden goed moeten worden meegenomen en op tijd moeten worden geïnformeerd. Wat ons betreft mag duidelijker worden gecommuniceerd waarom een zonnepark nodig is. Want er liggen nog veel daken leeg. Waarvan u aangeeft een deel niet te mogen meenemen? Van wie mag dat dan niet? En waar ligt die grens dan, bijvoorbeeld bij welk bedrijfsdak telt en welk niet? We hebben meerdere signalen gekregen van mensen die het onbegrijpelijk vinden dat er nog zoveel daken leeg zijn, bijvoorbeeld van panden van Thuisvester. Met Thuisvester moeten toch dingen te regelen zijn.

Over de start van het zonneparkproces is een en ander op de gemeente aan te merken in hoe inwoners zijn meegenomen. Nu we in het proces weer een horde verder nemen zijn er alsnog een heleboel vragen over de specifieke noodzaak van een zonnepark. Uw houding is wel verbeterd na enkele informatiemomenten, onder andere ter plaatse. Kan de portefeuillehouder aangeven hoe hij concreet denkt de inwoners in het vervolg van het proces verder mee te nemen en hoe hij concreet uit wil leggen dat we een zonnepark en straks een windpark nodig hebben?

Wat betreft de cultuurhistorische- en natuurwaarden is een en ander weergegeven in de ruimtelijke onderbouwing. Langs het recreatieve fietspad wordt natuur aangelegd die, hopelijk, zo goed mogelijk in het bestaande landschap past. We zijn benieuwd naar de verdere gedetailleerde uitwerking hiervan. De initiatiefnemer heeft op eigen terrein in Moerdijk een zonnepark gerealiseerd dat ook in een bloemrijk grasland staat. Wordt dit een kopie daarvan? De werkgroep biodiversiteit is in beginsel een goed initiatief, vooral omdat de omgeving inhoudelijk kan worden meegenomen. Maar welke rol heeft deze werkgroep precies? En wie heeft de regie? En wat doet de gemeente specifiek op het gebied van de vaak genoemde biodiversiteit, nu en op langere termijn?

Wij vinden versteviging van de biodiversiteit een belangrijk punt voor onze leefomgeving. Maar het mag nog allemaal wat specifieker. Voor nu en op langere termijn. Ter inspiratie bieden we u graag een exemplaar aan van het boek ‘Bescherming van de biodiversiteit, een weerbarstige uitdaging’. Daar staan veel goede en passende voorbeelden in, toegespitst op het maken van beleid ter bevordering van biodiversiteit.

En, misschien een beetje vooruitlopend op de volgende stap in het proces, nog een mogelijkheid om extra winst te halen uit het project: u gaat de grond onder en rond de panelen inzaaien met bloemrijk grasland. In Oosterhout huist de oudste bijenhoudersvereniging van Nederland. We kunnen ons voorstellen dat zij blij zijn met 37 hectare bloemrijk grasland. Ook lieten zij in de krant optekenen dat ze op zoek zijn naar een locatie. Het lijkt ons een idee als de gemeente uit eigen beweging contact wil opnemen met het gilde en samen met hen wil kijken of er een combinatie te maken is. Dan krijgt het een echt Oosterhouts tintje en u geeft de grond een duidelijke dubbelfunctie.

Dank u wel voorzitter.

Wandelen in de bossen? Bekijk hoe druk het is met de druktemeter

Als je graag even een luchtje wil scheppen in de bossen is dat natuurlijk mogelijk. Maar hoeveel mensen kwamen op hetzelfde idee? Dat is nu relatief goed in te schatten met de ontwikkeling van de ‘druktemeter’. Op de website van Visit Brabant (www.visitbrabant.com) is deze te vinden. Dus je kunt nu kiezen wanneer het voor jou rustig genoeg is om te gaan wandelen en ook waar je gaat wandelen.

De druktemeter is een gezamenlijk initiatief Visit Brabant, Staatsbosbeheer en Brabants Landschap. Op een kaart is de actuele drukte in de natuurgebieden, waaronder die van Dorst, te zien. De Druktemeter toont een indicatie van drukte, gebaseerd op meldingen van natuurorganisaties en bezoekers. Zeker in weekenden met mooi weer kan de drukte snel veranderen. De website waarschuwt er dus voor om ook vooral zelf goed uit te blijven kijken.

De drukte is uitgedrukt in groen (rustig), oranje (het is aan de drukke kant of drukte wordt verwacht, overweeg elders naartoe te gaan) en rood (het is te druk). Er wordt overigens onderscheid gemaakt tussen wandelen, fietsen en ruiteren. Uiteraard kan daar wat verschil zitten in de mogelijkheden.

De pagina met de druktemeter geeft in het algemeen wat tips om op te letten als je even van de buitenlucht wil genieten. Ga bijvoorbeeld bij voorkeur niet op pad tussen 11.00 en 15.00 uur, houd afstand tot elkaar en laat de auto thuis. Dat scheelt ook drukte op de parkeerplaatsen.

Zelf drukte melden?

De druktemeter maakt op basis van meerdere bronnen een indicatie van de drukte. Een van die bronnen is de melding die bezoekers zelf maken. Is het ergens te druk of juist rustiger dan aangegeven? Dan kun je dat laten weten aan Visit Brabant, via het adres https://www.visitbrabant.com/nl/routes/drukte-melden. Dat kan anderen weer helpen bij het maken van een keuze om wel of niet op een bepaalde plek van de natuur te gaan genieten.

Dorstlezer

Dit artikel verscheen in De Dorstlezer van januari 2021.

De Dorstse bossen: mens natuur en indistrie

Met ruim 1200 hectare aan uitgestrekte bossen heeft ons dorp een mooie groene mantel aan de noordkant en bestaat het grootste gedeelte van ons dorpsoppervlak uit schitterende natuur. Schitterend, niet in de laatste plaats vanwege de gevarieerdheid van het gebied. In de loop der eeuwen is er veel gebeurd. Te veel om op te noemen in een luttel stuk. Toch proberen we je mee te nemen en enkele opvallende feiten en gebeurtenissen kort uit te lichten.

Kenmerkend aan ons gebied is de leem. Toen Brabant Water ging boren voor de waterleidingen, bleek dat er op ongeveer 125 meter diep een schelpenbank in de grond zit. Dat duidt erop dat het vroeger, waarschijnlijk miljoenen jaren geleden, strand is geweest. Die leem onthult ook de vroegere aanwezigheid van water.

Bij de moerputten (in de buurt van Baarschot) zijn resten van jagers gevonden, die er in een moerassig gebied hebben geleefd. Waaraan Dorst haar naam dankt is niet helemaal bekend, maar een van de lezingen gaat over het moeras rondom Dorst. Vroeger werd de plaats Dorsten genoemd, dat gezien wordt als een samenvoeging van Den Horsten. En dat verwijst weer naar moerassig gebied. Dat er al lang, ver voor Christus, mensen in ons mooie gebied woonden is niet alleen duidelijk aan de vele vondsten die werden gedaan. Ook een heleboel mythen gaan doen er de rondte.

De bekendste sagen stammen uit de middeleeuwen, rondom de adellijke families die in dit gebied leefden. Familie van Duyvenvoorde -een schatrijke bastaardzoon- is een bekende. Het bos De Duiventoren dankt er zijn naam aan. Midden in De Duiventoren ligt een open stuk, waar het voormalige kasteel heeft gestaan. De ‘grachten’ doen er nog aan denken. Na de dood van de goede heer Van Duyvenvoorde viel het kasteel in handen van zijn kwaadaardige zoon. Het schijnt dat zijn geest nog altijd rondwaart in de gracht. Wie het water betreedt, zal worden meegezogen in zijn wreedheid. Deze familie heeft veel invloed gehad, niet in de laatste plaats in het bosgebied. ‘De Keeten’ aan de Oude Bredase baan verwijst naar de houten paardenstallen.

Bij de verbouw van de kampeerboerderij De Eekhoorn, is een middeleeuwse kruik gevonden. Het opschrijft vertelt ons dat de kruik uit Duitsland afkomstig is. Er zijn in ons land meerdere van deze kruiken opgedoken, maar de legende zegt dat zo’n kruik voor de voordeur alle heidenen verjaagt.

Het bos zelf is gevormd door oude moerassen en door de mens. Karakteristiek zijn de zandverstuivingen die her en der voorkomen en de buurtschappen Steenoven en Seters. Deels zijn die ontgonnen voor landbouw of, vaker nog, voor het uitsteken van leem voor de voormalige steenfabrieken in Dorst en later Vijf Eiken. Een deel van de zandvalktes bij Seters zijn kaal gekapt door Prins Frederik, de tweede zoon van de latere koning Willem I. Hij wilde het gebied begaanbaarder maken. Een deel van de bossen heten niet voor Frederiksbossen. Momenteel heb je er een prachtig uitzicht en leent ze berg zich goed om in te spelen.

In de prehistorie is het gebied Het Moerken bewoond geweest. In de loop der eeuwen is het vervallen tot moeras. Later werd er turf gestoken. Momenteel heeft Staatsbosbeheer het gebied geprobeerd te herstellen, waaronder het terugbrengen van de moerputten.

 

Recreatie

Het bos is dus in de loop van de eeuwen voor veel doeleinden gebruikt. Begin 18e eeuw bijvoorbeeld ook voor militaire oefeningen, wat we ons misschien nu in het cadettenkamp nog kunnen voorstellen.

Pakweg de laatste eeuw is het bos vooral door Staatsbosbeheer beheerd. Vanaf 1899 bestond het bos vooral uit grove den. Jarenlang is het gebied veel gebruikt voor de houtproductie. In de jaren ’70 nam de grootschalige recreatie toe. Momenteel is daar vooral sprake van. Het beheren van de bossen is minder gefocust op de productie van hout, wat de variëteit en de speelsheid van het bos ten goede komt.

Momenteel wordt er volop gewandeld, gefietst, geruiterd, gemoutnainbiket, gevist, gefilosofeerd, geschreven, gegeten en gedronken, gefotografeerd, etc…. maar niet meer gezwommen.

 

Surae

De meest bekende en bewust opgezette recreatieve is uiteraard Surae, dat in 1927 haar deuren openden met een ‘kuitenbad’. Het bestond uit twee baden die simpel met rietmatten gescheiden waren. Aan de wieg van de opzet stond de Bredase zwemleraar Kuit. Hij heeft de zwemgelegenheid tot ontwikkeling gebracht. Hij heeft er tot 1957 leiding gegeven. Surae dankt zijn naam aan hem: ‘kuit’ als deel van het been luidt in het Latijn ‘sua’ en van dit woord heeft men de Latijnse meervoudsvorm ‘surae’ gekozen. Momenteel is het recreatieve bad als zwemwater gesloten en teruggegeven aan de natuur.

 

Rupsen

Zo nu en dan grijpt de natuur een beetje in. Een recent voorbeeld stamt uit 1994. Het bos werd geplaagd door miljoenen rupsen. Het waren geen eikenprocessierupsen, maar zigeunermotten. Grote delen van het bos werden in zeer korte tijd kaalgevreten. Er was geen stofzuiger met voldoende zuigkracht om de constante toestroom van de kleine wormige beesten een halt toe te roepen. Foto’s van deze ‘auto met rupsbanden’ van de familie Geurts haalde zelfs de Telegraaf van 20 juni 1994.

Er zal (hopelijk) altijd een harmonieus samenspel blijven tussen de ontwikkeling van natuur, recreatie en ‘industrie’. Dat houdt het bos levendig en bij de tijd.