De Dorstse bossen: mens natuur en indistrie

Met ruim 1200 hectare aan uitgestrekte bossen heeft ons dorp een mooie groene mantel aan de noordkant en bestaat het grootste gedeelte van ons dorpsoppervlak uit schitterende natuur. Schitterend, niet in de laatste plaats vanwege de gevarieerdheid van het gebied. In de loop der eeuwen is er veel gebeurd. Te veel om op te noemen in een luttel stuk. Toch proberen we je mee te nemen en enkele opvallende feiten en gebeurtenissen kort uit te lichten.

Kenmerkend aan ons gebied is de leem. Toen Brabant Water ging boren voor de waterleidingen, bleek dat er op ongeveer 125 meter diep een schelpenbank in de grond zit. Dat duidt erop dat het vroeger, waarschijnlijk miljoenen jaren geleden, strand is geweest. Die leem onthult ook de vroegere aanwezigheid van water.

Bij de moerputten (in de buurt van Baarschot) zijn resten van jagers gevonden, die er in een moerassig gebied hebben geleefd. Waaraan Dorst haar naam dankt is niet helemaal bekend, maar een van de lezingen gaat over het moeras rondom Dorst. Vroeger werd de plaats Dorsten genoemd, dat gezien wordt als een samenvoeging van Den Horsten. En dat verwijst weer naar moerassig gebied. Dat er al lang, ver voor Christus, mensen in ons mooie gebied woonden is niet alleen duidelijk aan de vele vondsten die werden gedaan. Ook een heleboel mythen gaan doen er de rondte.

De bekendste sagen stammen uit de middeleeuwen, rondom de adellijke families die in dit gebied leefden. Familie van Duyvenvoorde -een schatrijke bastaardzoon- is een bekende. Het bos De Duiventoren dankt er zijn naam aan. Midden in De Duiventoren ligt een open stuk, waar het voormalige kasteel heeft gestaan. De ‘grachten’ doen er nog aan denken. Na de dood van de goede heer Van Duyvenvoorde viel het kasteel in handen van zijn kwaadaardige zoon. Het schijnt dat zijn geest nog altijd rondwaart in de gracht. Wie het water betreedt, zal worden meegezogen in zijn wreedheid. Deze familie heeft veel invloed gehad, niet in de laatste plaats in het bosgebied. ‘De Keeten’ aan de Oude Bredase baan verwijst naar de houten paardenstallen.

Bij de verbouw van de kampeerboerderij De Eekhoorn, is een middeleeuwse kruik gevonden. Het opschrijft vertelt ons dat de kruik uit Duitsland afkomstig is. Er zijn in ons land meerdere van deze kruiken opgedoken, maar de legende zegt dat zo’n kruik voor de voordeur alle heidenen verjaagt.

Het bos zelf is gevormd door oude moerassen en door de mens. Karakteristiek zijn de zandverstuivingen die her en der voorkomen en de buurtschappen Steenoven en Seters. Deels zijn die ontgonnen voor landbouw of, vaker nog, voor het uitsteken van leem voor de voormalige steenfabrieken in Dorst en later Vijf Eiken. Een deel van de zandvalktes bij Seters zijn kaal gekapt door Prins Frederik, de tweede zoon van de latere koning Willem I. Hij wilde het gebied begaanbaarder maken. Een deel van de bossen heten niet voor Frederiksbossen. Momenteel heb je er een prachtig uitzicht en leent ze berg zich goed om in te spelen.

In de prehistorie is het gebied Het Moerken bewoond geweest. In de loop der eeuwen is het vervallen tot moeras. Later werd er turf gestoken. Momenteel heeft Staatsbosbeheer het gebied geprobeerd te herstellen, waaronder het terugbrengen van de moerputten.

 

Recreatie

Het bos is dus in de loop van de eeuwen voor veel doeleinden gebruikt. Begin 18e eeuw bijvoorbeeld ook voor militaire oefeningen, wat we ons misschien nu in het cadettenkamp nog kunnen voorstellen.

Pakweg de laatste eeuw is het bos vooral door Staatsbosbeheer beheerd. Vanaf 1899 bestond het bos vooral uit grove den. Jarenlang is het gebied veel gebruikt voor de houtproductie. In de jaren ’70 nam de grootschalige recreatie toe. Momenteel is daar vooral sprake van. Het beheren van de bossen is minder gefocust op de productie van hout, wat de variëteit en de speelsheid van het bos ten goede komt.

Momenteel wordt er volop gewandeld, gefietst, geruiterd, gemoutnainbiket, gevist, gefilosofeerd, geschreven, gegeten en gedronken, gefotografeerd, etc…. maar niet meer gezwommen.

 

Surae

De meest bekende en bewust opgezette recreatieve is uiteraard Surae, dat in 1927 haar deuren openden met een ‘kuitenbad’. Het bestond uit twee baden die simpel met rietmatten gescheiden waren. Aan de wieg van de opzet stond de Bredase zwemleraar Kuit. Hij heeft de zwemgelegenheid tot ontwikkeling gebracht. Hij heeft er tot 1957 leiding gegeven. Surae dankt zijn naam aan hem: ‘kuit’ als deel van het been luidt in het Latijn ‘sua’ en van dit woord heeft men de Latijnse meervoudsvorm ‘surae’ gekozen. Momenteel is het recreatieve bad als zwemwater gesloten en teruggegeven aan de natuur.

 

Rupsen

Zo nu en dan grijpt de natuur een beetje in. Een recent voorbeeld stamt uit 1994. Het bos werd geplaagd door miljoenen rupsen. Het waren geen eikenprocessierupsen, maar zigeunermotten. Grote delen van het bos werden in zeer korte tijd kaalgevreten. Er was geen stofzuiger met voldoende zuigkracht om de constante toestroom van de kleine wormige beesten een halt toe te roepen. Foto’s van deze ‘auto met rupsbanden’ van de familie Geurts haalde zelfs de Telegraaf van 20 juni 1994.

Er zal (hopelijk) altijd een harmonieus samenspel blijven tussen de ontwikkeling van natuur, recreatie en ‘industrie’. Dat houdt het bos levendig en bij de tijd.

SWV In The Picture: SWV Helmond-Peelland VO

PO-Magazine

In het samenwerkingsverband Helmond-Peelland VO werken 25 scholen voor het voortgezet (speciaal) onderwijs nauw samen in negen (deel)gemeenten in de regio Helmond. In totaal zitten er ruim 14.000 leerlingen op de scholen. Directeur Marja van Leeuwen vertelt over de kracht van het samenwerkingsverband en de samenwerking met primair onderwijs.

“Wat belangrijk is in ons samenwerkingsverband is dat we heel duidelijk zijn in hoe we werken. Als er iets aan de hand is op een school, dan neemt de zorgcoördinator van de betreffende school met ons contact op. Dat gaat telefonisch of door een aanvraag via onze software-applicatie te doen.

Als een aanvraag binnenkomt, kijken we naar de ondersteuningsvraag. Naar aanleiding daarvan beslissen we wat er nodig is. We formuleren ook wat de ingezette ondersteuning moet gaan opleveren en wanneer we dat resultaat mogen verwachten. Soms zijn er relatief eenvoudige aanvragen”, legt Van Leeuwen uit. “Maar zeker in het voortgezet onderwijs zijn er ook leerlingen die helemaal vastlopen en dan is de aanvraag complex. In die gevallen volgt er een gesprek met de adviescommissie toewijzingen (ACT). Voor dat gesprek nodigen we ook de ouders en de leerling zelf uit.”

Deze gesprekken vinden altijd op woensdag plaats. Dit als voorbeeld van de heldere werkafspraken. De gesprekken vinden gegarandeerd plaats binnen twee weken nadat de aanvraag door de ACT is ontvangen. Ouders hebben toegang tot de aanvraag zoals die is ingediend bij de ACT.

Tijdens dat gesprek komt op tafel wat er aan de hand is en of dat probleem door alle partijen wordt herkend. De voorzitter breidt de ACT uit met specifieke deskundigheid (denk daarbij bijvoorbeeld aan experts op het gebied van jeugdhulp of hoogbegaafdheid) als zij dat nodig vindt. “Kenmerkend voor deze gesprekken is dat er goed naar elkaar wordt geluisterd en respectvol met elkaar wordt omgegaan”, vertelt Van Leeuwen. In een dergelijk gesprek zal de voorzitter eerst met de aanwezigen het probleem scherp proberen te krijgen. En als daarover overeenstemming is, wordt gezamenlijk gezocht naar mogelijke oplossingen. Alle partijen aan tafel hebben hierin een stem. Van Leeuwen: “Daar gebeurt vaak heel veel. Het zijn meestal goede gesprekken die vrijwel altijd in harmonie worden afgesloten. Ik ben daar wel trots op. Van de duizend aanvragen die we jaarlijks krijgen zijn er veel administratief af te handelen, maar er zijn ook wel veel gesprekken. Elke week pakweg acht. Dat betekent dat de adviescommissie goed werk verricht en het voor elkaar krijgt om een sfeer neer te zetten waarin iedereen zijn woord mag doen om het probleem en de mogelijke oplossingen boven tafel te krijgen.” Direct gevolg van deze werkwijze is dat er geen bezwaren zijn en nauwelijks klachten. “Dat gesprek met alle betrokken partijen is iets wat ik iedereen aan zou kunnen raden, zelfs als er ogenschijnlijk (nog) niet veel aan de hand lijkt te zijn. Het blijkt steeds weer dat de deelnemers aan het gesprek bijna altijd intuïtief al langer wisten dat iets niet goed zat. Het is juist dan belangrijk om elkaar snel te vinden. Zo voorkomen we dat belemmeringen die in eerste instantie nog niet problematisch zijn veel te lang blijven bestaan en mogelijk uitgroeien tot veel grotere problemen. Heldere communicatie levert heel veel op.”

 

Communicatie

Als voorbeeld van niet heldere communicatie noemt Van Leeuwen het gesprek tussen school en ouders, waarin door school gezegd wordt: hij doet het goed op school. Als een leerling dan op school minder goede cijfers haalt dan ouders hadden verwacht, is er teleurstelling. Als je daarover doorvraagt blijkt dat de school die gezegd heeft ‘hij doet het goed op school’, hiermee vooral bedoelde dat het ‘zo’n leuk joch is’. Van Leeuwen: “Wees duidelijk en expliciet in wat je wilt zeggen en check of de boodschap goed is overgekomen.”

Van Leeuwen ervaart een soort taboe op het benoemen van eventuele beperkingen. Hierdoor komt bijvoorbeeld een onderwijssoort als praktijkonderwijs volgens haar soms in het verdomhoekje. “Dat vind ik jammer. Leerlingen voor wie dit de passende onderwijssoort is, leven er vaak op en vinden daarna mooi werk dat bij ze past. We kunnen veel leren van het kijken naar de talenten die leerlingen wèl hebben en deze op waarde schatten. Willen we leerlingen die koste wat het kost vmbo halen, terwijl ze liever buiten spelen? Of willen we leerlingen die doen waar ze blij van worden en succeservaringen hebben? We moeten niet zeggen: ‘hij moet een niveau lager’, maar ‘praktisch onderwijs past beter bij deze leerling dan theoretisch onderwijs’. Er zijn mensen die liever werken met het hoofd en anderen die liever werken met de handen. Bovendien is het in ons land zo geregeld dat je altijd verder kunt leren als je dat op een later ogenblik zou willen. Ga weg van dat laag- en hooggeschoold. We hebben niet alleen dokters nodig, maar ook loodgieters.”

 

 

PO – VO

Goed op weg helpen

Het contact tussen het po en het vo wordt door Van Leeuwen als goed ervaren: “Ik ga elk jaar met mijn collega uit het po op pad langs alle besturen en intern begeleiders van de po-scholen. We gaan in gesprek over wat we samen het komende jaar gaan doen. Daar krijgen we terug uit de scholen wat er speelt. Wij vinden het belangrijk dat iedereen in de regio die wat met onderwijs te maken heeft, weet dat wij ons inzetten voor een doorlopende leer- en ondersteuningslijn. Dat geven we vorm door bijvoorbeeld Vast en zeker naar het vo. Dit is een virtuele gereedschapskist waarin allerlei hulpmiddelen zitten die ouders en leerkrachten van kinderen uit het primair onderwijs helpen bij de voorbereiding op een prettige en duurzame overstap naar het voortgezet onderwijs. Daarnaast spreken we elkaar zeer regelmatig en onderhouden we samen contacten met gemeenten om te komen tot goede afstemming als het gaat om zaken als inzet jeugdhulp, leerplicht, leerlingenvervoer, enzovoort. De regio waar wij in mogen werken kent een lange traditie van samenwerken en dat is voor een samenwerkingsverband bijzonder prettig.”

Verdwaald in de natuur? Zo kom je thuis

De natuurgebieden om ons heen zijn uitgestrekt. Stel nu dat je op een dag zó enthousiast aan het wandelen bent, dat je de weg terug niet meer weet en je telefoon met een kaartenapp daarop ook nog eens leeg is, wat dan? Het boek De natuur als kompasvan de Britse wandelaar en navigatie-expert Tristan Gooley kan je helpen met bomen, vogels, de zon en het weer.

Er is al veel op te maken aan de stand van de zon. De zon komt op in het oosten en gaat onder in het westen. In het midden van de dag staat de zon dus in het zuiden, je schaduw wijst dan dus naar het noorden. Op die manier kun je ongeveer bepalen welke richting je verder moet.

Wanneer het donker is kan de maan je op weg helpen. Wanneer je de maan ziet, trek je vanaf de bovenste punt (zowel bij een halve als bij een volle maan) een rechte lijn naar beneden. Daar is, in Europa althans, ongeveer het zuiden. Dat geldt op elk tijdstip van de nacht. Als je geen maan ziet kunnen de sterren wellicht helpen. Zoek daarvoor de steelpan, ook wel grote beer genoemd. Wanneer je de afstand tussen de laatste twee sterren vijf keer doortrekt zie je de poolster (polaris). Die staat pal in het noorden.

Is het donker en/of bewolkt, waardoor je dus geen sterren, geen maan en geen zon ziet: laat de natuur om je heen de weg wijzen. Bomen bijvoorbeeld, hebben in principe de meeste en grootste takken aan de zuidkant. Dat is de zonkant en aan die kant is dus het meeste zonnewarmte op te halen. Ook beschermen bomen hun stam aan die kanten het meest. De takken aan de noordkant groeien meer verticaal, omdat ze hopen bovenaan nog een beetje zonlicht op te kunnen pikken. De toppen wijzen naar de richting waar de meeste wind vandaan komt, dat is het zuidwesten.

Zelfs het weer kan je hints geven. Vaak waaien de wolken urenlang in dezelfde richting. Let dus voordat je het bos ingaat, waar de wolken naartoe waaien. Bovendien stapelen ze zich vaak op boven dorpen en steden, dat kan ook een hint zijn. En mocht de wind toch draaien, zoek dan een combinatie van bovenstaande factoren om zeker te weten dat je goed zit.

Op naar een onbezorgde wandeltocht door het herfstbos. Want verdwalen is er niet meer bij.

SWV in the picture: SVW Utrecht PO

PO-Magazine

Binnen het Samenwerkingsverband Utrecht PO vallen ruim honderd basisscholen. Daarnaast zijn er nog vier speciale basisscholen en zes so-scholen. In totaal wordt er onderwijs gegeven aan ongeveer 31.000 leerlingen. Er zijn achttien schoolbesturen, die elk met een lid vertegenwoordigd zijn in het bestuur van het samenwerkingsverband. Dat bestuur wordt geleid door een onafhankelijke technisch voorzitter. De middelen worden verdeeld via een expertisemodel. Er gaat een fiks bedrag per leerling naar de scholen om de basisondersteuning te kunnen bieden. Er is een groot expertiseteam beschikbaar met consulenten passend onderwijs. De stad is verdeeld in vijf wijken, die in grote lijnen samenvallen met de buurtteams. De scholen in die wijken worden bediend door vier of vijf consulenten per wijk, afhankelijk van de vraag in samenwerking met kernpartners. De consulenten volgen de vraag van de scholen.

Wanneer een vraag de basisondersteuning overstijgt, wordt het expertiseteam benaderd. Er wordt dan een startgesprek gevoerd waar de precieze hulpvraag in kaart wordt gebracht. Dan zijn meteen alle betrokkenen aanwezig, van consulent tot kernpartner en van intern begeleider tot ouder.

Het bestuur van het samenwerkingsverband legt in een nieuw ondersteuningsplan de nadruk op samenwerking. Die samenwerking gaat uit naar schoolbesturen, kernpartners, ouders en leerlingen. Jetta Spaanenburg is sinds twee jaar directeur en geeft ons een inkijkje in het nieuwe ondersteuningsplan, waarin verbinding belangrijk is en de woorden ‘vertrouwen’, ‘vrijheid’ en ‘verantwoordelijkheid’ centraal staan en gestalte krijgen. Spaanenburg: “De wettelijke opdracht is hetzelfde, maar hoe je die inkleurt en uitvoert is verschillend, maar wel heel belangrijk.”

 

Nieuw ondersteuningsplan

Het ondersteuningsplan is een zorgvuldig opgemaakt boekwerk met relatief bondige teksten die richting geven aan het doel. “We dragen met dit plan bij aan het versterken van passend onderwijs, het verbinden van de partners en we tonen de moed om te vernieuwen”, vertelt Spaanenburg trots. “We willen het document simpel houden en vooral ook realistisch en tegelijk ambitieus zijn in de doelen die we stellen.” Verbinding is daarbij de bouwsteen. “Toen ik in dit SWV begon was iedereen hard en bevlogen met heel goede dingen bezig, maar er was meer verbinding nodig. Dat helpt om tot een maximaal resultaat te komen in het behalen van de doelen.”

Na haar aanstelling is Spaanenburg met veel mensen gaan praten, mensen in alle hoeken van passend onderwijs. Daar constateerde ze dat er vaak relevante samenwerking miste. “Aan de hand van die gesprekken heb ik een actieplan gemaakt, een tien puntenprogramma dat als kapstok fungeert”, blikt Spaanenburg terug. “We hebben geïnvesteerd in goed naar elkaar luisten om ertoe te komen wat er nodig is in Utrecht. Zo hebben we zaken opgepakt die eigenlijk al klaarlagen en daar ook nieuwe onderwerpen aan toegevoegd.” Wat er bijvoorbeeld al klaarlag was een vraag om iets te doen op het gebied van hoogbegaafdheid, daar is een visie en een plan voor gemaakt waar alle verschillende lagen (basis-, extra- en speciaal onderwijs) mee uit de voeten kunnen.

 

In Utrecht wordt de opvatting ‘gewoon doen wat nodig is’ heel belangrijk gevonden. “Daar zijn we van doordrenkt”, zegt Spaanenburg. “Dus niet dat er voor het eerste gesprek al een opp moet zijn of iets dergelijks. Bij het startgesprek gaan we meteen kijken wat de vraag is, maar we kijken ook wat er eventueel al gebeurd is. Dan doen we geen dingen dubbel. We gaan direct al kijken wat het meest handig is om tot een geschikte oplossing te komen. In een latere fase, als we aan arrangementen beginnen, is een opp nodig. Maar we gaan niet meteen op de administratie zitten.”

Als de hulpvraag klaar is, kan de leerling of gewoon weer door of er volgt een analyse- en ondersteuningstraject. Dat gebeurt in samenwerking met de consulent. “Het kan zijn dat daar een investering van buiten voor nodig is. Wij bekostigen de arrangementen van de externe aanbieder wel”, legt Spaanenburg uit. “We voeren ze niet zelf uit, maar we zijn wel als coach of meedenker betrokken. Dan weten we of we nog steeds iets doen dat aansluit bij de vraag en we kunnen als het nodig is ook tussentijds het traject bijstellen.” Het systeem is zo opgezet, dat de school al snel een hulpvraag kan stellen en dit niet meer doet aan het einde van een traject wanneer ze ten einde raad is.

 

Basisondersteuning

Er is geen harde grens in wat er onder basisondersteuning valt en wat niet. Er was een standaard voor basisondersteuning, maar die was te weinig concreet. Een breed samengestelde werkgroep is gaan onderzoeken hoe de basisondersteuning scherper neergezet kan worden. Die werkgroep is typerend voor de manier waarop er wordt samengewerkt om samen vooruit te komen. Per wijk zijn er afspraken gemaakt en werksessies gehouden, zodat scholen meer van elkaar te weten kunnen komen en weer een actueel schoolondersteuningsprofiel konden maken.

Stedelijke afspraken over basisondersteuning zijn via die werkgroep op wijkniveau ingevuld. “Door op het gebied van basisondersteuning samen met de wijk afspraken te maken, krijg je een heel fijne dynamiek”, zag Spaanenburg. “Je bent niet alleen als schoolbestuur ergens mee bezig, maar breder en wel in dezelfde wijk. Scholen gaven aan vaker samen, als wijk, te willen praten of nadenken over onderwerpen. Dat creëert eenzelfde soort bedoeling en een zelfde kader. We maken kwaliteitskaarten om scholen te helpen op eenzelfde manier om te gaan met de kaders. Zo is er bijvoorbeeld kwaliteitskaart over het organiseren van een startgesprek of het inwerken van een nieuwe medewerker. Op het gebied van verbinden en kennisdeling, daar zie ik een rol voor het samenwerkingsverband. Zo kunnen we de schooloverstijgende rol nog mooier maken. We proberen handvatten te geven zodat duidelijk is wat er wordt verwacht, maar we geven ook de vrijheid om daarbinnen gewoon te kunnen doen wat nodig is, in vertrouwen, vrijheid en verantwoordelijkheid.”

SWV in the picture: Samenwerkingsverband Primair Onderwijs 30 06 (regio Oss/Uden /Meijerijstad)

PO-Magazine

Samenwerkingsverband Primair Onderwijs 30 06 ligt in Noordoost-Brabant en strekt zich uit in de gemeenten Oss, Uden, Meierijstad (behalve Schijndel), Bernheze en Landerd. Het verbindt daar 14 schoolbesturen met in totaal 95 basisscholen. Drie daarvan zijn scholen voor speciaal basisonderwijs en vijf voor speciaal onderwijs.

De algemene ledenvergadering bestaat uit de deelnemende besturen. Zij hebben in principe een toezichthoudende rol. Verder is er een kwaliteitscommissie en een auditcommissie. De Ondersteuningsplanraad is het medezeggenschapsorgaan van het samenwerkingsverband. Naast onderwijsprofessionals zijn ook ouders hierin goed vertegenwoordigd. Joris Elbers belichaamt sinds twee jaar het dagelijks bestuur. Hij vertelt over zijn samenwerkingsverband.

“Sinds mijn aantreden twee jaar geleden is er in het samenwerkingsverband een beweging gaande die wordt gekenmerkt door een enorm enthousiasme en een enorme verbinding met elkaar”, vertelt Elbers. Die beweging is op gang gekomen bij het gezamenlijk ontwikkelen van een nieuwe visie over het vormgeven van passend onderwijs. “Toen ik hier kwam lag er een boekwerk van 80 pagina’s te verstoffen. Niemand wist eigenlijk wat ermee moest gebeuren. Dat moest anders. Zonder gedeelde en gedragen visie is het onmogelijk om samen een beweging te realiseren.”

 

Verbinding

Bij de start als bestuurder begon Elbers met ‘lijntjes leggen’. “Ik vind het belangrijk dat we werken vanuit verbinding met elkaar. Die verbinding is nodig omdat we de gezamenlijke opdracht hebben om passend onderwijs te realiseren. Onze ambitie realiseren kan alleen als we samenwerken. Ons samenwerkingsverband is geen aparte geld schuivende organisatie of een organisatie die alleen maar toelaatbaarheidsverklaringen afgeeft. Wij zijn een netwerkorganisatie die aangesloten besturen en alle partners zo samenbrengt, dat we ook vorm kunnen geven aan passend onderwijs.”

De volgende stap was het voeren van de dialoog met allerlei betrokkenen over de ambitie van het samenwerkingsverband voor de komende jaren. “Dat deden we in verschillende panels. Een voor ouders, een voor professionals, een voor bestuurders en een voor ketenpartners. Ik wilde er ophalen waar we nu staan, waar we naartoe willen en hoe we dat willen bereiken. Hierdoor kwam er een gezamenlijke beweging op gang, doordat iedereen invloed had op de vraag waar de nieuwe visie naartoe gaat.” De input werd verwerkt tot een nieuw ondersteuningsplan. “We hebben er een leesbaar een aansprekend boekje van gemaakt, in plaats van alleen maar een dik pak papier.” In het midden van het ondersteuningsplan staat een infographic die helder en inzichtelijk antwoord geeft op de vraag: ‘hoe ziet passend onderwijs er in ons samenwerkingsverband uit’? Daar is ook weer een animatiefilmpje van gemaakt, zodat ook online dezelfde boodschap gedeeld wordt. “Dat inzichtelijk maken heeft er echt toe bijgedragen dat we met elkaar een gevoel krijgen waaraan we werken”, zegt Elbers trots.

 

Kind centraal

Toen de nieuwe visie er was, werd het tijd voor de volgende stap. “We hebben met elkaar afgesproken dat we niet teveel kijken naar allerlei landelijke verwijspercentages en andere cijfers, maar ons focussen op het kind. We kunnen wel ontzettend gaan sturen op het omlaag brengen van de speciaal onderwijspercentages, maar dan doen we niet per se het goede voor het kind. En dat laatste is wel waar we als samenwerkingsverband uiteindelijk voor zijn. Dus stellen we elkaar een andere vraag: wat heeft het kind echt nodig? Welke ondersteuning en op welke plek?” Dan geven we echt vorm aan passend onderwijs. Het is mooi om te zien dat betrokkenen dit als een gemeenschappelijke opdracht zijn gaan ervaren en dat er op inhoud gesproken wordt, in plaats van alleen op getalletjes.”

Het samenwerkingsverband heeft dus forse stappen gezet. Het geheim achter dit ‘succes’ noemt Elbers de duidelijke visie die het samenwerkingsverband heeft, gecombineerd met verbindend leiderschap. Een verbindend leider weet de partijen bij elkaar te brengen, verder te laten kijken dan het eigen belang en hen zich aan de gedeelde visie te laten committeren. Een belangrijke bouwsteen ligt ook bij de schoolbesturen. “Zij hebben in de governance moeten durven zeggen: we stellen een onafhankelijk bestuurder aan die we de ruimte geven om het samenwerkingsverband te sturen.” Elbers is die bestuurder. “Dat de besturen een stapje terug hebben gedaan in het samenwerkingsverband heeft een belangrijke rol gespeeld. Ik heb keuzes kunnen maken die zij nooit hadden gemaakt als ze in het bestuur hadden gezeten. Dan hadden ze namelijk in hun eigen budgeten moeten gaan snijden.”

 

Communicatie en visualisatie

Om de visie echt te laten slagen zijn communicatie en visualisatie cruciale instrumenten. Elbers: “We zorgen er steeds voor dat we dezelfde boodschap in begrijpelijke taal delen, via allerlei kanalen. De kracht zit in herhaling en in het aanspreken van professionals en ouders. Zo heeft elke school een poster opgehangen met de ondersteuningsstructuur erop. Ons jaarplan staat ook op één poster en heeft acht duidelijke speerpunten, met daarbij uitgewerkt wat we gaan doen. Via onze digitale nieuwsbrief, die goed gelezen wordt, delen we regelmatig waar we, dus ook de scholen, mee bezig zijn. We geven met filmpjes en interviews een gezicht aan de mensen van het samenwerkingsverband. Dit alles zorgt ervoor dat we steeds werken aan verbinding en aan het delen van onze gezamenlijke opdracht. Dat het werkt blijkt wel uit de reacties uit het veld en de hoge opkomsten als we bijeenkomsten organiseren.”

Het grootste compliment dat Elbers in de afgelopen twee jaar heeft ontvangen kwam bij het afkondigen van de coronamaatregelen, medio maart. “Vanuit verschillende kanten kwam de vraag hoe het samenwerkingsverband kan ondersteunen het onderwijs goed kunnen vormgeven op afstand voor kinderen met een ondersteuningsbehoefte. Dat is een compliment omdat het precies ingaat op het systeem: ‘hoe kunnen we het onderwijs en dus ook passend onderwijs met elkaar vormgeven’.” Binnen twee dagen werd met een klein team www.passendonderwijsthuis.nl opgezet. Een website waarop ouders en professionals volop informatie kunnen vinden over passend onderwijs thuis en waarbij specialisten uit het hele land  betrokken worden om kennis te delen. En met een bijbehorend platform waar ouders, leerlingen en professionals tips kunnen plaatsen of vragen kunnen stellen. “Dat is een mooi voorbeeld van wat we nastreven. Niet eindeloos vergaderen, maar gaan doen, omdat daarmee de leerling het meeste geholpen is. En niet blijven kijken binnen onze eigen regio, maar ook de verbinding zoeken met partijen daarbuiten. Passend onderwijs is immers een opdracht van en aan ons allemaal.”

Passend onderwijs thuis: Een revolutie ontketend?

PO-Magazine

In de dagen en weken na 16 maart heeft het onderwijs laten zien hoe wendbaar het is. In plaats van overwegend traditioneel les in een klaslokaal, kregen tienduizenden leerlingen van de ene op de andere dag les op afstand. Plotseling belandde het onderwijs in een enorme (digitale) revolutie. “Het is alsof we in één weekeind van 2020 in 2030 zijn beland”, analyseerde Christien Bok, onderwijsvernieuwer bij ICT-organisatie Surf de inhaalslag van onderwijs op afstand. Allerlei initiatieven kwamen op, zowel onderwijsinhoudelijk als in het beschikbaar stellen van ICT-middelen. Medio mei mogen de leerlingen mondjesmaat weer naar school, maar wat leren we van de weken ervoor? En wat blijft er over uit die tijd?

 

Het is de vraag hoe de leerlingen terugkeren in het normale schoolstramien. Vooral voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte kunnen er achterstanden ontstaan zijn. Het is ook mogelijk dat deze leerlingen juist houvast hebben aan de middelen die zij hebben leren gebruiken tijdens de coronacrisis. Overigens stelde het ministerie een budget van 244 miljoen euro beschikbaar dat het basis- en voortgezet onderwijs kan gebruiken voor het terugdringen van onderwijsachterstanden.

Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) ondernam actie op de vraag hoe leerlingen goed op afstand bediend kunnen worden. Zij ontwikkelde hiervoor een platform. De onderwerpen prioriteiten, kwaliteit, ICT en thuiswerkopdrachten kregen de aandacht.

“Vanaf dag één van de crisis ontstond bij een collega en bij mij de wens om kwalitatief goed materiaal beschikbaar te stellen voor leerlingen, dat aansluit bij doelen binnen vakken als rekenen en taal. Daar hebben we later nog wereldoriëntatie aan toegevoegd. Ons idee was dat dit materiaal hierna ook nog jaren gebruikt zou kunnen worden voor thuisonderwijs”, vertelt Matthijs Driebergen van de SLO. Samen met SchoolTV en KidsWeek werd allerlei (gratis) lesmateriaal voor thuis ontwikkeld en beschikbaar gesteld. Driebergen: “Dit materiaal is bedacht vanuit doelen en leerlijnen, maar het is wel materiaal dat leerlingen min of meer zelfstandig kunnen gebruiken. We willen de stof echt breed benaderen, met daarbij ook uitdrukkelijk aandacht voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften. Leraren kunnen het inzetten om toch aan taal- en rekendoelen te werken en daarnaast iets anders aan te kunnen bieden als wereldoriëntatie vanuit de actualiteit. Ons aanbod gaat niet zozeer in op het organiseren van een losse les of een los doeltje. Het gaat ons erom dat je de dingen die je doet ook goed beredeneerd doet en dat ze het liefst ook passen binnen meerdere leergebieden of vakken. Zo hebben we een verbinding gemaakt tussen rekenen en wereldoriëntatie of taal en kunstzinnige oriëntatie bijvoorbeeld. Dat zorgt er ook voor dat het voor leerlingen aantrekkelijk blijft. Leerlingen hoeven dan niet eindeloos alleen maar tafelsommen te maken of iets dergelijks. En naast technisch lezen hebben we ook gewoon leuke inhoud erbij zitten.”

Dit idee resulteerde in een centrale pagina op de website van de SLO (slo.nl/thuisonderwijs). Vanuit allerlei gebieden binnen de stichting werden materialen toegevoegd. “Bijvoorbeeld passend onderwijs, so en vso droegen materialen aan”, blikt Driebergen terug. Dit zorgde voor een enorme groei, vertelt hij. “Er staat nu veel meer op dan alleen materiaal over de genoemde vakgebieden. Er is bijvoorbeeld informatie over digitale ontwikkeling, maar er zijn ook tips voor het begeleiden van leerlingen op afstand. En zo bouwen we elke week verder. We brainstormen met onze partners over de thema’s die we willen gebruiken en welke lessen daarbij aangeboden kan worden. Zo groeit het aanbod.”

Behalve het sec aanvullen van aanbod wordt er ook gekeken naar prioritering. Stel dat er langere tijd les op afstand gegeven moet worden, waar liggen dan de prioriteiten in groep 1, groep 2, etc.? “Daarover zijn we met de PO-Raad en het ministerie in gesprek”, vertelt Driebergen. “Aan de statistieken van onze pagina zien we dat er behoorlijk veel gebruik wordt gemaakt van tips en aanwijzingen. Er blijkt veel animo te zijn voor aanbod dat we hebben opgesteld voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften en voor het speciaal onderwijs.”

 

Wat houden we over aan deze ervaringen?

Vanwege de privacy hebben we wekenlang in een beveiligde omgeving gewerkt. We hebben kunnen leren dat dit mogelijkheden schept die we kunnen inzetten in ons dagelijks onderwijs. We hebben kunnen leren dat ondanks strenge eisen op het gebied van privacy en beveiliging, er van alles mogelijk is om toch onderwijs op afstand te kunnen bieden. Dit kan hulp bieden aan bijvoorbeeld zieke leerlingen of leerlingen die op een of andere manier niet mobiel zijn, dit is voor ouders interessant en het zou in bepaalde gevallen thuiszitters binnenboord kunnen halen, omdat zij op afstand kunnen instromen. Het veranderen in denken over onderwijs op afstand is blijvend, we hebben het nu immers gedaan. We hebben nu de urgentie gevoeld en raken er wat meer bedreven in. Zo schrijft Bok in De Volkskrant (3 april 2020): “Onbekend maakt onbemind. Waar veel docenten eerder niet dachten dat allerlei techniek (op afstand) hun onderwijs zou verbeteren, hebben ze nu kunnen ervaren wat er mogelijk is. Het is zeker niet de bedoeling dat volledig online onderwijs straks de norm wordt. Idealiter maken we met z’n allen een afgewogen keuze welke onderwijsonderdelen zich goed lenen voor online en in welke vorm. Ik kan me niet voorstellen dat dit géén katalysator zal zijn om de mogelijkheden van digitalisering hierna op grotere schaal een plaats te geven in het onderwijs.”

Hoewel veel leraren aangeven hun leerlingen al snel te missen als zij op afstand deelnemen, zal een deel van de opgedane ervaring een plaats krijgen in het onderwijs vanaf nu.

 

Ook Driebergen voorziet niet dat we het licht van het digitale onderwijs of het onderwijs op afstand nu zo hebben gezien, dat we niet meer terug willen. “Je ziet dat een groot deel van het onderwijs niet draait om de lesstof, maar om de relatie tussen leraar en leerling en leerlingen onderling bijvoorbeeld.” Maar van de onderdelen die nu worden opgezet zal een deel ook blijvend zijn. “We gaan door met bijvoorbeeld het prioriteren van lesmateriaal en lesstof voor de verschillende groepen. Alleen al omdat scholen de komende periode tijd tekortkomen om alles te behandelen. Zij zullen keuzes moeten maken. Onze pagina kan leraren daarin faciliteren.” Op de langere termijn is er nog een verandering. Driebergen: “Leraren en leerlingen hebben noodgedwongen kennisgemaakt met leren via allerlei devices, maar ook met een enorme diversiteit aan bronnen, zoals Klokhuis, YouTube, SchoolTV en verzin het maar. De ervaringendie zij opdoen, zullen ook na deze crisis gebruikt gaan worden op school en thuis. Met bijvoorbeeld korte instructiefilmpjes kunnen ouders hun kinderen thuis ook helpen met de lesstof. Er is de afgelopen weken in elk geval een enorme creativiteit losgekomen, van groep 1 tot in groep 8.”

 

VOORBEELDEN

Er zijn tal van goede voorbeelden van digitaal onderwijs ontwikkeld, dit jaar en ook al eerder. Enkele bronnen voor onderwijs op afstand aan leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften lichten we eruit.

 

Samen passend onderwijs realiseren

Het samenwerkingsverband in Oss en omstreken doet zijn best om passend onderwijs te realiseren op een gezamenlijke manier. In dat kader lanceerden zij de website www.passendonderwijsthuis.nl, een platform met tips en tools om leerlingen die ondersteuning nodig hebben op afstand van goed onderwijs te voorzien.

“Om scholen te ondersteunen zijn we dit eigen platform begonnen. De leerlingen met ondersteuningsbehoeften zitten, net als iedereen, thuis. Iedereen is aan het zoeken wat we daarmee moeten. Om een antwoord te bieden hebben we verbinding gezocht met het LPO, de PO-Raad, het NJi, de sectorrraad VO, het ministerie, etc. Men is dit bericht gaan delen. Hierdoor komen er specialisten uit het gehele land op onze website, die vragen stellen. Het gaat niet meer alleen om onze eigen regio of onze eigen leerlingen, maar om passend onderwijs voor alle leerlingen”, stelt directeur van het samenwerkingsverband Joris Elbers.

 

Lesopafstand.nl

Op lesopafstand.nl is betrouwbare informatie te vinden over het inzetten van ICT ter ondersteuning van onderwijs op afstand. Ook vind je een overzicht van toepassingen, leermiddelen en leveranciers. Deze link is nuttig voor leerlingen met een speciale ondersteuningsbehoefte.

po.lesopafstand.nl en ouders.lesopafstand.nl

 

Steffie

Uitleghulp Steffie legt moeilijke informatie op een eenvoudige manier uit. De website is speciaal bedoeld voor mensen met een verstandelijke beperking en laaggeletterden.

www.steffie.nl

 

 

EMB en thuisonderwijs

Op deze Wikiwijs zijn tips en ideeën van leerkrachten, ouders en leerlingen te vinden ter inspiratie voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking.

maken.wikiwijs.nl/160264/EMB_en_thuisonderwijs

 

Zintuigenverhalen van Kentalis

Een vorm van voorlezen waarbij foto’s, pictogrammen en gebaren worden gebruikt. Maar het belangrijkst is dat de zintuigen geprikkeld worden. Er is iets te zien, te ruiken, te proeven, te voelen.

www.kentalis.nl/wetenschappelijk-onderzoek/communicatie-stimuleren-zintuigenverhalen

 

Taakaanpak

Hoe weet ik of ik goed gewerkt heb aan een taak? SamenWijzer heeft in pictogrammenaangegeven hoe je je eigen taak kan controleren. balansdigitaal.nl/wp-content/uploads/2020/03/Taakaanpak-Samen-Wijzer-Duin-en- Bollenstreek.pdf

 

Thuis zonder vakantie: 7 tips voor leerlingen met autisme

‘Geef me de vijf’ heeft een aanpak voor kinderen met autisme ontwikkeld en deze uitgebreid met een aantal thuistips.

balansdigitaal.nl/wp-content/uploads/2020/03/Geef-me-de-vijf-en-thuistips.pdf

 

Opnieuw droogte in de bossen

Waar de natuur (wij wel) in de winter niet te klagen heeft gehad over de hoeveelheid gevallen water, is het nu al weer weken zo goed als droog. Aan de bomen zie je dat niet zo goed in deze tijd. Die halen hun water van wat dieper en zijn als het goed is sterk genoeg om gewoon te ontkiemen. Hun tijd komt nog wel, als deze droogte aanhoudt.

 

Grassen, bloemen en kleinere planten hebben wel te klagen over de droge gronden. Het groeit minder snel en wie goed kijkt ziet soms als verdorring optreden. Dit wordt sterker als het nog even zo droog blijft. De meeste dieren hebben het voorlopig nog wel even goed. Zeker zolang ze veel minder last hebben van een heleboel rustverstoorders, nu de mensenwereld geteisterd wordt door het Coronavirus. Als erfenis uit de winter hebben de poelen in de omgeving hebben nog water. Al daalt het waterpeil met rasse schreden. Het waterschap schijnt na te denken over een verhoging van het grondwaterpeil, maar uiteindelijk is regenwater uit de lucht nodig.

 

Wist je overigens dat jij kunt bijdragen aan dit streven? Haal een paar tegels uit je tuin en plant of zaai er wat groen voor terug. De grond zal het water ook in jouw tuin absorberen, in plaats van afvoeren naar het riool. Zo kan ook jij een steentje bijdragen.

 

Hopelijk is bij het verschijnen van De Dorstlezer de coronatijd al zoveel mogelijk vaarwel gezegd en kunnen we weer volop genieten van de mooie natuur in onze omgeving. Maar let een beetje op de droogte en de bewoners. Gooi geen peuken zomaar weg en bedenk dat de vogels aan een rustig voorjaar zijn gewend en hun nesten tot 1 juli gebruiken om hun nakomelingen uit te broeden. Daarin worden ze niet graag gestoord.

 

Dit artikel verscheen in De Dorstlezer, editie 3, 2020.

SVW in the picture: POZV – Passend Onderwijs Zeeuws-Vlaanderen

Het samenwerkingsverband Passend Onderwijs Zeeuws-Vlaanderen bestaat uit 50 scholen en schoolbesturen, verspreid over heel het Zeeuws-Vlaamse grondgebied. In het gebied liggen drie gemeenten. Samen hebben de schoolbesturen in 2014 beschreven op welke wijze hun Samenwerkingsverband Passend Onderwijs vorm moet krijgen. Simpel, efficiënt, effectief en goedkoop. ‘Het zijn tenslotte Zeeuwen.’ Recent is er veel veranderd in de manier hoe het samenwerkingsverband omgaat met het beleid rondom passend onderwijs. POZV-directeur Quint Videler vertelt over hun samenwerkingsverband.

 

“Ons samenwerkingsverband is bij de opstart een beetje minimalistisch ingericht vergeleken met andere samenwerkingsverbanden nu”, vindt Videler. “Het verband was puur gericht op haar basistaken binnen passend onderwijs, maar niet meer dan dat. Ook qua personele bezetting zijn we altijd klein geweest.”

Sinds augustus is daar verandering in gekomen. “We hebben een nieuw team begeleiders passend onderwijs aangesteld, dat zich bezig houdt met de inhoud. Het ‘bemoeit’ zich meer met de scholen in het werkveld en met het beleid binnen passend onderwijs”, vertelt Videler. “Dat moet zich nog zetten. Het is voor de scholen nog even wennen en voor ons is het ook nog een beetje zoeken.

De wens om meer centraal en inhoudelijk aan de slag te gaan met passend onderwijs komt voort uit het feit dat bijvoorbeeld ambulant begeleiders te vaak enkel werden ingezet om een-op-een begeleiding te bieden aan leerlingen. “We bedoelen daarmee niet dat de begeleiding niet goed is of dat er geen nood meer aan is, maar met dit team willen we duidelijk wel iets anders doen. We richten ons met de begeleiders passend onderwijs veel meer op de klas, de leerkracht en de school. En zij helpen met het bouwen van bruggen tussen onderwijs en zorg en alle partijen die daarbij actief zijn.” Ook worden er bruggen gebouwd tussen de verschillende onderwijstypes die in de regio aanwezig zijn.

 

De regio is op een aantal punten een opmerkelijk gebied. “Qua geografie bijvoorbeeld”, legt Videler uit. “De afstand van oost naar west is te vergelijken met de afstand tussen Rotterdam en Amsterdam.” Ook de krimp in de regio en het feit dat ouders er geregeld voor kiezen om hun kind in Vlaanderen naar school te sturen maken de regio bijzonder. Videler: “Dat maakt het spannend om kleinere scholen in stand te houden, maar ook om ervoor te zorgen dat in elke gemeente het aanbod voor handen is dat daar nodig is. Je kunt kinderen lastig veertig kilometer laten fietsen naar een school die wel kan bieden waar zij op dat moment behoefte aan hebben. Als passend onderwijs ergens actueel is wanneer het om aanbod gaat, dan is het zeker hier. We proberen echt om thuisnabij alles aan te bieden. Samenwerking tussen verschillende schooltypes en uitwisseling van kennis en ervaring is daarbij heel belangrijk.” De aangestelde begeleiders passend onderwijs hebben als missie om de scholen te helpen elkaar op te zoeken en elkaar goed genoeg te leren kennen om samen tot oplossingen te komen.

 

Noodzaak

Een andere belangrijke reden om een team van deze begeleiders in het leven te roepen, was om scholen te helpen problemen in de klas meer preventief dan curatief aan te pakken. “Bijvoorbeeld als het gaat om gedrag, willen we echt op het preventieve inzetten en zorgen dat dit spoort met de onderwijsconcepten en dat de leraren erop worden toegerust om het steeds beter te doen.” Volgens Videler wordt het in Zeeuws-Vlaanderen steeds actueler om af te stappen van klassieke ideeën van het inrichten van het onderwijs. Hij noemt onder meer dat het idee van een campus voor onderwijs en zorg best voet aan de grond zou kunnen vinden. “De omgevingsfactoren dwingen ons meer dan in andere regio’s om aan de slag te gaan met dit soort ideeën, anders houden we ons aanbod niet dekkend.”

 

Team begeleiders passend onderwijs

Het team dat afgelopen zomer is aangenomen moet daar een belangrijke bijdrage aan leveren. “We bouwen aan een team van ‘ontwikkelaars’ die, naast dat ze kennis hebben van onderwijs en het begeleiden van leerlingen, worden omgevormd tot mensen die als adviseur of coach kunnen werken. Daar investeren we in.

Na de zomer was kwartiermaker René Peeters uitgenodigd in onze regio, die kijkt mee naar de pilots die zijn opgestart om de samenwerking tussen onderwijs en zorg te verbeteren. Onze begeleiders passend onderwijs werken ook mee aan deze pilots.

Het nieuwe team is recent regiobijeenkomsten gaan organiseren. Die zijn breder dan alleen het onderwijs. “Allerlei partners, zoals gemeenten, worden uitgenodigd. Maar in eerste instantie zijn ze bedacht voor de leraar”, aldus Videler. “Het hebben gemerkt dat het niet vanzelfsprekend is dat elke leraar goed weet wat er allemaal aanwezig is aan aanbod in de eigen regio. Niet iedereen weet bijvoorbeeld dat we ook een OPDC hebben en hoe dat dan werkt. Dat zijn heel basale dingen, maar die kennis is niet altijd bij iedereen nog actueel.” Door samen te komen ontstaan er volgens Videler altijd weer nieuwe contacten, nieuwe uitwisselingen en nieuwe ideeën. Inhoudelijk kan zo een bijeenkomst over veel uiteenlopende onderwerpen gaan: “De scholen krijgen altijd ook zelf het woord, zodat de bijeenkomsten voor de professionals en door de professionals zijn. Maar we hebben bijvoorbeeld ook een keer een organisatiefilosoof uitgenodigd. Die kijkt op een heel andere en verrassende manier naar hoe wij zaken neerzetten. We willen ieders ogen openen, breed kijken en ruim leren denken. Dat leidt tot een nieuwe, gezamenlijke insteek.”

 

Dit artikel verscheen in PO Magazine – editie 2, 2020.

Professional in de spiegel: omgaan met eigen reacties bij leerlingen

De onderwijsinspectie constateert dat de kansenongelijkheid toeneemt. Dat is reden voor schoolbesturen en samenwerkingsverbanden om met dit onderwerp aan de slag te gaan. In de regio Noord-Kennemerland leidde dit tot de pilot ‘Professional in de spiegel’. Het doel is om het reflectievermogen van de professional te verbeteren.

 

De aanpak focust zich op de relaties die we met leerlingen hebben. In de leraar heeft altijd een betere klik met de ene leerling dan met de andere. Dat mag er niet toe leiden dat de ene leerling meer kansen krijgt dan de andere. Om leerlingen wel dezelfde kansen te geven is het van belang dat de leraar zichzelf goed kent. Zo kan een positieve relatie met een leerling worden bevorderd. Om zelfinzicht te stimuleren is voor onderwijsprofessionals de werkwijze ‘Professional in de spiegel’ ontstaan.

Dit biedt de professional een kader waarbinnen hij kan nadenken over relaties met leerlingen, collega’s en ouders. In het bijzonder wordt de aandacht gericht op leerlingen met moeilijk gedrag. De ontwikkelaars van deze aanpak stellen dat gedragsproblemen het resultaat zijn van interacties tussen de leerling, de thuisomgeving en de schoolpraktijk. De leraar als persoon speelt hierbij een belangrijke rol. Allerlei persoonlijke opvattingen en overtuigingen worden via trainingen helder in beeld gebracht en tastbaar gemaakt. Die persoonlijke opvattingen worden ‘constructen’ genoemd.

De onderwijsprofessional wordt getriggerd zijn eigen constructensysteem te onderzoeken en na te gaan welke implicaties dit heeft voor zijn omgang met leerlingen. Dat gebeurt door aandacht te besteden aan intuïtie, theorie en reflectie.

 

De pilot

De aanpak bestaat uit twaalf stappen, die we kort uitleggen. De eerste zes stappen gaan over het omgaan en een plaats geven van de constructen. Vervolgens wordt in zes stappen ingegaan op de verwerking ervan. De informatie kan worden bijgehouden in het digitale programma IDA.

 

Stap 1: Inventariseren van persoonlijke constructen en tegenpolen

Deelnemers schrijven de namen van alle leerlingen met wie zij regelmatig werken op afzonderlijke kaartjes. Uit de stapel mag hij drie willekeurige kaarten trekken. Vervolgens kiest hij uit deze set de twee leerlingen die het meest met elkaar overeenkomen. De deelnemer stelt zich de vraag: “Waarin zijn deze leerlingen het meeste gelijk?” Het antwoord op deze vraag is een construct. Zo worden constructen bepaald. Wanneer de deelnemer geen nieuwe constructen meer bedenkt, formuleert hij per construct een tegenpool.

 

Stap 2: Beleven van persoonlijke constructen

 

De deelnemer formuleert bij elk construct zijn beleving ervan. Welke ervaart hij zelf als positief? De andere helft van het construct wordt daarmee de tegenpool.

 

Stap 3: Geven van een persoonlijke definitie aan het construct en de tegenpool

Elk construct en tegenpool krijgt een definitie, om het construct en de bijbehorende tegenpool duidelijker te maken. Elk construct kent per persoon namelijk verschillende implicaties. Het woord ‘druk’ betekent voor de een iets anders dan voor de ander. Dus is een omschrijving van een construct in eigen woorden belangrijk om wederzijds  begrip te kweken.

 

Stap 4: Scoren van leerlingen op de positieve constructen van de deelnemer

De professional noteert de positief ervaren constructen. De leerlingen krijgen  daarna een score van 0 – 4 op al deze positieve constructen. Zo komt in beeld welke leerling veel positieve constructen aanspreekt en welke niet of minder.

 

Stap 5: Ordenen van persoonlijke constructen in zeven aandachtsgebieden

De deelnemer rangschikt zijn positieve en negatieve constructen op basis van een model. Dat dient als richting voor het functioneren van leerlingen op school en thuis.

 

Stap 6: Psychologische nabijheid tussen de leraar en zijn leerlingen

In deze stap kan de deelnemer aangeven hoe hij de op zichzelf en zijn leerlingen ervaart.

 

Stap 7: Betrekken van de constructdefinities op de scores van twee leerlingen.

Er wordt een portret gemaakt van twee leerlingen. De scores op constructen staan centraal. Zo worden de eigen definities (stap 3) en de scores van deze twee leerlingen (stap 4) vergeleken. Op die manier leert de deelnemer de constructen toe te passen op leerlingen.

 

Stap 8: Combineren van tegenpolen met typen gedragsproblemen

Deze stap maakt helder bij welk type gedragsproblemen de deelnemer constructen ervaart.

 

Stap 9: Combineren van positieve constructen met sterke karaktereigenschappen

De positieve constructen worden gecombineerd met sterke karaktereigenschappen. Zo komen de karaktereigenschappen aan het licht waarnaar de constructen van de deelnemer verwijzen.

 

Stap 10: Maken van een mindmap

De deelnemer maakt de samenhang van zijn constructen zichtbaar in een mindmap.

 

Stap 11: Schrijven van een persoonlijk professioneel portret (PPP)

Bij het doorlopen van de stappen heeft de deelnemer veel gegevens en eigen reflecties verzameld. Deze worden verwerkt in een PPP. Tijdens het doorlopen van de stappen kijkt de professional telkens ‘in de spiegel’ om te leren welk type gedrag van leerlingen hem meer of minder aanspreekt en hoe dat komt.

 

Stap 12: Bespreken van het PPP en de leervragen

De deelnemer presenteert zijn PPP aan het leerteam.

 

Primair onderwijs en voortgezet onderwijs

Bij de pilot zijn niet alleen leraren, maar ook andere professionals uit zowel het basis- als het voorgezet onderwijs betrokken. Hiermee kan ook een vloeiende overgang van de ene naar de andere school worden bewerkstelligd. Professional in de spiegel helpt het basisonderwijs om de adviezen zo op te stellen dat ze door de andere school goed worden geïnterpreteerd, en andersom. Deze pilot wordt verder uitgebouwd en op enkele lerarenopleidingen ook al toegepast.

 

 

Ervaringen

 

<kader>

 

Professionals ‘in de spiegel’

 

Mayke Kuilboer

Locatieleider en intern begeleider – primair onderwijs

 

“Door deze pilot heb ik mijzelf beter leren kennen en ben ik bewust gaan nadenken over waarom je met bepaalde leerlingen of collega’s een betere klik hebt dan met andere. Door mezelf bewust te zijn van je eigen constructen kan ik andere keuzes maken. Het kan helpen om elkaar als team beter te begrijpen, maar ook bij het ontwikkelen van gezamenlijke taal. Als het om leerlingen gaat, bijvoorbeeld door het creëren van  een gezamenlijk woordenboek.

Bijvoorbeeld: iedereen heeft zijn eigen beleving bij een woord. Zo kan de ene persoon bij het woord ‘rustig’ denken aan kalm en lief, terwijl de ander bij kalm denkt aan passief. Bij druk denkt de een aan ongeleid terwijl de ander denkt aan enthousiast. Het met elkaar betekenis geven aan woorden, zal ervoor zorgen dat je meer dezelfde taal spreekt.

In de praktijk ben ik er met de leerkracht van groep 8 mee aan de slag gegaan, bij het schrijven van een warme overdracht. Ik ben gaan kijken wat we over een leerling op papier zetten en of dat eenduidig is of om uitleg vraagt.

Wij werken met een pedagogisch-didactisch groepsoverzicht. We beschrijven hierin de stimulerende en de belemmerende factoren van de leerling en van daaruit brengen we de onderwijsbehoeften in kaart. Als je hier met elkaar kritisch naar kijkt dan staat het vol met algemeenheden, die op verschillende manieren geïnterpreteerd kunnen worden. Pas als je doorvraagt kom je erachter wat er bedoeld wordt. Door met elkaar gezamenlijke taal te ontwikkelen, kunnen we zorgen voor eenduidigheid en dat maakt dat we ons onderwijsaanbod voor de leerling beter kunnen afstemmen naar zijn of haar behoeften.

Sinds dit jaar ben ik locatieleider en ook in deze rol kan Professional in de spiegel een rol spelen, bijvoorbeeld bij het vaststellen van de ambities van de school. Als een ambitie veiligheid is, welke constructen passen daar dan bij? Of als je creativiteit belangrijk vindt en je hebt maar twee mensen met constructen die daarbij passen, dan heb je met elkaar iets te doen.

Deze training zorgt ervoor dat ik mijzelf beter heb leren kennen. Veel constructen komen voort uit opvoeding of gebeurtenissen die ik heb meegemaakt.

Als ik kijk naar mijn constructen kan ik deze linken, zoals welkom zijn en het positieve zien. Dat maakt ook dat de tegenpolen in mijn allergie zitten. Ik weet dat ik moeite heb met mensen die onberekenbaar of cynisch zijn. Maar zoals mijn constructen uit ervaringen zijn ontstaan, geldt dat ook bij de ander. Het is belangrijk om er met elkaar over in gesprek te gaan en elkaar daardoor beter te begrijpen.

Het zou mooi zijn als we Professional in de spiegel verder kunnen uitrollen naar andere scholen, zodat we elkaar beter gaan ‘verstaan’ en daarmee zorgen voor meer gelijken kansen voor alle leerlingen.”

 

<kader>

 

Nico Oldenburg

Intern begeleider – voortgezet onderwijs

 

“Ik ging er heel enthousiast in. Ik vond al langer dat de overgang van po naar vo wat soepeler zou mogen. Dit zou een manier kunnen zijn om die versoepeling teweeg te brengen. Het is een goede training, alleen het stukje ’10-14’ en de gelijke kansen werd wat onderbelicht. Zo hebben we dat vanuit het vo wat meer ervaren. Overigens hebben we dat goed kunnen uitspreken.

Wat er goed in naar voren kwam was het ontwikkelen van een eigen taal. Het ging in de basis om het beoordelen van constructen (kwaliteiten) die je van een kind verwacht. Het is uiteraard een heel belangrijk aspect dat je een taal spreekt als dat kan. Sommige begrippen worden toch heel divers opgevat. Daar kom je voor een belangrijk deel ook achter als je doorvraagt op concrete voorbeelden van bepaald gedrag, dat was ik al gewend. Uit de training blijkt wel dat het belangrijk is om concrete voorbeelden voor ogen te hebben van constructen van gedrag. En ook op welke manier je die interpreteert.”

 

Dit artikel verscheen in Po Magazine – editie 2, 2020.

SVW In The Picture: Samenwerkingsverband VO Groningen Stad

PO-Magazine

Het Samenwerkingsverband VO Groningen Stad is een samenwerkingsverband voor het, zoals de naam al doet vermoeden, het voortgezet onderwijs (vo) in de gemeente Groningen en Zuidlaren. Het verband telt 10 schoolbesturen, 22 scholen met samen 34 vestigingen en 16.200 leerlingen voor regulier voortgezet en voortgezet speciaal onderwijs (cluster 3 en 4). PO Magazine bespreekt met directeur Jan Houwing enkele verschillen tussen het primair onderwijs (po) en vo en wat voor kansen er mogelijk liggen voor het po liggen.

“Onze wettelijke taak benoem ik het liefst als ‘het bieden van een dekkend aanbod, zodat de scholen een dekkend onderwijsaanbod kunnen realiseren’”, vertelt Houwing. “Voor je het weet wordt het samenwerkingsverband als verantwoordelijke gezien voor passend onderwijs. Maar het zijn toch echt de scholen die het onderwijs moeten uitvoeren. Wij ondersteunen ze daarbij en houden in de gaten dat er een dekkend aanbod is. Zo nodig treffen wij met de schoolbesturen daarin maatregelen.”

Naast die wettelijke opdracht, houdt het samenwerkingsverband zich bezig met een drietal bestuurlijke opdrachten. Het verband houdt zich bezig met de overstap van po naar vo, de overstap vo naar mbo en met de aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp.

 

De plaatsingswijzer

De aansluiting tussen po en vo is in Groningen in de basis op provinciaal niveau verzorgd. “We zijn trots op de manier hoe we dat voor elkaar hebben”, zegt Houwing. “Er zijn gezamenlijke beleidsafspraken over tussen po en vo in de hele provincie. Daar is een provinciale werkgroep voor geformeerd. De afspraken worden jaarlijks geactualiseerd, waardoor we snel kunnen acteren als er ergens iets knelt of stagneert. Het overleg gaat voornamelijk over regionaal beleid en kan incidenteel casuïstiek zijn, maar het kan ook zijn dat we ons moeten aanpassen aan veranderend landelijk beleid.”

Dit maakt de overstap in de provincie in de basis beter. Er worden handvatten ontwikkeld voor scholen. Een voorbeeld daarvan is de plaatsingswijzer, die wordt meegezonden bij het schooladvies. “Dat is een tool die een basisschool kan helpen bij het geven van een schooladvies. We zijn aangehaakt bij de ontwikkelingen in Friesland en de afgelopen vier jaar heeft het zijn grond gevonden hier in de regio”, legt Houwing uit. “Vanuit het vo vinden wij dit een mooi instrument om de po school te ondersteunen bij het geven van een eenduidig advies. Wij hebben daar inmiddels goede ervaringen mee.”

“We zien dat het aantal thuiszitters de laatste jaren fors is gedaald”

De plaatsingswijzer komt tot stand aan de hand van goede voorbeelden, het leggen van goede onderlinge contacten en het commitment op de werkvloer. Houwing: “Het advies van de ene basisschool komt net wat anders tot stand dan dat van de andere en de ene leraar van groep 8 kan er net even anders in staan dan de andere. Dat soort zaken kan zorgen voor een verschil in de interpretatie van een schooladvies. De plaatsingswijzer is een hulpmiddel voor de basisschool om het advies te geven. Dit instrument maakt de schooladviezen wat consistenter.

 

Audits en visitaties

Verder is kwaliteitszorg een actueel onderwerp binnen het samenwerkingsverband. Via een systeem van audits en visitaties wordt ervoor gezorgd dat de kwaliteit van ondersteuning op de scholen en de onderlinge afstemming tussen de scholen op orde is. Sinds twee jaar nemen de audits en visitaties een steeds vastere positie in binnen de organisatie. Scholen bezoeken elkaar op bepaalde thema’s en wisselen kennis uit. Ze horen van elkaar wat er goed gaat en wat er nog de nodige aandacht verdient. “Het is best intensief om dit te organiseren, maar het levert veel op en het wordt gewaardeerd”, merkt Houwing op. “Men vindt het prettig en scholen melden zich er vrijwillig voor aan.”

 

Ontwikkelingsperspectiefplan

Momenteel en in de nabije toekomst houdt het samenwerkingsverband zich bezig met de positie van ouders. Dit komt o.a. tot uiting in het ontwikkelingsperspectiefplan (opp), waarin de extra ondersteuning in beeld wordt gebracht. Houwing: “De vraag is wie er eigenlijk de eigenaar is van zo’n document. We proberen er de komende tijd op in te zetten dat leerling en ouder de eigenaar van het opp zijn. Het liefst de leerling zelf, maar als dat niet lukt, dan de ouder. Leerling en ouder moeten een betere positie krijgen in hoe de leerling wordt ondersteund en daar zetten we de komende jaren op in.”

 

Thuiszitters

Net als in het po is het terugdringen van het aantal thuiszitters ook in het vo aan de orde. Om daarmee aan de slag te gaat is in Groningen in samenwerking met de leerplichtambtenaren een werkgroep in het leven geroepen die zich verdiepend met de analyse en aanpak bezig houdt. Per casus wordt gestuurd, op basis van de situatie. ‘Hoe lang zitten ze thuis?’, ‘Wat is de situatie?’, ‘Kunnen we daar een aanbod op verzorgen?’ Daarnaast zijn er tussenvoorzieningen opgezet voor leerlingen die zijn uitgevallen of dreigen uit te vallen. In het OPDC bestaat dat uit twee trajecten, een ‘rebound-traject’ voor kortdurende plaatsingen en een thuiszitterstraject voor leerlingen die minder belastbaar zijn.” Het loopt best goed volgens Houwing. Specifiek voor cluster 4 is in samenwerking met het Samenwerkingsverband VO Ommelanden ook een maatwerkvoorziening ingericht. Voor cluster 3 en voor leerlingen op het grensvlak van pro/vso wordt er in het Pro maatwerk aangeboden. Zo hebben we voor alle leerlingen die zich op een grensvlak begeven wel een (tijdelijke) voorziening, om een dekkend aanbod te creëren om daarmee te voorkomen dat leerlingen uitvallen. “We zien dat het aantal thuiszitters de laatste jaren fors is gedaald”, aldus Houwing.

En daarmee is het samenwerkingsverband bezig met het ten uitvoer brengen van de twee voornaamste wettelijke opdrachten: het bieden van een dekkend aanbod en het terugdringen van het aantal thuiszittende leerlingen.

PO Magazine

Dit artikel verscheen in het onderwijstijdschrift PO Magazine in november 2019.