De onderwijsconsulent

onderwijsconsulent

Onafhankelijke ondersteuning voor leerlingen en ouders die vastlopen

 

Bij de behandeling van de wet leerlinggebonden financiering uit het jaar 2003 heeft de Tweede Kamer gevraagd om onafhankelijke ondersteuning te realiseren voor kinderen met een rugzakje. Deze ondersteuning zou vooral van belang zijn wanneer zij overstappen van het speciaal naar het reguliere onderwijs.

Aïscha Trokasti is directeur van het Bureau Onderwijsconsulenten. De afgelopen vijftien jaar zag zij het pakket aan taken van de consulenten toenemen. “Zij zijn zich ook gaan bezighouden met onderwerpen als leerlingenvervoer, plaatsing (v)so, wachtlijsten en afweging van de juiste school.” Met de komst van passend onderwijs is de rol van de onderwijsconsulent gewijzigd. Het rugzakje is immers vervallen. “In de aanloop naar de invoering heeft de Tweede Kamer opnieuw gevraagd om een onafhankelijke ondersteuning voor leerlingen en ouders die vastlopen. Het gaat nu vaker om plaatsingsvragen, schorsing of arrangementen voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften”, merkt Trokasti.

Het beroep op de consulenten is mede zo gestegen omdat de afspraken over wanneer de consulent in te zetten onvoldoende bekend waren bij scholen en samenwerkingsverbanden. Zij verwezen ouders vaak direct naar de onderwijsconsulent, terwijl de bedoeling was eerst zelf problemen proberen op te lossen in de regio. Pas bij een impasse zou de consulent ingeschakeld worden. “Afgelopen periode verloopt dat beter en worden de onderwijsconsulenten vaker pas ingezet als de regio of de ouders zelf geen oplossingen meer zien”, merkt Trokasti.

 

De onderwijsconsulent

Nederland telt inmiddels 51 onderwijsconsulenten. Elke regio heeft er een en deze is bekend met het samenwerkingsverband. Vorig schooljaar werden de lokale onderwijsconsulenten 1632 maal benaderd voor ondersteuning. Een veelheid aan vragen werd aan het landelijke bureau gesteld voor advies en consult.

Welke instrumenten de consulenten hebben in hun werk verschilt sterk per regio. Trokasti: “Er zijn veel verschillen tussen de samenwerkingsverbanden en tussen gemeenten. De wijze waarop de afstemming tussen onderwijs en jeugdhulp georganiseerd is, is sterk bepalend voor de ondersteuningsmogelijkheden die geboden kunnen worden op een school of in een regio.” In de ene situatie gaat een leerling naar het speciaal onderwijs terwijl een kind met vergelijkbare ondersteuningsbehoeften in een andere regio een arrangement op een reguliere school krijgt. Dit is voor ouders niet altijd begrijpelijk.

Er zijn veel factoren die hierop van invloed kunnen zijn: bijvoorbeeld een schoolbestuur dat onvoldoende stuurt op de bedoeling van passend onderwijs, de wijze waarop de gemeente jeugdhulp inzet op de school, de visie die een directeur heeft op de mogelijkheden van het team en of leraren voldoende ondersteund worden in de ontwikkeling van hun professionaliteit bij omgaan met verschillen in de klas.

“De onafhankelijkheid van de onderwijsconsulent is belangrijk, het belangloos vanuit het perspectief van het kind kunnen denken en handelen staat altijd voorop”

“Dit leidt tot veel wisselende contexten waar per keer gekeken moet worden wat er aan maatwerk mogelijk is”, ervaart Trokasti. “De gemeenschappelijke noemer bij de vele vragen aan onderwijsconsulenten is dat de leerlingen vastgelopen zijn op school en thuiszitter of dreigend thuiszitter zijn geworden. Op dat moment hebben zij geen perspectief meer op een ononderbroken onderwijsloopbaan. Er kan vanuit onderwijsperspectief een oplossing zijn, maar soms kunnen ouders zich daar niet in vinden.”

Het gaat om kinderen met zeer verschillende ondersteuningsbehoeften. Zij zijn soms langdurig of ernstig ziek, er spelen gedragsproblemen, leerlingen hebben fysieke beperkingen, zijn hoog- of laagbegaafd of hebben bijvoorbeeld ernstige gebeurtenissen (trauma’s) meegemaakt. “Er is vaak al veel overleg geweest en er zijn al oplossingen verkend. Op het moment dat de consulent betrokken wordt zijn de standpunten vaak al verhard”, aldus Trokasti.

 

Hoe ziet het consulentenwerk eruit?

De consulent start zijn werkzaamheden met een huisbezoek aan de leerling en de ouders. Het doel ervan is om het kind te leren kennen en de ouders hun verhaal te laten doen in een veilige omgeving. Daar krijgen zij de tijd voor. Daarna volgen de contacten met professionals waar ouders meestal bij aanwezig zijn. Dit is een belangrijk principe, maar soms is het niet haalbaar vanwege beperkingen bij de ouders of een ernstig verstoorde relatie.

Tevens begint de consulent een dossieronderzoek, dit ondersteunt vaak de aanpak. Het opzoeken en eventueel openen van nieuwe mogelijkheden staat centraal in het werk. Vaak zijn andere mogelijkheden nog onbekend. Het is dan nog aan de orde om het over een andere boeg te gooien. In andere gevallen hebben professionals al wel een oplossing, maar zijn de ouders hierin niet goed meegenomen. Gesprekken met de onderwijsconsulent moeten ertoe leiden dat de ouders weer vertrouwen gaan krijgen.

“De onafhankelijkheid van de onderwijsconsulent is belangrijk, het belangeloos vanuit het perspectief van het kind kunnen denken en handelen staat altijd voorop”, zegt Trokasti. “En op basis daarvan van de begaande paden af kunnen stappen en creatieve oplossingen zoeken, is soms gewoon nodig.“

Scholen hebben niet dagelijks met zo’n vraag te maken. Maar als zij wel een situatie hebben, is steun zeer welkom. Consulenten kunnen hun ervaringen vanuit hun dagelijkse praktijk delen met de school en ouders. “Vaak is dat al genoeg. Soms is het nodig om partijen aan te spreken op hun (wettelijke) verantwoordelijkheid.”

In andere gevallen is bemiddeling of herstel van de relatie tussen ouders, school, gemeente en/of samenwerkingsverband nodig. Er is dan te veel gebeurd waardoor niet meer naar elkaars argumenten geluisterd kan worden. Dan is het belangrijk dat een proces op onafhankelijke wijze wordt begeleid.”

Ook kan de consulent zich bezighouden met de zorg van de leerling in de school. Vaak gaat het dan om de vraag wie moet wat betalen of wie waar precies verantwoordelijk voor is. Kortom: de onderwijsconsulent biedt een combinatie van kennis, ervaring en creativiteit op het niveau van het kind en organisatie.

 

Casus

Een jongen van tien jaar oud zat op een reguliere basisschool. School en ouders hadden overeenstemming over verwijzing naar so. Vanwege de afstand was leerlingenvervoer nodig. De gemeente stelde hiervoor een bijdrage ter beschikking. De ouders werden verantwoordelijk voor de organisatie van het vervoer. De jongen raakte overprikkeld in het ov. De ouders hadden geen auto en konden hun zoon dus niet zelf vervoeren. De consulent heeft gevraagd of de gemeente busjesvervoer kon bekostigen. Dit bleek niet te kunnen.

De consulent heeft toen een buurgemeente gebeld en gevraagd of zij bereid waren, om te rijden met het door hen al gehuurde busje, op basis van de bekostiging die de gemeente waar het jongetje woonde beschikbaar had gesteld. Daar ging de buurgemeente mee akkoord. De leerling gaat nu met plezier naar school.

 

De onderwijszorgconsulent

Begin 2015 is de nieuwe Jeugdwet ingegaan. Sinds 2015 zijn er onderwijszorgconsulenten aangesteld, vooral omdat er veel vragen zijn in de afstemming van onderwijs met zorg- en jeugdhulp(arrangementen). “Deze specialisten hebben ruime kennis en ervaring met de organisatie en financiering van zorg en jeugdhulp. Deze expertise is een belangrijke toevoeging voor de onderwijsconsulenten omdat er steeds meer specifiek maatwerk gevraagd wordt. Hierbij is veel kennis over wet- en regelgeving en financiering voor noodzakelijk.”

Het verschil tussen beide consulenten zit in het regelen van zorg in de school in financieel opzicht. Waar de onderwijsconsulent meer bemiddelaar is in conflictsituaties en adviseert in wat passend onderwijs voor de leerling in kwestie is, is de onderwijszorgconsulent ervoor om zorg in de school, zoals verpleging, verzorging, etc. te regelen die voor het kind nodig is om naar school te gaan. Deze vormen van zorg in de school vallen financieel niet onder verantwoordelijkheid van het onderwijs, maar onder de verantwoordelijkheid van het zorgdomein, afhankelijk van de problematiek van het kind betreft dat de gemeente, de zorgverzekeraar of het zorgkantoor.

Hoe de ontwikkeling van de consulent in de nabije toekomst zal veranderen is lastig in te schatten. Momenteel zijn de verschillen tussen de regio’s groot, dat maakt het moeilijk om een eenduidig beeld te schetsen voor over bijvoorbeeld vijf jaar. “Ik denk dat de ouderbetrokkenheid verder toeneemt”, voorspelt Trokasti. “Dat staat bovenaan op elke agenda. Ouders worden steeds meer meegenomen en als partner aangesproken. Ik verwacht hierover minder conflicten dan er nu zijn. Ik zou graag willen dat naarmate er meer ervaring is met het vinden van oplossingen voor kinderen, deze eerder en vanzelfsprekender en gemakkelijker gevonden worden. Als dat lukt zal de consulent steeds minder vaak nodig zijn.”

Afstemming tussen samenwerkingsverbanden, schoolbesturen, gemeenten luistert nauw, dat heeft met veel facetten te maken. Vaak gaat dat over de vraag of er op de juiste wijze is ingekocht en of het onderwijs daarbij is betrokken. De consulenten merken dat scholen niet altijd goed kunnen verwoorden wat zij van de gemeente of zorgaanbieder nodig hebben. Het zijn nog steeds verschillende werelden.

De huidige afspraken in de financiering maakt dat er voor kinderen met een grotere zorgbehoefte geen keuze meer gemaakt hoeft te worden tussen onderwijs of zorg. Kinderen komen ook minder snel voor een vrijstelling in aanmerking. Hierdoor komen meer kinderen in aanmerking voor (deeltijd)onderwijs. Deze verandering vraagt van het onderwijs de nodige aanpassingen die niet altijd eenvoudig waar te maken zijn. Dat vraagt nog de nodige tijd. Voor de ontwikkeling van kinderen, en het kunnen deelnemen aan de samenleving, is deze stap van groot belang.

PO Magazine

Dit artikel verscheen in de juni-editie van PO Magazine.

Effectiviteit anti-pest programma’s discutabel

Onderzoekers van de Universiteit Utrecht onderzochten effectiviteit anti-pest programma's

Er zijn tal van methodieken die pesten bespreekbaar maken en aanpakken. Het doel ervan is pesten terug te dringen, maar het succes van de verschillende aanpakken is nooit onderzocht. Recent onderzoek geeft uitkomst over de effecten.

Elke school en elke groep heeft in meer of mindere mate te maken met pestgedrag bij leerlingen. Daaruit zou de conclusie kunnen volgen dat pesten op school er nu eenmaal een beetje bij hoort. De gevolgen voor kinderen die op school gepest worden, zijn echter ernstig. Schoolprestaties verslechteren en vaak ontstaan er psychische klachten als depressiviteit; klachten die kunnen aanhouden tot ver in de volwassenheid. Pesten aanpakken en voorkomen is dus een heel belangrijk thema. In het rapport ‘Wat werkt tegen pesten?’ wordt het effect van vier anti-pest programma’s geprezen.

Hoogleraar Ontwikkelingspsychologie Bram Orobio de Castro van de Universiteit Utrecht heeft samen met collega’s van vier andere universiteiten en het Trimbos Instituut tien veelgebruikte anti-pest programma’s getoetst op effectiviteit. De onderzoekers hebben leerlingen zelf naar het pesten gevraagd. “Dat werkte verhelderend. Leerlingen bleken meer gepest te worden dan gedacht”, zegt Orobio de Castro. Ongeveer een op de drie leerlingen wordt gepest en een op de veertien leerlingen geeft zelfs aan wekelijks met pesten te maken te krijgen. “Een derde van hen geeft aan dit aan niemand verteld te hebben, terwijl 79 procent al meerdere jaren wordt gepest. Dat geeft aan dat de kinderen zelf bevragen essentieel is om pestgedrag op scholen juist in kaart te brengen.”

 

Raadpleeg de leerling over pesten

Ongeveer een derde van de leerlingen die in het onderzoek zeggen dat ze gepest worden, geeft aan dit nog nooit met iemand te hebben gedeeld. Dus ook niet met een leraar of een ouder. Zelfs niet als de leerling al jaren gepest wordt. Pesten kan lastig zichtbaar zijn en daarom is het cruciaal om leerlingen zelf te spreken over dit onderwerp.

“Leerlingen bleken meer gepest te worden dan gedacht”

In slechts zeven procent van de klassen wordt geen enkele leerling gepest, terwijl in liefst zestien procent van de klassen een kwart of meer van de leerlingen regelmatig gepest wordt. Meer dan de helft van de leerlingen geeft aan dat hun leraar niet of maar eenmalig aandacht aan pesten heeft besteed, voorafgaand aan de invoering van de onderzochte programma’s.

De onderzochte programma’s kunnen eraan bijdragen dat pesten in de klas of op school binnen een jaar wordt verminderd. Een deel van de onderzochte programma’s vermindert aspecten van pesten of gedragsproblemen in de klas. Maar geen van de programma’s heeft effect op alle uitkomstmaten tegelijk. De meeste scholen kiezen zelf hun anti-pest programma. Het is daarom opvallend dat van de meeste programma’s maar een deel van de onderdelen in de klas wordt gegeven. Uit het onderzoek blijkt een logisch klinkende conclusie dat hoe beter de invoering van het programma is, hoe groter het effect in de klas. De reden dat de programma’s vaak onvolledig werden uitgevoerd is voornamelijk een verslapte focus op pesten bij leraren. Dit wordt vooral veroorzaakt door werkdruk en de ruimte van individuele leraren om programma’s daadwerkelijk uit te voeren. Daardoor is er minder motivatie en feitelijke tijd om intensief met enkele individuele leerlingen te werken zoals wel degelijk wenselijk én effectief zou zijn. In sommige gemeentes krijgen pesters en slachtoffers van pesten niet de juiste begeleiding omdat verantwoordelijkheden niet duidelijk zijn door de verschillende transities, zo schrijven de onderzoekers.

 

Effectieve programma’s

Interventieprogramma’s zijn in wezen bundelingen van elementen die samen werkzaam zouden moeten zijn tegen pesten. Het gaat dan om deels eenvoudig te protocolleren oefeningen en lessen, maar ook om subtielere gedragingen van leraren en veranderingen in organisatie en schoolcultuur. Vaardigheden, gedragingen, kennis, attitudes van leraren en hun alliantie met leerlingen zijn van grote invloed op sociale relaties en leerprestaties in de klas. Welke werkzame elementen, binnen of buiten een programma, pesten beïnvloeden is echter nog onvoldoende duidelijk te maken.

De wetenschappers deden onderzoek naar programma’s die op de gehele groep van toepassing zijn en naar programma’s die helpen bij het individu. Er zijn vier programma’s die binnen een jaar het pesten op basisscholen pretenderen te verminderen. De eerste drie zijn groepsgericht, de laatste is meer gericht op het individu.

 

  1. PRIMA; het is een integrale aanpak waarbij de interventie centraal staat. Dat is effectief.
  2. KiVa; ook dit programma is integraal. De manier waarop het behalve de aanpak van pesten ook een veilig schoolklimaat schept, werkt goed. De pester is dader en dat staat meer centraal dan het slachtoffer.
  3. Taakspel; dit programma is vooral voor de jongere kinderen effectief. Het houdt leerlingen in het basisonderwijs bij de les en vermindert gedragsproblemen.
  4. Alles Kidzzz; richt zich op het individu, maar heeft ook een preventieve interventiewerking.

 

Het onderzoek legt niet precies de vinger op de werkzame elementen in de verschillende programma’s. Duidelijk is wel dat een structurele monitoring van vooral het gevoel van sociale veiligheid bij leerlingen essentieel is om pesten te laten afnemen.

Maak anti-pest programma’s niet verplicht

Hoewel het duidelijk is dat pest progamma’s wel degelijk effect hebben, is Orobio de Castro terughoudend met een advies aan het ministerie om ze verplicht te stellen. “Bij sommige scholen is er geen noodzaak om aan de slag te gaan met zo’n programma, simpelweg omdat er minder gepest wordt.” Daarentegen vindt de onderzoeker het wel een goed idee dat elke school leerlingen over pesten bevraagt. Leerlingen zeiden in het (anoniem) onderzoek namelijk veel meer dan tegen de ouders of de leraar. Het advies is om in principe groepsgerichte programma’s te gebruiken. Bij grote problemen met individuele leerlingen kunnen deze worden aangevuld met een programma als Alles Kidzzz. Maar bij welke aanpak dan ook geeft de Castro aan: “Kijk dan in ieder geval na een jaar of het pesten is verminderd, ook hier zijn de leerlingen weer een goede informatiebron en raadgever.”

Meer weten? Het totale eindrapport is te vinden op de website van de Universiteit Utrecht.


 

PO Magazine

Dit artikel verscheen in de juni-editie van PO Magazine.

Instagram: Can’t stop me now. Goose is hard bezig @tivolivredenburg. #goose #utrecht #concert #jeugdvanvroeger

Can’t stop me now. Goose is hard bezig @tivolivredenburg. #goose #utrecht #concert #jeugdvanvroeger –
Instagram: Can’t stop me now. Goose is hard bezig @tivolivredenburg. #goose #utrecht #concert #jeugdvanvroeger
– %%text%%

Instagram: Hoornaars. Ze maken mooie huizen. #hoornaar #wesp #raten #achterhetluik #wespennest #verstopt

Hoornaars. Ze maken mooie huizen. #hoornaar #wesp #raten #achterhetluik #wespennest #verstopt –
Instagram: Hoornaars. Ze maken mooie huizen. #hoornaar #wesp #raten #achterhetluik #wespennest #verstopt
– %%text%%

Instagram: M’n ouwe bakkie opgelapt. 25 jaar oud en hij rijdt weer als een 🌞.

M’n ouwe bakkie opgelapt. 25 jaar oud en hij rijdt weer als een 🌞. –
Instagram: M’n ouwe bakkie opgelapt. 25 jaar oud en hij rijdt weer  als een 🌞.
– %%text%%

Instagram: Feestvarken droomt of snurkt. Of allebei. #zonnen #varken #birkshire #slapen

Feestvarken droomt of snurkt. Of allebei. #zonnen #varken #birkshire #slapen –
Instagram: Feestvarken droomt of snurkt. Of allebei. #zonnen #varken #birkshire #slapen
– %%text%%

Onderwijs: Deling van netwerkexpertise

Deling van netwerkexpertise

Binnen samenwerkingsverbanden, schoolbesturen en scholen zit veel expertise. In het kader van passend onderwijs doen we er goed aan deze expertise zo handig mogelijk te delen. Eerst binnen een school of bestuur en later kan dit worden uitgebreid naar het samenwerkingsverband of zelfs daarbuiten. Gonnie Boerma en Henk van der Pas zijn bezig met het opzetten van een systeem voor zoals zij het zelf noemen ‘Netwerkexpertise deling’.

Deling van netwerkexpertise

Vanuit de centrale vraag hoe te komen tot kennisoverdracht van expertise begint Van der Pas in zijn bestuur nu met het implementeren van een laagdrempelig systeem. “Eigenlijk kun je het vergelijken met hoe Zoover werkt”, zegt hij. “Je hebt expertise nodig en gaat op zoek naar wat het beste werkt, mede dankzij de feedback van anderen die je voor zijn gegaan.” Zijn pilotsysteem heet Expedu, dat staat voor Expert Netwerk Educatief. Het staat nu nog in een kinderschoenen. Maar de bedoeling is dat het gaat groeien en dat de expertise in elk geval in de eigen organisatie wordt gedeeld.

Expedu is een geautomatiseerd systeem. In de eerste plaats wordt op een laagdrempelige manier de expertise die aanwezig is inzichtelijk gemaakt. De leraar schrijft niet een pitch die vervolgens elders wordt gepresenteerd, maar maakt op een andere manier helder wat hij kan. Via inloggen in het systeem kunnen leraren precies aanvinken waar ze goed in zijn en wanneer ze te benaderen zijn door anderen met een passende hulpvraag. “Er zijn heel veel mensen die iets te bieden hebben voor anderen. Je staat bijvoorbeeld drie dagen voor de klas en je geeft aan goed te zijn in sociale veiligheid, en je wilt best andere scholen daarbij ondersteunen voor een dag in de week. Het zou gestimuleerd moeten worden om kenbaar te maken wie wat kan.” Als een directeur iemand zoekt die een interventie kan doen op sociale veiligheid, kan hij gemakkelijk iemand vinden en in contact komen. In onderling overleg en met de middelen die circuleren in de organisatie van het samenwerkingsverband kan iemand –bekostigd en wel- ingezet worden. Dat scheelt extern inkopen. De bedoeling van Van der Pas is om dit systeem door te trekken naar het samenwerkingsverband, als de pilot succesvol blijkt. Ook ZZP’ers kunnen zich overigens aanmelden.

Boerma heeft ook een middel om expertise te delen. “Jaarlijks heb ik een ontwikkelbudget. Mensen mogen zich met een plan inschrijven om er aanspraak op te maken. Ze krijgen een jaar de tijd om dat wat ze voor ogen hebben uit te voeren, met enkele tussentijdse evaluaties. Als dat na een jaar goed loopt krijgen ze nog een jaar. Dan moet het in principe geïmplementeerd zijn. Zo proberen we de kennis van binnenuit te vergroten.” Zaken die op de ene school goed gaan, worden als het nodig is geëxporteerd naar andere scholen. “Er was bijvoorbeeld een school die niet goed wist hoe ze het buitenspelen goed konden organiseren. Daar zijn we met een aantal collega’s waar dat wel goed liep heen gegaan. Zij hebben workshops gegeven en gesprekken over gevoerd.”

Boerma en Van der Pas signaleren dat we momenteel onvoldoende profiteren van de expertise die er aanwezig is. Het gaat hen daarbij niet eens om het wel of niet aanwezig zijn van financiële middelen, maar puur om het delen van kennis. “Als we gaan praten over financiën zoeken we de problemen buiten onszelf”, zegt Boerma. “Mensen moeten in onze ogen ergens hun goede ideeën neer kunnen zetten, maar ook door anderen gevraagd worden.”

 

Deeldrempels

Om het probleem bij de kiem te vatten hebben Van der Pas en Boerma bekeken wat de reden kan zijn dat het lastig blijkt om expertise over te dragen. Zij liepen tegen twee elementen aan.

 

  1. De inborst van de leraar zelf. Veel leraren vinden het lastig om op het podium te gaan staan, te vertellen wat hij of zij kan en hulp aan te bieden aan iemand die kennis nodig heeft. Leraren vinden het vaak eng om te zeggen dat ze ergens goed of beter dan anderen in zijn.
  2. Er is een groep leraren die wel graag wil delen. Zij kloppen aan bij leidinggevenden, die vaak ook opleidingen hebben betaald. Die vinden dat aan de ene kant vaak fijn, maar op het moment dat het gaat om delen naar een andere school wordt het ervaren alsof de leraar in kwestie wordt onttrokken aan het primaire proces. Voor je het weet komen er meer met een vergelijkbare wens. Dat zet de bezetting van de groepen onder druk. In het ergste geval krijg je scheefgroei in de verhouding formatie voor de groep en formatie ter ondersteuning van de groep. Mogelijk risico is grotere klassen en daar is momenteel veel discussie over. Dus we kiezen er eigenlijk voor om het binnen de eigen school te houden.

 

Om het eerste element te lijf te gaan wil Boerma werken aan het creëren van een soort beroepstrots. “Het moet mooi zijn in het onderwijs om goede ideeën te delen. Mensen mogen daar best voor openstaan. Eigenlijk gaat het ook om een verandering van attitude. Bovendien zijn er vaak slechts praktische bezwaren die kennisdeling in de weg staan.”

De oplossingen van Boerma en Van der Pas zijn gericht op klein beginnen, daarmee is het ook behapbaar. Het idee is dat het uitgroeit binnen een school, naar het bestuur en dan naar het samenwerkingsverband. En als het kan zou er een netwerk door heel Nederland actief moeten zijn met goede voorbeelden. Daaraan is niet alleen het verhaal verbonden, maar ook altijd iemand die het kan en wil doen. Van der Pas: “Het opschalen van de kennis moet ook klein beginnen. Stel je hebt een opleiding sociale veiligheid doorlopen, dan profiteren de kinderen in je eigen klas daarvan. Dan geeft de directeur je ruimte ook hierin ook wat voor de andere klassen te doen. Vervolgens zou het mogelijk moeten zijn om iemand in de zetten op een andere plek in de organisatie of zelfs buiten de organisatie in hetzelfde samenwerkingsverband. Daarna kun je kijken buiten hetzelfde samenwerkingsverband in dezelfde regio en dan buiten de regio op landelijk niveau. Het is maar net hoe ver je de ambitie legt om van iemand met expertise te kunnen profiteren.” Boerma vult aan: “Vaak wordt het al als een groot praktisch probleem ervaren als een leraar die bijvoorbeeld heel goed is in het verzorgen van muzieklessen, dit bij meerdere klassen gaat doen. Terwijl deze persoon dat wel het best kan. Als we de grenzen loslaten ontstaat er een heel mooi expertisenetwerk op scholen.”

 

Praktijk leert praktijk

Van der Pas en Boerma stellen dat het eigenlijk vreemd is dat er in het basisonderwijs zo weinig aandacht is voor research en development. Er zijn maar weinig besturen die op eigen initiatief investeren in onderzoek en ontwikkeling van het vak. Vaak wordt dat extern ingekocht, terwijl het in de organisatie al zit en het uit de praktijk gehaald kan worden. “We moeten af van de eenzijdige focus op het primaire proces. Natuurlijk moeten we het beste onderwijs willen geven. Maar dat kun je pas geven als je weet wat er ook allemaal te geven valt aan beste onderwijs.”

Uiteindelijk moet er natuurlijk wel gekeken worden of er door het ‘uitlenen’ van leraren vanwege hun expertise niet een te grote klas ontstaat. In het kader van passend onderwijs kun je daar wel het samenwerkingsverband bij betrekken. Dan wordt het wel ineens een veel groter plan. Van der Pas: “Het is niet onlogisch om geld voor arrangementen in te zetten voor expertise die je binnen de organisatie uitwisselt. Als jij een leraar inzet ter ondersteuning van kinderen met een hulpvraag, kun je vanuit arrangementsgelden de vervanging bekostigen.”

Van der Pas blikt hierop vooruit op de pilot van Expedu: “Het kan gebeuren dat leraren zich niet registreren omdat ze het eng vinden te zeggen dat ze ergens goed in zijn. Dan moeten we aan de cultuur wat doen. Het kan ook dat de scholen geen vraag willen stellen, dan moeten we de directeuren kritisch bevragen.” Boerma besluit: “Het maakt de betrokkenheid in de school veel groter. Mensen hebben er lol in, werken ervoor en zijn er blij mee.”

PO-Magazine

Dit artikel verscheen in PO-Magazine van april 2018. Check hier meer dat ik schreef voor Instondo.

Instagram: Even het huis opruimen. #lenteschoonmaak #groteschoonmaak #verbouwing #benb #grotestappen @deduiventoren

Even het huis opruimen. #lenteschoonmaak #groteschoonmaak #verbouwing #benb #grotestappen @deduiventoren –
Instagram: Even het huis opruimen. #lenteschoonmaak #groteschoonmaak #verbouwing #benb #grotestappen @deduiventoren
– %%text%%

Instagram: De avond valt. Kwieks zal zij de dag verzwarten.

De avond valt. Kwieks zal zij de dag verzwarten. –
Instagram: De avond valt. Kwieks zal zij de dag verzwarten.
– %%text%%

Instagram: Het gras bij de buren is helemaal niet groener.

Het gras bij de buren is helemaal niet groener. –
Instagram: Het gras bij de buren is helemaal niet groener.
– %%text%%