Coalitie Passend onderwijs-Jeugdhulp-Zorg

PO-Magazine

Een ononderbroken ontwikkeling van alle kinderen staat hoog op de agenda van de brede coalitie van onderwijspartijen, VNG, branches, cliënt- en ouderorganisaties en de ministeries van VWS en Onderwijs. Gezamenlijk zetten zij de schouders eronder om deze maatschappelijke opdracht waar te maken. Een goede samenwerking is daarbij onontbeerlijk.

De sectorraad samenwerkingsverbanden vo formuleerde hiervoor een basisdocument, met vijf uitgangspunten. Ook voor po-scholen kan dit van belang zijn.

De coalitie formuleerde vijf leidende principes om de samenwerking waar te maken:

 

  1. De ononderbroken ontwikkeling van het kind centraal.
  2. Inclusief, passend en zo nabij mogelijk.
  3. Samenwerken aan een integraal aanbod.
  4. Partnerschap en regievoering.
  5. Samen steeds beter worden.

 

De ononderbroken ontwikkeling van het kind

Om ervoor te zorgen dat kinderen zich op een goede manier ontwikkelen zijn er een aantal zaken die aandacht verdienen. Bovenaan de lijst staat de roep om vraaggericht te werken en te denken vanuit het kind. Het streven is om dit snel, preventief, op maat en in samenspraak met partners en ouders te organiseren. Het kind en de ouders zijn altijd betrokken bij de ondersteuningsvragen, doelen en aanpak. Er is sprake van gezamenlijke besluitvorming. De ondersteuning moet afgestemd zijn en elkaar versterken.

De leerrechten mogen centraal staan, net als het recht op een schoolomgeving waarin sociale interactie met leeftijdgenoten mogelijk is. Kinderen stromen in op het onderwijsniveau dat aansluit bij een ambitieus ontwikkelingsperspectief, waar mogelijk met uitzicht op een diploma en loopbaanperspectief. Discussies over financiering staan de uitvoering van de oplossing niet in de weg. Organisaties voeren deze discussies zelf achter de schermen.

 

Inclusief, passend en zo nabij mogelijk

In principe krijgt elk kind in de eigen leeromgeving passende ondersteuning, en waar nodig ook de ouders. Dan hoeft geen leerling de regio uit. Inclusief onderwijs veronderstelt dat deelname aan het reguliere onderwijs waar nodig wordt ondersteund met jeugdhulp, zorg en onderwijsondersteuning vanuit het speciaal onderwijs. De school fungeert als vind- en werkplaats. Jeugdhulp en zorg in de school dragen bij aan het ontwikkelingsperspectief van het kind.

Het uitgangspunt ‘regulier waar het kan en speciaal waar het moet’ staat expliciet vermeld. Parallel aan de beweging van de ambulantisering van de jeugdhulp en zorg waarbij opname/verblijf in principe een korte, intensieve episode is in een overwegend ambulante behandeling, ambulantiseert ook het speciaal onderwijs. Samenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en jeugdhulp- en zorgpartijen werken hiervoor passende onderwijszorgarrangementen uit.

 

Samenwerken aan een integraal aanbod

Onderwijs en jeugdhulp sluiten goed bij elkaar aan. Dat betekent bijvoorbeeld dat de ene discipline niet boven de andere staat. Bovendien versterken onderwijsdoelen en behandeldoelen elkaar. Dit vraagt wel om erkenning van eigen en elkaars expertise en de bereidheid van en met elkaar te leren.

Gemeenten, onderwijs, jeugdhulp en zorg investeren in continuïteit in de werkrelatie. Ze leren daarvoor elkaars taal en cultuur kennen. Bovendien doen ze wat werkt. Dat vraagt om werken vanuit kennis, bij voorkeur ondersteund door een aantal richtlijnen, aangevuld met kennisdeling op casusniveau met collega’s geeft professionals – leerkrachten, zorg- en jeugdhulpverleners – een basis om te handelen en tegelijkertijd maatwerk te bieden. Multidisciplinair overleg met school en wijkteam kan hierop een waardevolle aanvulling zijn.

 

Partnerschap en regievoering

Het jeugdbeleid van gemeenten heeft aandacht voor preventie, jeugdgezondheidszorg, jeugdhulp en jeugdbescherming, zorg en passend onderwijs. Samenwerkingsverbanden passend onderwijs stellen, in samenspraak met gemeenten en partners, beleid ook beleid op. Beide beleidsplannen zijn het best gericht op de bedoeling, de ononderbroken ontwikkeling. Bij de uitwerking van de afspraken in de praktijk, zijn kinderen en ouders betrokken. Bij deze uitvoering is regie op maat mogelijk.

Minimaal sluit het lokale beleid aan bij dat van landelijk. Bijvoorbeeld dat er in 2020 geen kind meer thuiszit zonder een goed aanbod op school. De brede coalitie voegt aan deze ambitie toe dat ieder kind binnen maximaal drie maanden zijn leerrechten verzilveren.

 

Samen steeds beter worden

In de regio vindt verbinding en innovatie plaats. Dat is gebaseerd op niet-vrijblijvende afspraken die bijdragen aan wat de bedoeling is: de ononderbroken ontwikkeling en het leerrecht van ieder kind centraal. De landelijke partijen ondersteunen dit en bieden mogelijkheden voor kansengelijkheid, kennisontwikkeling en zorgen voor ruimte voor experimenten. Het lukt om samen steeds beter te worden als van elkaar leren en ontwikkeling vanzelfsprekend is. Vandaag leren we hoe we het morgen nog beter kunnen doen.

 

Regionale samenwerking in beeld

Om de doelen van Passend Onderwijs te bereiken, werken schoolbesturen samen in 77 samenwerkingsverbanden voor het po en 75 samenwerkingsverbanden voor het vo. Om de doelen van de Jeugdwet te bereiken, werken gemeenten samen in 42 jeugdregio’s.

kaarten

 

Overzicht zorglandschap jeugdhulp

Hulp wordt zo nabij mogelijk geboden. De specialistische jeugdhulp is een aanvulling op preventie en basisjeugdhulp. Veel voorkomende specialistische jeugdhulp wordt in de regio geleverd. Weinig voorkomende vormen van specialistische hulp worden vaak bovenregionaal en waar nodig landelijk georganiseerd. Het jeugdhulpstelsel is continu in ontwikkeling, inhoudelijk en organisatorisch: (EBP=Evidence Based Practice: de goede jeugdhulpactiviteiten van vandaag worden vervangen door betere als daar wetenschappelijk onderbouwde aanwijzingen voor zijn).

schema

 

PO Magazine

Dit artikel verscheen in PO Magazine in december 2018 en was een productie voor Instondo Uitgevers.

 

Het onderwijs in drie doeldomeinen

Instondo logo

Het wordt erg belangrijk gevonden dat Nederland meekomt in de internationale ranglijsten op het gebied van onderwijs. Onlangs (oktober 2018) verscheen er weer een dergelijk onderzoek: Unicef: ‘an unfair start’. Iedereen moet een zo hoog mogelijk (opleidings)niveau halen; de opwaartse druk daartoe vanuit maatschappij, overheid, inspectie en vooral ook ouders neemt toe. Maar passend onderwijs en onderwijskwaliteit is toch ook méér dan louter cognitieve output? Biesta wijst er op dat onderwijs wel gemeten kan worden in efficiëntie en effectiviteit, bijvoorbeeld in de vorm van cijfers, maar dat deze resultaten niets zeggen over waartoe leerlingen opgeleid worden. De overheid streeft naar een zo hoog mogelijke output van leerlingen. Maar waarom? Betere aansluiting en kansen op hogere vervolgopleiding? Betere kansen op de arbeidsmarkt?

 

‘An Unfair Start’

UNICEF vergeleek ongelijkheid in het onderwijs in 41 rijke landen op drie punten: de deelname aan voorschools onderwijs, het leesniveau van 10-jarige leerlingen in het primair onderwijs en het leesniveau van 15-jarige leerlingen in het voortgezet onderwijs. Nederlandse kinderen staan op de voorschool op de 10e plaats van de ranglijst en in het primair onderwijs op de 1e plaats! Opvallend is dat ze in het voortgezet onderwijs dalen naar de 26e plaats.

 

Maatschappelijk belang

De maatschappij vraagt om een systeem waarbij verschillen zichtbaar zijn. Voornamelijk omdat de economie vraagt om mensen met verschillende vaardigheden. Mensen die goed zijn met de handen of mensen met een groot analytisch vermogen. Als iedereen een universitair diploma heeft, wie gaat dan onze badkamer aanleggen? Wie haalt het vuilnis op? Het systeem in de wereld is gebaseerd op verschillen in hoog- en laagopgeleide mensen. Zonder deze verschillen zou de huidige wereldeconomie niet kunnenbestaan. Er moet dus vastgesteld worden wat wenselijk is als het gaat om output van het onderwijs.

Geluiden genoeg dat de output van het onderwijs hoger, sneller en breder moet, maar hoe dat past in het maatschappelijke plaatje wordt weinig toegelicht. Geen leraar zal zeggen dat het onderwijs in Nederland hogere output moet leveren omdat het moet concurreren met het buitenland of hoger op de PISA-rankings moet komen. Een andere reden om verschillende (werk)niveaus aan te bieden in het onderwijsbestel is de diversiteit van de mens. Sommige mensen willen nou eenmaal met de handen werken. Sommige mensen kunnen niet goed leren. Sommige mensen hebben ambities op een niveau dat niet universitair is. Om recht te doen aan deze verschillen is er dus diversiteit in het onderwijsstelsel én in output nodig.

 

De doeldomeinen

Onderwijspedagoog en hoogleraar Gert Biesta en de Onderwijsraad praten over drie doeldomeinen die het onderwijs als opdracht in zich draagt: kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. De drie doeldomeinen illustreren dat de discussie over onderwijs meerdere dimensies heeft. Laten we dus vooral aan alle drie aandacht schenken!

 

Doeldomein: Kwalificatie & Prestatie

Onder kwalificatie verstaat Biesta het verwerven van kennis, vaardigheden en houdingen die mensen in staat stellen iets te doen, op een bepaalde manier te handelen. Kennis, vaardigheden en houdingen kunnen betrekking hebben op een specifiek beroepenveld, maar ook op een breder thema, zoals functioneren in een complexe maatschappij. Voorbeelden van kwalificatie zijn kwalificatiedossiers, competentieprofielen, rapporten, eindtoetsen, repetities, doorstroompercentages, kerndoelen, eindtermen en plusdocumenten.


Doeldomein: Socialisatie & burgerschap

Biesta en de Onderwijsraad omschrijven socialisatie als een proces waarin leerlingen kennisnemen en deel uitmaken van tradities en praktijken. Deze kunnen betrekking hebben op een bepaald beroep, maar ook op bredere thema’s, zoals democratie. Het onderwijs heeft de taak jonge mensen te leren respectvol met verschillen en elkaar om te gaan. Leerlingen worden vanaf de basisschool gevormd tot betrokken burgers. Hoe scholen aandacht besteden aan burgerschap is aan de scholen zelf. Er zijn geen wettelijke eindtermen of kerndoelen waaraan een school moet voldoen. Veel scholen geven aan dit lastig te vinden.

De actualiteit laat zien dat het onderbelichten van socialisatie in het onderwijs tot gebrekkig burgerschap heeft geleid. Hierdoor staat het onderwerp burgerschap politiek gezien opnieuw in de schijnwerpers en krijgt het doeldomein socialisatie de laatste twee jaar meer aandacht.

Biesta wijst erop dat burgerschapsonderwijs slechts een deel van het doeldomein socialisatie is. Het omvat meer dan alleen de normen en waarden waarvan de politiek zo graag wil dat het onderwijs die aan de man brengt onder de noemer burgerschap.

 

Doeldomein: Persoonsvorming& Subjectificatie

De Onderwijsraad typeert persoonsvorming als het proces van individualisering van de leerling. De leerling moet uiteindelijk in staat zijn autonoom tot beslissingen te komen, los van docent, school, heersende normen en tradities. Het pedagogisch begrip ‘Bildung’ geeft richting en vulling aan de manier waarop er met persoonsvorming omgegaan kan worden in het onderwijs. Het woord persoonsvorming doet vermoeden dat het hier draait om het vormen van een persoon. Dat er een bepaald streefdoel is waarnaar men toewerkt. Dat de school weet tot welke persoon de leerling gevormd moet worden.

Integendeel, betoogt Biesta, het heeft vooral te maken met identiteit. De mate waarin we ons identificeren met bestaande tradities en praktijken of zelf nieuwe creëren. Scholen dienen leerlingen kennis te laten maken met vrijheid van meningsuiting, democratie, gelijkheid, genderdiversiteit en meer. Biesta kiest daarom voor het begrip subjectificatie. De essentie van subjectificatie is volgens Biesta een persoon vrij, volwassen en verantwoordelijk in de wereld te laten zijn. Identiteit gaat om wie iemand is, subjectificatie geeft aan hoe een persoon is. Hoe gedraag ik mij ten opzichte van anderen? Naar de omgeving? Naar de wereld? Scholen en docenten zouden beter kunnen definiëren wat zij daarbij wenselijke sociale en persoonlijke eigenschappen vinden. Om vervolgens bewust een leeromgeving te creëren waarin de leerling de ruimte krijgt om zichzelf te vormen, in samenwerking met medeleerlingen en de docent. Dit kan bijvoorbeeld door ruimte te creëren voor dialoog en samenwerking. De dialoog met de docent, maar ook met medeleerlingen. Interactie met anderen is van groot belang om te ontdekken wie je bent en hoe je met anderen om wil gaan. En dit voegt dan weer een extra dimensie toe aan ‘gepersonaliseerd leren’.

 

Vragen van docenten en leerlingen

Stel als docent bij ieder onderwerp eens de vraag ‘Waartoe leidt het kennen van dit hoofdstuk voor de leerling bij een vervolgstudie of later in de maatschappij?’ De docent vindt vast voor zichzelf het juiste antwoord. Maar is het argument van de docent over het waartoe ook steekhoudend voor de leerling? Onbewust stellen leerlingen vaker vragen over de drie doeldomeinen. Vragen als: Waarom moet ik de stelling van Pythagoras leren? Waarom krijgen we huiswerk? Waarom mag ik niet zelf bepalen wat ik doe? Antwoorden op deze vragen zouden betrekking moeten hebben op het waartoe. ‘Je moet de stelling van Pythagoras kennen omdat zo leert de oppervlakte van een driehoek te berekenen en als je later in een piramide woont kan je precies uitrekenen hoeveel behang je nodig hebt voor de muren.’ Veel docenten worstelen met antwoorden op de waartoe-vragen. ‘Ik heb dit vak toch niet nodig voor later. Halve antwoorden of antwoorden die dan uitblijven zijn niet acceptabel en demotiverend voor leerlingen. Niet alles hoeft natuurlijk nuttig te voelen voor een leerling. Sommige zaken moeten nou eenmaal gebeuren. Een leerling moet kennis hebben van democratie en vrijheid van meningsuiting. Soms komt het besef van nuttigheid pas jaren later. In dit geval is het niet wenselijk dat een docent toegeeft aan gedemotiveerde signalen.

Maar docenten moeten de dialoog over de nuttigheidswaarde ook niet uit de weg gaan. Winstpunt is dat de leerling kritisch naar de wereld en/of onderwijs kijkt en vragen stelt. Kernpunt is dat de docent regelmatig van perspectief wisselt; in doeldomeinen en in het perspectief van de leerling.

 

Wisseling van perspectief

Kan de docent zich in het toekomstperspectief van de leerling plaatsen of redeneert hij volledig vanuit eigen ervaring en belevingswereld? Wat is wenselijk voor de leerling? De school? Maatschappij en arbeidsmarkt? Wenselijk betekent niet dat scholen nu volledig naar de pijpen van de leerling moeten gaan dansen. Weerstand iseen belangrijk onderdeel van het ‘in de wereld komen’. De realiteit van het leven zorgt ervoor dat er dingen op ons pad komen die we niet op ons pad willen hebben. Toch komen we ze tegen en proberen daar weerstand tegen te bieden, soms voor ons gevoel succesvol, soms niet. Wil de school een plaats zijn waar leerlingen worden voorbereid op de ‘echte’ wereld en wil de school de wereld zo realistisch mogelijk weergeven, dan moet er ook weerstand zijn. De wenselijkheid zit dus vooral in het zoeken van de balans tussen kwalificeren, socialiseren en persoonsvorming. Om de doeldomeinen actueel, wenselijk en menselijk te houden is het belangrijk om constant de dialoog te blijven voeren over de inhoud en balans van de drie doeldomeinen. Dit is een iteratief proces. De maatschappij verandert, dus de doeldomeinen ook. En er is dus wel degelijk meer van belang dan alleen maar goede prestaties en kwalificatie. We vragen dus meer aandacht voor passende socialisatie en vorming.

 

Dit artikel is een bewerking van het gelijknamige blog van Thijmen Sprakel. www.edukitchen.nl. Deze tekst was een productie voor Instondo Uitgevers.

Passend onderwijs in de Hoeksche Waard: eigenzinnig, maar het lukt

PO-Magazine

Het samenwerkingsverband Hoeksche Waard is met vijf schoolbesturen, veertig scholen en ongeveer 6000 leerlingen een klein samenwerkingsverband. Maar wel eigenzinnig. Die eigenzinnigheid heeft ervoor gezorgd dat de regio als een op zichzelf staand verband bleef opereren en geen onderdeel werd van ‘het grote Rotterdam’, zoals Rien Strootman en Pierre den Hartog het benoemen. Beide heren staan aan het roer van de Hoeksche Waard en schetsen trots wat is bereikt.

 

“Hier slaagt passend onderwijs”, zegt Den Hartog. “Altijd als er negatieve berichten in de media zijn over passend onderwijs, dan kan ik met blijdschap naar onze regio kijken.” De bedding op het eiland Hoeksche Waard wordt belangrijk gevonden. Onder de geformuleerde missie ‘Geen kind het dorp uit, geen kind het eiland af’ zet het onderwijs zich in om kinderen thuisnabij en passend een aanbod te geven. En dat werkt, zo wijzen de cijfers uit. Er zijn geen thuiszitters en het aantal leerlingen in so en sbo daalde de afgelopen jaren met meer dan 20 procent. “En toch sturen we niet op de getallen”, zegt Strootman. “In geen enkel plan hebben we een target opgenomen. Daar zijn wij wars van. Passend onderwijs is een zaak van vele knoppen en dus van vele processen. De essentie is om voortdurend de processen te optimaliseren.” Daarin beluisteren we ‘Rijnlands denken’ en schemert de eigenzinnigheid door waardoor het eiland autonoom is gebleven en geen onderdeel is geworden van een groter verband.

 

Autonomie in de Hoeksche Waard

Autonoom is ook een goed woord voor het uitgezette beleid. Onder autonoom wordt de vrijheid om vanuit verlangen te leven verstaan. Dat schept reflectie en intrinsieke motivatie. Het samenwerkingsverband is in 2013 opgericht, dat is geruisloos gegaan. “We zijn gestart met de inhoud, daarna hebben we de organisatie eromheen geregeld”, blikt Den Hartog terug. “Samen met de scholen hebben we een duidelijk beeld gevormd van onze pedagogische opdracht. Daarbij hebben we niet alleen de besturen betrokken, maar ook zoveel mogelijk leraren, ib’ers en andere teamleden. Zij moeten uiteindelijk ervoor zorgen dat de leerlingen het beste onderwijs krijgen.”

Om leerlingen het beste onderwijs te geven, krijgen de scholen in ruime mate de autonomie over de besteding van middelen. Het swv hanteert een mix van schoolmodel en expertisemodel. Voor 2019 staat €250 per kind in het regulier onderwijs en €1300 voor een kind op het sbo begroot. In het samenwerkingsverband wordt, afgezien van de arrangementen sbo en so, niet gewerkt met arrangementen. “Dat staat haaks op onze definitie van autonomie. Directeuren hebben voldoende kennis en overzicht om zelf te arrangeren”, vindt Den Hartog. “We vinden het belangrijk dat het geld op de werkvloer terechtkomt en op adequate wijze wordt besteed aan met name het optimaliseren van het handelen van de leraar. Dat kunnen directeuren goed zelf, die weten precies hoe zij vorm kunnen geven aan onze ambities van passend onderwijs, zoals geformuleerd in het ondersteuningsplan.” De scholen zijn verplicht om in het schoolondersteuningsprofiel ook een financiële paragraaf op te nemen en deze te publiceren in de schoolgids. Zo maken scholen ook voor ouders inzichtelijk waar het geld heen gaat en welke financiële keuzes er zijn gemaakt. “Vervolgens bezoeken we de scholen om in gesprek te gaan over hun ondersteuningsprofiel, hun besteding en hun wensen en ideeën aangaande passend onderwijs.” Let wel, die autonomie is niet oneindig. De vrijheid is er binnen een duidelijk en gemeenschappelijk referentiekader. We noemen het vrijheid in gebondenheid. Iedereen moet wel dezelfde taal kunnen spreken”, stelt Strootman. “Op die taal moet je gespitst blijven en continu aandacht geven.”

 

Ouders

Het samenwerkingsverband kent ouders het recht toe om net als de scholen hun kind aan te melden bij de toelaatbaarheidscommissie. Dat is inherent aan vrijheid van onderwijs. Ouders blijken ook veel gebruik te maken van de helpdesk van het samenwerkingsverband. Den Hartog: “Zo vergroot je de betrokkenheid van de ouders. Bij iedere aanmelding is het standaard dat we de ouders thuis bezoeken. Ouders ervaren dit als prettig. Ze worden gehoord en kunnen vaak hun hart luchten.” Strootman: “Omdat ouders zelf ook een beschikking kunnen aanvragen, merken we dat scholen geneigd zijn om eerder op een goede manier in gesprek te gaan met ouders. Zodat contact met hen direct tot stand komt en niet via het samenwerkingsverband. We proberen ouders daarmee het woord terug te geven; en om ze om eigenaarschap te laten behouden over de ontwikkeling van hun eigen kind.”

 

Partners

Scholen kunnen dus zelf arrangeren en kopen daartoe geregeld externe experts in om het handelen van de leerkrachten te optimaliseren. Al deze mensen moeten het ondersteuningsplan van harteonderschrijven. “De toevoeging ‘van harte’ is het belangrijkst”, zegt Strootman. “Structureel voeren we met de experts gezamenlijke overleg om het ondersteuningsplan te bespreken, zodat we inderdaad allemaal dezelfde taal (blijven) spreken. De zzp’ers betalen we voor die overleggen, we vinden het van belang dat ook zij precies op de hoogte zijn. Vervolgens kunnen wij scholen een lijst met mensen bieden waarvan we met zekerheid kunnen zeggen dat ze volgens het gedachtegoed van ons ondersteuningsplan werken. We hebben ze immers meegenomen in ons denken.”

 

Passend onderwijs

Passend onderwijs is volgens Strootman en Den Hartog dus aardig gelukt in de Hoeksche Waard. Ondanks dat het hier gaat om een klein samenwerkingsverband denkt de directie dat passend onderwijs in elke regio kan slagen. “Ik merk dat het vaak wat groter gemaakt wordt dan het is”, bekent Den Hartog. “Feitelijk praten we alleen over de leerlingen waar je geen antwoord op hebt. Dan begeleiden we een dergelijk kind naar de juiste plek zodat het wel klikt. Meer is het niet. Het gaat erom mensen te bewegen naar de juiste waarden, zonder dat op te blazen. Het gaat om denken in kansen en succes kan hem in heel kleine dingen zitten.”

Po-Magazine

Dit artikel is gepubliceerd in het blad PO-Magazine in december 2018. Dit was een productie voor uitgeverij Instondo.

Samenwerking van onderwijs met jeugdhulpinstellingen en gemeenten

PO-Magazine

Gemiddeld heeft een samenwerkingsverband in het PO te maken met 5,7 gemeenten, 90 scholen en 16,2 schoolbesturen. Wanneer er gezamenlijke afspraken gemaakt moeten worden, zijn er dus veel verschillende partners om mee af te stemmen.

 

Landelijke inventarisatie aansluiting onderwijs en jeugdhulp

Via de zogenoemde Monitor Aansluiting Onderwijs Jeugdhulp probeert het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) regio’s van gemeenten en samenwerkings-verbanden te helpen om in beeld te brengen hoe de samenwerking tussen jeugdzorginstellingen, gemeenten en het onderwijs verloopt. Dit jaar (2018) verscheen het rapport ‘Hoe ervaren de samenwerkingsverbanden passend onderwijs de samenwerking met gemeenten en jeugdhulpinstellingen?’, waarin de ervaringen vanuit samenwerkingsverbanden over de samenwerking met gemeenten centraal staan. Het NJi nodigde alle samenwerkingsverbanden uit voor een telefonisch interview van een halfuur. Uit het po heeft 52 procent daarop gereageerd. De interviewers zagen dat er een goede spreiding is over het land en over grote steden, middelgrote steden en meer plattelandsgebieden.

Veel samenwerkingsverbanden blijken trots op wat ze tot nu toe bereikt hebben. Ze geven aan ‘dat er binnen scholen en gemeenten hard gewerkt wordt aan verbinding, aan het elkaar vinden en het opzetten van samenwerking. ’Dit geldt bijvoorbeeld voor de aanpak, de gebouwde structuur, de ontstane beweging, de systematische opbouw, een prettige samenwerking tussen de scholen, de aanpak van en het terugdringen van het aantal thuiszitters en het aantal vrijstellingen.’

 

We bespreken de reflectie van de bevraagden op het OOGO, op het overleg met ambtenaren en op de uitwerking van de beleidsafspraken op de werkvloer.

 

OOGO

Het grootste deel van de samenwerkingsverbanden voert het OOGO een of twee keer per jaar. Een klein deel doet dit eens per vier of eens per twee jaar. Op het (bij wet verplichte) OOGO wordt op overeenstemmingsgericht overleg gevoerd over de wederzijdse beleidsontwikkelingen en de afstemming tussen onderwijs en jeugdzorg. In de meeste gevallen wordt het OOGO gevoerd door directeuren of bestuurders van de samenwerkingsverbanden po en vo met de wethouders die het onderwijs en het sociaal (jeugd)domein in portefeuille hebben, vaak ondersteund door ambtenaren. Vaak zijn bij het OOGO ook vertegenwoordigers van schoolbesturen aanwezig; in hun rol als toezichthouder van – of als deelnemer aan het samenwerkingsverband.

 

Het OOGO wordt vaker omschreven als een ‘rituele, formele dans’ waar het echte werk door de ambtenaren is verricht. Anderen ervaren het als ‘een feestje’, waar een goede uitwisseling en vaststelling plaatsvindt van ambities.

 

Overleg met ambtenaren

Naast het OOGO wordt er gemiddeld door leidinggevenden van samenwerkings-verbanden zo’n vijf tot zes keer per jaar overleg gevoerd met ambtenaren. Bij ruim een derde is dat vaker, soms zelfs wekelijks of tweewekelijks. Vaak zijn deze overleggen thematisch. Ondanks de vele overlegmomenten wordt slechts 26 procent van de gesproken samenwerkingsverbanden betrokken bij de inkoop van jeugdhulp in de zin van aard, hoeveelheid en aanbieders.

In de meeste gevallen is de samenwerking historisch ontstaan. Voor de start van passend onderwijs was er al een samenwerking vanuit WSNS met het CJG. Ook is er nieuwe toenadering die ontstaat vanuit het landelijke thuiszitterspact of door de verplichting tot het samen voorbereiden en voeren van het OOGO. Volgens de samenwerkingsverbanden wordt de onderlinge samenwerking meer op initiatief van een samenwerkingsverband dan vanuit een gemeente geïnitieerd.

Duurzame én effectieve samenwerking is volgens veel bevraagden een kwestie van een lange adem. Waar het ene samenwerkingsverband nog een hele weg voor zich ziet, maar enthousiast is over de bereikte resultaten, geeft het andere samenwerkingsverband aan dat er nog geen sprake is van samenwerking of nog niet met alle gemeenten.

Gevraagd naar een globaal cijfer voor de samenwerking, splitsen bevraagden hun antwoorden vaak uit naar de beleidsambtenaren en naar de wethouders, en die twee groepen kunnen heel verschillend scoren. Het overleg met de ambtenaren wordt het hoogst gewaardeerd. Over het algemeen is de stemming hoopvol en geeft men ruime voldoendes voor de samenwerking. De kwaliteit van de samenwerking wordt met name gerelateerd aan het proces van samenwerking en dan vooral in termen van relationele aspecten als vertrouwen, respect, ambitie, gezamenlijke taal. Het minst positief is men over de uitwerking van de afspraken in de praktijk van de scholen.

 

Beleidsafspraken op de werkvloer

De variatie in de uitwerking van de samenwerking op de werkvloer is groot. Toch is het voor leerlingen die het nodig hebben juist van belang dat daar goed wordt samengewerkt. Ongeveer twee derde van de samenwerkingsverbanden heeft te maken met een wijkteam, anderen hebben een loket bij de gemeente of een aparte organisatie waar alle zorgaanbieders zijn ondergebracht. De wijkteamconstructie blijkt thuisnabij goed te werken. Samenwerkingsverbanden hebben in veel gevallen zelf een contactpersoon jeugdhulp. Die rol wordt vaak vervuld door een maatschappelijk werker of intern begeleider. Samenwerkingsverbanden en (vooral ook speciale) scholen hebben te maken met grote hoeveelheid en diversiteit van zorgaanbieders. Voor scholen kan het lastig zijn de juiste te vinden of specifiek díe zorgaanbieder te contacten die al bij de leerling of het gezin betrokken is. Samenwerkingsverbanden op hun beurt hebben ook vaak te maken met persoonlijke ‘bondjes’ tussen scholen een zorgaanbieders.

 

Uit het rapport blijkt dat er op de werkvloer nog wat verbeterd kan worden. Snelle, korte lijnen met jeugdhulp worden slechts in 19 procent van de bevraagde samenwerkingsverbanden ervaren. Dit is mogelijk in samenwerkingsverbanden waar op elke school een schoolmaatschappelijk werker of jeugdhulpverlener vaste uren heeft voor lichte jeugd- of gezinshulp en advisering, een team vormt met de coördinator van de school, ouders nauw betrokken worden of waar bij verwijzing het wijkteam het advies overneemt en zorgt voor uitvoering. Bij deze korte lijnen treedt vaak ruis op vanwege grote verschillen tussen meerdere gemeenten of wanneer gemeenten een eigen traject willen opzetten.

Opvallend bij de bevraging was dat een aantal samenwerkingsverbanden aangaf geen zicht te hebben op de samenwerking met jeugdhulp vanwege het hanteren van het schoolmodel. Zij hebben door dit financieel allocatiemodel middelen en verantwoordelijkheid direct bij de schoolbesturen en hun scholen belegd. Ook hebben samenwerkingsverbanden soms alleen zicht op onderwijsgerelateerde problematiek en worden hun scholen of zijzelf niet benaderd als er volgens inschatting van wijkteams alleen jeugdhulp nodig is. Ook waren enkele geïnterviewden nog te kort werkzaam om voldoende zicht te hebben opgebouwd.

 

Goede samenwerking onderwijs

Landelijke cijfers ontbreken nog over de opbrengsten van samenwerking voor leraren, ouders en leerlingen. Een enkel samenwerkingsverband is zelf al bezig dit al in kaart te brengen. Ongeveer 42 procent van de bevraagde samenwerkingsverbanden geeft aan dat de resultaten (nog) niet of onvoldoende inzichtelijk zijn. Wel worden enkele effecten van samenwerking door veel directeuren benoemd:

 

  • De professionals en partners leren elkaar kennen. Dat geldt ook voor scholen onderling. “Strategisch en tactisch hebben we elkaar leren kennen en kunnen we elkaar goed vinden; in de uitvoering is het nog moeilijk.” Het vertrouwen dat de samenwerking tot een goed resultaat gaat leiden blijft overeind: “De concrete aanpak staat er nog niet, maar we werken goed samen. Door met kleine klopjes op een spijker te slaan, komt die er ook wel in.”
  • Leerlingen, ouders en scholen worden steeds beter tevredengesteld, voelen zich beter serieus genomen en worden beter ondersteund.
  • Leerlingen komen eerder in beeld, waardoor escalaties worden voorkomen. Er wordt meer maatwerk geleverd. Er is meer inzet en er worden minder leerlingen ‘over de schutting gegooid’.
  • Er is minder verzuim en het aantal thuiszitters is gedaald.
  • Soms zijn er al bovenschoolse arrangementen ontstaan.

 

Bestuurders kunnen goed opsommen welke factoren wat hen betreft de ingrediënten vormen voor een ‘goede’ c.q. ‘slechte’ samenwerking. Naast de reeds genoemde relationele factoren worden nog andere ingrediënten van een goede samenwerking aangegeven. Dat zijn gedeelde ambitie en het op beleidsniveau gezamenlijk analyseren van praktijkcases. “Door cases aan te dragen maak je duidelijk waarmee onderwijs te maken heeft, hoe ons leven eruit ziet en begrijpen ze wat er nodig is.” Ook het borgen van goede afspraken en een overtuiging dat het samen beter lukt zijn essentieel.

Uiteraard zijn er ook factoren die een goede samenwerking belemmeren. Veelgehoord zijn een onduidelijke rolverdeling en communicatie, ambtenaren en jeugdhulpverleners die geen eigenaarschap aan durven gaan, weinig continuïteit bij jeugdhulp en gemeenten, verschillen tussen gemeenten, een uiteenlopende ambitie en elkaar beconcurrerende jeugdhulporganisaties.

 

De toekomst

Veel samenwerkingsverbanden gaven ook hun wensenlijstje voor de toekomst. Enkele punten lichten we eruit.

 

  • Ruimte om te kunnen handelen in het belang van het kind.
  • Tijd en rust om te overleggen en te ontwikkelen.
  • Een cultuuromslag binnen onderwijs en jeugdhulp waardoor geleefd wordt volgens 1+1=3 principe zodat ze eerder en gemakkelijker elkaars hulp inroepen.
  • Meer jeugdhulp ín de scholen
  • De helft van de samenwerkingsverbanden geeft aan graag gebruik te willen maken van een externe neutrale partner met kennis en expertise op het gebied van jeugdhulp, zorgverzekeraar, gemeente en ‘het bestuurlijke’.
  • Een soort databank of een persoon die op de hoogte is van de pilots en nieuwe initiatieven in den lande, die geconsulteerd kan worden en eventueel ook kan ondersteunen bij het maken van een vertaalslag en een soort intervisie overleg met andere directeuren.
  • Ontschotting van de clusters in het so.

PO-Magazine

Dit artikel verscheen in het onderwijsblad PO-Magazine in december 2018. Ik schreef voor uitgeverij Instondo.

Twents model: jeugdhulp in de school

PO-Magazine

De regio Twente organiseert gezamenlijk de inkoop van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Vanaf 2019 wordt onderwijs en jeugdhulp samengebracht volgens een nieuw Twents model Eelco Eerenberg, wethouder Jeugdhulp en Onderwijs in Enschede, neemt ons mee door het traject waarin dit ‘Twentse model’ is ontstaan.

 

Twents model

In de regio waren onderwijs en jeugdzorg twee gescheiden werelden. Het bleek moeilijk om jeugdhulp snel beschikbaar te hebben; hulp kwam vaak te laat op gang. Ook werd afstemming met het onderwijs en de onderwijsondersteuning gemist. Alleen door het samenbrengen van die twee werelden kunnen kinderen gezond en veilig opgroeien en de onderwijskansen maximaal benutten. Met die doelen voor ogen is Eerenberg praktisch aan de slag gegaan. Er werd in 2017 een conferentie georganiseerd voor allerlei mensen in het veld: het onderwijs, de kinderopvang, JGZ, de gemeente, welzijnsorganisaties en de wijkteams.

Daaraan voorafgaand is er een gezamenlijke reis naar Denemarken geweest.

 

Denemarken

Eerenberg: “We zijn om te beginnen in 2016 gaan kijken in Denemarken, daar gaat dit namelijk al langer goed. We huurden een bus waar alle betrokkenen in konden. Alleen al tijdens die reis hebben we goede stappen gezet om samen te komen. Na de reis was er veel inspiratie opgedaan en lag er een basis. We hebben een aantal dingen overgenomen. Bijvoorbeeld dat dezelfde taal gesproken wordt, er is een gedeeld begrippenkader. Maar ze hadden ook een gekanteld piramidemodel, met in de top een stippellijn. Alles onder die lijn wordt in de school georganiseerd.”

 

Samenwerken ín de school

De regio wil via een goede samenwerking graag inzetten op preventief signaleren. “De truc is om kinderen die dreigen het moeilijk te gaan krijgen vroegtijdig op te sporen”, zegt de wethouder. “Zowel het onderwijs, als de jeugdhulp zijn daarbij essentieel. Als vindplaats, maar ook als werkplaats.

We zetten een grote beweging op touw om de jeugdhulp naar het onderwijs te brengen”. Volgens Eerenberg zijn er veel voordelen voor het samenbrengen: jeugdhulp ín de school: “Er komen zo bijvoorbeeld extra handen in de school.

Die kunnen ook helpen als het in een klas hard werken is. Leerlingen hoeven niet meer met speciaal vervoer naar instellingen buiten school, maar ze kunnen in de school geholpen worden. Ouders kunnen beter worden betrokken en op termijn wordt het voor de regio ook goedkoper.”

 

De bedoeling is dat een aanbieder in de school zit en een klas helpt. Groepsarrangementen en collectieve inkoop pakken uiteindelijk goedkoper uit dan dertig individuele indicaties, zeker als er vroegtijdig en direct gehandeld kan worden. De hulp is immers al geregeld en beschikbaar! Er gaat geen kind de school uit voor ‘hulp’ die al aanwezig is. De eigen school is vaak al een veilige omgeving waar vriendjes en vriendinnetjes aanwezig zijn die kunnen helpen. Pas in het allerbovenste puntje van de gekantelde driehoek heb je gespecialiseerde hulp op een andere locatie nodig. Eerenberg: “Er is hier in Twente dus een enorme focus op het zo lang mogelijk samen oplossen binnen de community van de school.” De gemeente heeft de wijkcoaches ingezet als katalysator om organisaties samen te brengen. Onderwijs en jeugdhulp worden meegenomen bij de inkoop van jeugdhulp.  Het gevolg is dat er afstand wordt gedaan van ‘een woud’ aan kleine zorgaanbieders. Er zijn in 2018 zes pilotscholen geselecteerd waar in de school een jeugdhulpaanbieder komt, die de school ontzorgt.

 

Pilot ‘OJA’

In Enschede zelf richt Linda Kuiper, senior adviseur Sociaal Domein,  zich op de verbinding tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeente Enschede. Zij is van meet af aan nauw betrokken bij de nieuwe werkwijze. Ook zij noemt de Denemarkenreis als een goed begin. “Al veel langere tijd is er samenwerking met het onderwijs, maar de decentralisatie zagen wij als een kans om de samenwerking verder te verstevigen. Onderwijs en gemeente willen feitelijk hetzelfde. Samen in gesprek gaan geeft inzicht in de struikelpunten, maar ook in elkaars opgave. De gekozen werkwijze heeft ons ook veel energie en inzicht opgeleverd.” Toen men elkaar had gevonden zijn er themagroepen opgericht in Enschede binnen onderwijs en jeugdhulp. In een volgend stadium zijn daar ook andere partners in betrokken. Samen wordt bekeken welke thema’s opgepakt en vormgegeven kunnen worden.

“De pilot waarbij de jeugdhulppartner in de school aanwezig is noemen we ‘oja’, dat staat voor onderwijs-jeugdhulp-arrangement. Hierbij zijn onderwijsorganisaties betrokken, jeugdhulporganisaties en de wijkteams,” vertelt Kuiper. “We willen zo vroeg en zo snel mogelijk de kinderen de ondersteuning geven die ze nodig hebben. De school is een perfecte plaats om vroeg te signaleren. Maar ook een veilige plek om snel en effectief hulp te bieden. Dat hopen we met de pilot oja te bereiken.“

 

Toekomstdroom

In schooljaar 2018-2019 is de pilot op zes scholen dus gestart. De proef loopt drie jaar. In die tijd moet blijken wat goed werkt en waar eventueel nog bijsturing nodig is. Op een andere school loopt al langer een ander initiatief.

“Die loopt hierop vooruit, we noemen dat de alles-in-een-school”, zegt Eerenberg. “Die is van 7 tot 7 open en ouders kunnen er ook taalles krijgen. Enschede heeft een aantal gemeenschappen waar taal een uitdaging is, ook voor ouders. Met dat soort mooie combinaties zijn we begonnen. Dit soort zaken hebben we straks samen gerealiseerd op de alles-in-een-school en de zes pilotscholen. Mijn droom is om de zorgcombinatie naar alle scholen te kunnen uitrollen. Het is tevens mooi meegenomen als we op deze wijze de allergrootste klachten op onze scholen – werkdruk en complexiteit – kunnen wegnemen en hen zo ontzorgen. Dat is goed voor het werkplezier van leraren en goed voor kinderen. Als we over twee jaar evalueren hoop ik dat we hierin zijn geslaagd.”

 

Po-Magazine

Dit artikel is geschreven voor het blad PO-Magazine, december 2018, van uitgeverij Instondo.

Column: NLroei: LAAT MIJ MAAR SCHRIJVEN

Vorig jaar schreef ik onderstaande column, waarin ik graag uiteenzet waarom ik schrijf voor het roeiplatform NLroei. En dat geldt nog steeds. En nog steeds is er een redactiekas….

Ik ben zelf nooit een roeiwonder geworden en ook als coach heb ik nooit echt noemenswaardige dingen bereikt. Toch kan ik zeggen dat ik sinds twee jaar verzeild ben geraakt in de dagelijkse roeipraktijk. En dat is mooi.

In mijn studententijd ben ik via Orca met roeien in aanraking gekomen. En aangezien ik als student journalistiek ook in het schrijven bedreven raakte was een directe klik makkelijk ontstaan. Van het een kwam het ander.

Twee jaar geleden werd ik samen met twee andere redacteuren betrokken bij het “nieuwe” NLroei. Zo leerde ik de roeiwereld pas echt kennen. Als lid van een betrokken en efficiënte redactie met een mooi doel: het nationale roeien op een eigen wijze dagelijks verslaan. En aan een steeds groeiende lezersgroep is te merken dat verslag van de dagelijkse gang van zaken wordt gewaardeerd.

Ik vind het belangrijk dat toproeien in de verticale lijn de aandacht krijgt. Behaalde medailles op internationale toernooien zijn fantastisch en lezers van binnen en buiten de roeiwereld smullen ervan. Maar daar moet het niet allen over gaan. Waar de basis van het roeien vaak wordt aangeleerd in een eerstejaarsploeg, behoort de verslaggeving ook daar te beginnen. Gedurende het seizoen maak ik met plezier mijn berichten over de eerstejaars- en developmentprestaties. Ook dat is roeisport en belangrijk om te belichten.

Zelf nooit aan de start van een groot toernooi hebben gelegen kan soms een voordeel hebben bij het maken van stukken. Tijdens interviews –met name met oud gedienden- vraag ik soms naar heel basale zaken, waarvan ik me achteraf soms afvraag of ik dat niet had moeten weten. Het antwoord is vrijwel altijd ‘neen’. Wat ik geregeld terughoor is dat mensen het waarderen om de basis op een, laat ik het “jip-en-janneke-manier” noemen, uitgelegd te krijgen.

Voor andere opdrachtgevers in de journalistiek schrijf ik vaak voor geschreven pers, dag en maandbladen of grotere platforms. NLroei is sneller, vluchtiger en kleiner, maar vooral is de doelgroep dichterbij. De feedback op mijn stukken is daarmee ook veel directer. Vaak levert dat een enorme pluim op. Op andere momenten zijn de kritische mensen. Soms terecht, soms onterecht in mijn ogen. En omdat ik betrokkenheid op andere plaatsen vaak mis, zegt dat wat over die bij NLroei.

En we kunnen wat bereiken. Behalve goed gelezen stukken was ik bijvoorbeeld enorm trots op alle tienduizenden handtekeningen bij een petitie voor twee olympisch gekwalificeerde Belgen, die spijtig genoeg alsnog niet naar Rio mochten. In 2016 bij de Holland Beker door Mahé Drysdale uitgereikt aan de FISA. Op zowat alle vlakken is blijk van een betrokken lezersgroep en, wederom, de waardering voor de sport.

En die betrokken lezersgroep wil ik graag behouden. Veel heeft het financieel nog niet opgeleverd. En dat is niet erg. Ik zal er ook nooit van hoeven zwemmen in het geld, maar ik vind het van belang dat ons platform blijft bestaan en dat we ons werk kunnen doen. Zolang onze stukken steeds beter worden gelezen zijn we nodig. Zolang mensen zich met wat voor reactie dan ook betrokken blijven voelen bij het nieuws dat we brengen zijn we goed bezig. Dat geeft onafhankelijk roeinieuws, mijn werk, en dus NLroei bestaansrecht.

Doneer aan NLroei.

BOCS: Preventieve aanpak terugdringen thuiszitters

bocs nieuwegein

Het onderwerp thuiszitters is een van de lastigere thema’s van passend onderwijs. Er wordt veel geworsteld met de vraag hoe je voor elkaar krijgt dat er uiteindelijk niemand meer thuiszit. In de regio Nieuwegein is er een succesvolle en preventieve aanpak ontwikkeld: het zogenaamde BOCS (Begeleiding Ondersteuning Coaching en School).

BOCS

Dit programma is in 2011 ontstaan binnen sbo-school De Evenaar. Gymdocent Jesper van Dam is een van de oprichters. Hij merkte, net als de orthopedagoog van de school, dat er veel leerlingen vastliepen en dat daar eigenlijk niet een vast plan voor was. Zowel bij de gymdocent als bij de orthopedagoog kwamen veel leerlingen langs die uitvielen bij de lessen in de groep. “Wij vonden dat er een eenduidig plan moest komen waarbij ook ouders betrokken moesten worden”, zegt Van Dam. “We zijn toen verschillende elementen gaan combineren.” Zo is BOCS ontstaan.

“Eigenlijk houden we de leerlingen de hele dag een spiegel voor en we reflecteren telkens op hun gedrag.”

In dit bovenschools gedragsprogramma wordt een groep van acht of negen leerlingen geformeerd. “Leeftijd maakt niet uit, leerlingen van vier tot twaalf zitten door elkaar heen. Ze zitten in een schoolsetting en we zorgen ervoor dat ze niet achter gaan lopen”, schetst Van Dam. De leerlingen blijven tijdens dit traject ingeschreven bij de school van herkomst; dus is het eigenlijk een vorm van ‘onderwijs op een andere locatie’. Alle leerlingen werken gewoon door met de reguliere lesstof uit hun eigen methode. Wel worden ze didactisch en pedagogisch heel intensief begeleid op school maar ook thuis door hun ouders. Een belangrijk uitgangspunt is dat alle leerlingen van elkaar kunnen leren. “Of je nu heel slim bent, extravert of juist wat trager, ze moeten er allemaal mee om leren gaan in het dagelijks leven. Dat proberen we ze ook  mee te geven.” De meeste leerlingen laten vanuit BOCS een duidelijke vooruitgang in gedrag zien.

 

Spiegel voorhouden

Het programma is leerlinggericht. De kleine setting geeft ruimte om te kijken wat een leerling nodig heeft. In de kern start de begeleiding met observeren en te kijken wat er het beste bij de individuele leerling past en hoe die begeleiding wordt ingevuld. Wanneer moet je juist de leerling helpen door vragen te stellen en wanneer ondersteun je de leerling het beste door hem  met rust te laten?

“Deze ervaringen en observaties brengen we in kaart. We doen dit in samenspraak met ouders en met de school van herkomst. Zo zorgen we ervoor dat leerlingen niet ontsnappen aan de schoolpraktijk en dat ouders meegenomen worden en helemaal achter de gemaakte keuzes staan.” Er ontstaat een veilig netwerk rondom de leerling. Van Dam: “Eigenlijk houden we de leerlingen de hele dag een spiegel voor en we reflecteren telkens op hun gedrag.” Zo wordt onderzocht hoe een leerling bijvoorbeeld reageert als hij een halfuur langer moet gaan rekenen of hoe een leerling, die niet goed tegen zijn verlies kan, reageert als hij bij het buitenspelen bij een spel verliest. Het doel is om zaken voor te zijn en soms om ze ergens juist tegenaan te laten lopen en daarmee aan de slag te gaan. Buiten de gewone didactische lessen zijn er veel levenslessen: wat heb je nodig om als mens in de maatschappij te functioneren? Als we weten wat er wel en niet werkt kunnen we ermee aan de slag en kunnen we ook anderen meenemen.

“Als je de ouders meeneemt en overal eerlijk en open over bent, krijg je ook openheid terug.” Aan het begin van de ochtend en aan het eind van de middag is er ruimte om met ouders te “zitten”. Er is een soort koffietafel waar ouders ook elkaar spreken over hun kinderen: zo leren zij van elkaar.

 

De leerlingen die bij BOCS aan de slag gaan hebben in de regel problemen met:

  • leerproblemen;
  • een ernstig vertraagde taalontwikkeling;
  • een ernstig vertraagde rekenontwikkeling;
  • ernstige problemen in hun sociaal-emotioneel functioneren;
  • behoorlijke gedragsproblemen en/of werkhoudingsproblemen;
  • schoolangst.

 

 

Terug geleiding

Behalve de begeleiding die past bij de leerling wordt ook bekeken of ouders of de leraar op de school van herkomst wellicht begeleiding nodig hebben. Als deze ondersteuning geregeld is kan de leerling terug naar de school van herkomst. “En in een enkel geval is er zo veel gebeurd op de vorige school dat we inschatten dat het beter is de leerling op een andere reguliere school een nieuwe start te laten maken. Ook kan het voorkomen dat een leerling gewoonweg meer nodig heeft en stellen we een s(b)o-school voor”, aldus Van Dam. In dat geval worden secure processen gevolgd waarbij ouders, leerling en oorspronkelijke school worden meegenomen. “We starten het gesprek met wat ons advies zou zijn en vragen hoe de andere betrokkenen daarover denken. Indien de leerling teruggaat naar de school van herkomst bespreken we met de school en de leraar wat hij nodig heeft aan coaching. Als de leerling in aanmerking komt voor speciaal (basis) onderwijs bespreken we welke stappen door wie gedaan moeten worden, bijvoorbeeld het aanvragen van een tlv.” Alles is erop gericht om de leerling zo snel mogelijk weer naar school te krijgen in een setting waar hij blij van wordt.

 

Net anders

Preventief omgaan met thuiszitters heeft te maken met op tijd signaleren. Daarbij zijn uiteraard de scholen hard nodig. Zij schatten in wanneer het handig is om BOCS in te schakelen voor een leerling of in sommige gevallen om mee te kijken bij de praktijk in een klas die niet goed loopt. “We merken wel eens dat scholen nog niet altijd zijn voorbereid op passend onderwijs dat zij aan sommige leerlingen moeten bieden. Ze weten niet altijd de antwoorden op ondersteuningsvragen die leerlingen hebben. Daar lopen ze wel eens in vast. Die expertise ontwikkeling is wel gaande, maar zal nog wel meer tijd nodig hebben”, merkt Van Dam.

Wat bij BOCS goed blijkt te werken is een gemoedelijke sfeer en een bepaalde laagdrempeligheid. Het hele team werkt volgens een open en eerlijk principe en op een praktische en pragmatische manier. Daar moet je volgens Van Dam wel tegen kunnen, maar dat maakt het wel succesvol. Het doel is iedereen een eerlijke kans geven. Van Dam: Je krijgt zelfs wel tien kansen, ook al heb je het eerder verpest. Dat voelen mensen en daardoor gaan mensen ook op een andere manier zo’n traject aan. We zijn daarin net anders dan anderen.”

 

PO Magazine

Dit artikel verscheen in PO Magazine van september 2018. Meer berichten onder de tag po-magazine.

Instagram: Familie ️

Familie ️ –
Instagram: Familie ️
– %%text%%

Instagram: Een bijna bruid gaat smullen (hoop ik). #ssstzeslaaptnog #goedemorgen #ontbijt #eitjeerbij #trouwen #voorpret #verrassing #eieiei #ontbijtjeopbed #ontwaak

Een bijna bruid gaat smullen (hoop ik). #ssstzeslaaptnog #goedemorgen #ontbijt #eitjeerbij #trouwen #voorpret #verrassing #eieiei #ontbijtjeopbed #ontwaak –
Instagram: Een bijna bruid gaat smullen (hoop ik). #ssstzeslaaptnog #goedemorgen #ontbijt #eitjeerbij #trouwen #voorpret #verrassing #eieiei #ontbijtjeopbed #ontwaak
– %%text%%

Instagram: We waren op een #bruiloft samen ️.

We waren op een #bruiloft samen ️. –
Instagram: We waren op een #bruiloft samen ️.
– %%text%%