Nieuws uit het bos: De winter voorbij

De winter heeft al plaatsgemaakt voor de eerste lentezon. Na een droge zomer is er eigenlijk nog steeds te weinig neerslag om de grondwaterstanden op peil te krijgen. Natuurbeheer en de waterschappen proberen dit zo goed mogelijk te regelen. Het is toch een beetje spannend hoezeer de natuur in de bossen geleden heeft onder de droogte van de afgelopen twaalf maanden.

Dat gaan we de komende maanden zien. De komende maanden zal opvallen dat sommige bomen en struiken het lastig hebben of het zelfs helemaal niet hebben gered. Aan andere planten zal weinig te zien zijn. Hoeveel schade er is en waar deze precies te zien zal zijn is zo aan het einde van de winter vaak nog lastig te zeggen. Maar vanaf nu wordt het tijd om goed rond te kijken. Overigens speelt het weer van de komende maanden ook een grote rol. Het moet niet te droog worden, maar ook niet te koud.

Ook voor Staatsbosbeheer is het einde van de winter ingetreden. Her en der is sinds begin februari al veel gekapt. Dit jaar zijn vooral de Seterse Bergen en De Vijftig Bunder aan de beurt voor groot onderhoud.

En dat groot onderhoud kan er rigoureus uitzien. Het doel is vooral om ruimte te scheppen voor de bomen, om op termijn een divers bos te creëren. “Het doel van de werkzaamheden is om bomen te verwijderen om licht en ruimte te maken voor bestaande bomen die dan dikker kunnen worden. Door meer licht en ruimte te creëren krijgen jonge bomen de kans om te ontkiemen, dit komt de variatie van het bos ten goede. De werkzaamheden vallen onder regulier beheer dat noodzakelijk is om het bos toekomstbestendig te houden. Bos blijft Bos”, legt boswachter Floris Hoefakker uit.

Hoe heftig de kap er soms ook uitziet, Staatsbosbeheer houdt de schuilplaatsen van dieren, hoe klein ook, zorgvuldig in de gaten. Het bos blijft een multifunctioneel karakter hebben. Dat wil zeggen dat recreatie, landschap, cultuurhistorie, natuur en duurzame houtproductie allemaal plaatsvindt. Het hout komt terecht in Nederland en de opbrengst wordt weer gebruikt voor het bosbeheer.

Dit artikel verscheen in De Dorstlezer van maart 2019.

‘Leve onze leraren’

PO-Magazine

“Onze leraren zijn geweldig. En bovenal deskundig”, vindt Emiel van Doorn. Maar ze hebben gaandeweg steeds meer op hun schouders gekregen volgens de expert in mediërend leren. Wat Van Doorn tegen de borst stuit is het gebruik van eindeloos vaste protocollen, instructiemodellen en toetsen. “Dat maakt onze leraren vooral bekwaam in het geven van instructie en in het begeleiden van hun leerlingen. Dankzij dat vele toetsen wordt er (te) veel druk op zowel de leerlingen als de leraar gelegd.”

Zijn boodschap is: “het is niet nodig om zoveel te toetsen als we vandaag de dag vaak doen”. Van Doorn wijst op de vele uren die een leraar besteedt aan de afname van toetsen. De toetsen worden niet alleen afgenomen, maar moeten ook worden gemaakt en achteraf worden nagekeken en administratief verwerkt worden. “Natuurlijk moet je af en toe kunnen peilen hoe het ervoor staat met een leerling, maar we hoeven echt niet al die overhoringen en toetsen af te nemen.” De afnametijd en de uren die besteed worden aan nakijken en aan de administratie, kunnen dan beter besteed worden. “Bovendien raken leerlingen gestrest omdat ze worden overhoord en dus direct worden geconfronteerd met wat ze antwoorden op dat moment. Iedereen verliest feitelijk als de leerlingen in de stress raken en de leraar veel tijd kwijt is. Is dat nou nodig?” De confrontatie met toetsen en toets uitslagen kent Van Doorn goed. Zelf is hij dyslectisch en dat speelde hem nogal eens parten tijdens zijn carrière op school. Inmiddels mag hij zich auteur noemen van meerdere boeken. “Ik weet dat ik niet goed kan spellen, dus dan moet ik het proces dat gepaard gaat met het schrijven van mijn boek anders aanpakken dan iemand die wel goed is met spellen”, legt hij uit. “Dat kan met leerlingen en hun specifieke aanpak ook.”

Onze leraren zijn geweldig en bekwaam; maar het is echt niet nodig om zoveel te toetsen zoals we vandaag de dag vaak doen”.

“De huidige toetsdruk maakt het ingewikkeld om oog te blijven houden voor de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen. Het voortdurend verantwoording moeten afleggen komt het leerproces niet ten goede. Ook voor de ouders werkt dat belemmerend.” Dus leraar, leerling en ouder zouden allemaal niet gebaat zijn bij een toetscultuur. Naast minder toetsen doen leraren er goed aan om te investeren in een ontwikkelingsgerichte relatie met hun leerlingen. Daarbij is het volgens Van Doorn belangrijk dat zij aansluiting zoeken bij hun leerlingen en hun actuele leerniveaus. “Als die aansluiting goed is, dan is toetsen om te kijken waar een leerling staat in elk geval minder nodig.” Leerkrachten zouden minder afgerekend moeten worden op het toepassen van instructiemodellen, toets resultaten en procedures. Meer zou gekeken moeten worden hoe zij leerlingen verder hebben laten ontwikkelen.

 

Wat aandacht krijgt groeit

“Leerlingen en ouders kunnen en willen best accepteren dat sommige leerresultaten wat achterblijven of net wat later worden opgepakt, mits ze te horen krijgen dat er desondanks sprake is van ontwikkeling op veel andere gebieden”, stelt Van Doorn. “Laten we ons, zeker als leraren, niet gek maken met opmerkingen als: ‘dit moet van de inspectie’, of ‘pas op, we moeten niet onder het landelijke Cito-gemiddelde terecht gaan komen’ of ‘wat ga jij doen aan het slechte cijfers van je leerlingen’?”. Van Doorn pleit om in plaats daarvan te richten op het bewust maken van leerlingen van hun talenten, kwaliteiten en mogelijkheden, en hen probleemeigenaar te maken van zoveel mogelijk van hun ontwikkelvragen.

En daar ligt de crux. “We zijn zo ontzettend getraind, opgevoed en getriggerd om te kijken naar waar het fout gaat, dat we vergeten om te kijken wat er goed gaat. Dat we vooral de focus hebben op wat er niet goed of wat onder het gemiddelde is. Terwijl we zo blij worden van de dingen die juist wel goed gaan en daarop complimenten krijgen. Het is niet motiverend om steeds te horen te krijgen dat we niet voldoen aan een norm, niveau of wat dan ook. Wat doet dat uiteindelijk met je zelfbeeld, je zelfvertrouwen en je wens tot zelfontwikkeling?”

Ik weet dat ik niet goed kan spellen, dus dan moet ik het proces van een boek schrijven anders aanpakken dan iemand die wel goed is met spellen.

Leerlingen en hun ouders hebben er veel meer aan om aan de slag te gaan met de kennis dat zij hun ontwikkelvragen ‘samen’ met anderen kunnen aanpakken en oplossen.. Want, zo zegt Van Doorn, wat aandacht krijgt, dat groeit. Maar het moet wel op de juiste manier aandacht krijgen. En dat is niet door af te rekenen op fouten als het aan Van Doorn ligt. “Een leerling kan werken aan bijvoorbeeld rekenen terwijl hij daar minder goed in is. Maar als hij dat samen met anderen mag uitvoeren dan houdt hij een positief toekomstbeeld. Dat zal hem veel beter afgaan dan dat hij bang is om op de toets voor zijn kunnen te worden afgerekend.”

De leerlingen zouden dus moeten weten dat het samen mag, want alleen in het onderwijs word je afgerekend op wat je alleen kan en in de maatschappij zal je het uiteindelijk samen met een ander oplossen. Een leerling moet perspectief hebben. Het is voor een kind en voor de ouders niet zo prettig om te horen dat het kind een achterstand heeft. Het is overigens ook maar net de vraag waarmee je vergelijkt. Het is toch voldoende en ook beter om te weten op welk niveau je kind het functioneert en of er ontwikkeling is geweest inde afgelopen periode? Alleen investeren in beperkingen is een doodlopende weg. Ontwikkeling kent bij iedereen pieken, dalen, tempoversnelling en opstoppingen; dat is niet gek, dat is natuurlijk. Een stap voor stap voor gestructureerde methodiek sluit daarop vanzelf onvoldoende aan.

Het gaat er vaak niet om dat hij ergens niet goed in is, de manier van werken doet ertoe. Kinderen die in het ene vak of met de ene vaardigheid minder  goed zijn, kunnen gewoon de huidige participatiemaatschappij in, ziet Van Doorn. “Het gebrek aan iets maakt normaal gesproken niet het verschil. Juist de talenten en de kwaliteiten die een leerling heeft kunnen hem ver brengen. Kijk naar wat ik met mijn dyslexie toch maar voor elkaar krijg.” Met andere woorden, de focus op het gebrek aan kennis of kunde bij een vak, zal een leerling veel minder helpen dan de focus op de vraag waar een leerling wil komen. Dan kunnen we spreken over de vraag hoe dit dan zal lukken. “En in dat proces ontstaat een belangrijke, kwalitatieve relatie tussen de leerlingen onderling en met de leraar.”

Emiel van Doorn (1960) is de drijvende kracht achter (de totstandkoming van) Mediërend Leren. In april verschijnt zijn nieuwe boek over dit onderwerp. Emiel heeft een onvoorwaardelijk geloof in de krachten, kwaliteiten en ontwikkelingsmogelijkheden van elk mens. Zijn levensmotto is: Als je niet voor de kwaliteiten van iemand gaat, dan moet je van zijn beperkingen afblijven!

Dit artikel verscheen in PO Magazine van februari 2019. Lees hier meer.

“Het gaat om het creëren van de juiste plaats, dat betekent anders organiseren”

PO-Magazine

Bart van Kessel is duidelijk. Iedereen doet mee en dan is passend onderwijs geslaagd. Dat betekent voor de leerling een stap van thuiszitten naar anders leren. Voor de school betekent dit: anders organiseren. Er moet iets gebeuren waardoor het op school allemaal wél past.

Dat is natuurlijk makkelijk gezegd, maar vaak ziet Van Kessel dat allerlei vaste routines, handelingen en normen in de weg zitten om het handelen met een leerling die is thuis komen te zitten mogelijk te maken. Van Kessel triggert scholen om dat los te laten en vooral te proberen om flexibeler te denken. “Als creatief en flexibel mag, wie is er dan nog handelingsverlegen?”, is uiteindelijk zijn uitgangspunt. Natuurlijk leert de ene leerling makkelijker dan de andere. Maar leerlingen die het nodig hebben, hebben volgens Van Kessel baat bij een plek waar ze mogen vallen en opstaan. “Die plek bieden wordt vaak als lastig ervaren. Het betekent dat een recept dat bij veel leerlingen werkt, bij deze leerling niet smaakt. Daar kunnen we vaak geregeld lastig mee overweg. Wees dan creatief”, is zijn devies.

“Een situatie is natuurlijk te benaderen vanuit wet en regelgeving, maar daarmee los je het vaak niet op. Je moet inhoudelijk en situationeel op de goede route uitkomen.”

Er komt – als het aan Van Kessel ligt – een zoektocht op gang naar de juiste setting. De leerling verandert niet alleen, maar vooral ook de setting rondom hem heen. “We moeten beseffen dat dit proces niet zelden gepaard gaat met boosheid, teleurstellingen of onmacht. Laat je niet bang maken door dat soort uitingen.” Een andere boodschap van Van Kessel is om goed te kijken naar wie zich op welke manier buigt over een thuiszittende of mogelijk thuiszittende leerling. “Vaak zie je dat de situatie rondom een leerling benaderd wordt vanuit allerlei hoeken. Naast de leraar hebben ook de directeur, het wijkteam en leerplicht een zegje. Situaties en casuïstiek zijn natuurlijk te benaderen vanuit wet en regelgeving, maar daarmee los je het vaak niet op. Je moet inhoudelijk op de goede route komen. Dan wordt het grootste succes vaakbehaald en vinden kinderen hun plaats. Ofwel, het gaat vaak om kinderen die wij de juiste plek niet weten te geven. We mogen het niet bij het kind wegleggen als het niet lukt om die plaats te bieden.” Soms lijkt het een probleem van het kind terwijl het eigenlijk meer een systeem- of organisatieprobleem is.

De laatste wagon

Iedereen moet omgaan met de situatie van het kind. Het kind zelf, de leerling, zijn ouders, de klas, de leraar, etc. Dus dat vergt samenwerking. “De een is daar beter in dan de ander. Maar je kunt het nooit alleen. Hoe graag je het ook alleen zou willen doen, je bent samen de motor.” En in elke klas zit zo’n leerling. Er is altijd iemand de laatste wagon, in de klas, op school en later in elke organisatie. En die wagon is eigenlijk altijd complex. Allerlei lastige vragen, situaties en voorvallen komen samen bij juist díe wagon. En als die wordt afgekoppeld en op het spoor van speciaal onderwijs gezet, dan is er altijd weer een ander de laatste wagon. “En dan begint het hele feest weer van voor af aan.” Maar hoe zorgen we ervoor dat de laatste wagon blijft aangehaakt en niet wordt afgekoppeld of zelf stopt met rollen? Als het gaat om het creatief omgaan met kijken wat een leerling nodig heeft en het afstappen van het standaardrecept, is het in zekere zin lastig om concreet en in het algemeen te beschrijven wat er gedaan moet worden om ervoor te zorgen dat de lastige leerling aangehaakt blijft en in de juiste richting mee gaat draaien. Toch noemt Van Kessel wel enkele richtlijnen die van pas zullen komen:

  1. Accepteer dat er laatste wagons bestaan en accepteer ook dat dit geen schande is. Deze wagons horen erbij en moeten daarom aangehaakt blijven. Weet: als ik hem ontkoppel dan komt de volgende.
  2. Realistische verwachtingen rondom een leerling ontwikkelen is belangrijk. Als een kind een lage intelligentie heeft, gaat hij nooit het gymnasium halen. Dat moet dan ook niet in je verwachtingspatroon liggen. Er kan een zekere vorm van emotiemanagement nodig zijn om dit inderdaad een juiste en realistische plek te geven. En dat gaat soms niet van de een op de andere dag. Als een leerling autisme blijkt te hebben, kan het even tijd nodig hebben voordat dit een juiste plek bij alle betrokkenen krijgt. Iedereen zal moeten leren leven met het feit dat deze leerling autisme heeft. Neem daarvoor de ruimte.
  3. Er is dus bij voorbaat geduld nodig en ook heel veel luchtigheid.
  4. Daaruit volgt een plannetjevoor in de klas. Dat moet een reëel en praktisch plannetje Het maken daarvan hoeft niet teveel tijd in beslag nemen en de loopduur van het plannetje ook niet, vaak is een week of twee a drie voldoende. Het devies is: vooral beginnen en laat de rest maar vanzelf ontstaan. Het moet een richtinggevend begin zijn van een route rondom een vraagstuk waarvan de uitkomst vaak nog niet helemaal duidelijk is. En die hoeft ook nog niet vastgepind te liggen. Maar er moet wel een duidelijke weg worden ingeslagen. Er moet een actiegericht begin zijn. Er hoeft geen methode voor te zijn, maar het is wel net wat anders dan je tot nu toe hebt gedaan.
  5. Daarna is het zaak om goed, eerlijk en realistisch te blijven kijken of nog steeds koers wordt gehouden op de juiste weg.

“Het gaat om het vinden van een route waar niet al een gebaand pad is. Waar nog geen pasklare antwoorden liggen”, legt Van Kessel uit. “Wat nodig is, is de durf om te experimenteren en samen te kijken of de goede weg wordt bewandeld. Of de juiste paden nu wel worden gebaand.” Van Kessel benadrukt het belang van het monitoren. “Met alle goede bedoelingen bedenken we hoe een leerling gaat passen in de klas of een arrangement. Maar het is niet terecht om te verwachten dat dit kind vanaf morgen keurig in lijn loopt met de rest.” Daar is meer voor nodig. Daarvoor moet gekeken worden hoe de situatie evolueert. “Je moet niet pas na drie maanden gaan evalueren hoe het gaat. Nee, dat moet je morgen doen. En om je gerust te stellen, overmorgen ook. En daarna met tussenpozen van een paar dagen. Als je zo vaak samen naar de ingeslagen weg kijkt, is bijsturen als het niet gaat ook makkelijker, sneller en het maakt de school beter handelingsbekwaam. Zeker als je dit samen doet.

Hoe zorgen we ervoor dat de laatste wagon blijft aangehaakt en niet wordt afgekoppeld of zelf stopt met rollen?

Het plannetje is gesteld op papier, maar het wordt gedaan door mensen die met een bepaalde onzekerheid beginnen aan een traject. Die mensen zijn met zijn allen aan het zoeken en zouden het elkaar dus moeten gunnen om te vallen en weer op te staan.” Mensen hebben in de praktijk een bepaalde afstand tot elkaar die naar elkaar moet groeien. “We maken vaak de fout te denken dat we dingen op een blaadje zetten en dat het dan wel goed komt. Dat we dan weer verder kunnen. Vaker evalueren is een weg van vallen en opstaan. Maar het is uiteindelijk wel het best voor alle betrokkenen. Want van de kinderen die de laatste wagon zijn, kun je het meeste leren. Wat je van dit ene kind leert, kun je later weer gebruiken om anderen de juiste plek te bieden. Het zijn dan misschien de meest lastige, maar ook de meest leerzame gevallen.”


Dit artikel verscheen in PO Magazine van februari 2019. Meer is hier te vinden.

Spring High in Amsterdam: “Het stellen van eigen doelen motiveert”

PO-Magazine

Leerlingen ontdekken zichzelf en komen er achter wat ze willen, zonder dat de school daarbij sterk stuurt en selecteert. Dat is het basisuitgangspunt bij Spring High, een onderwijsinitiatief in Amsterdam Nieuw-West voor zowel het primair – (po) als het voortgezet onderwijs (vo). Op basis van capaciteit, ontwikkeling en interesse ontplooien zij zich om een vitaal en duurzaam leven te kunnen leiden. Het motto luidt: ‘Durf jij het beste uit jezelf en anderen te halen’?

Spring High biedt het zogenaamde 10 – 14 onderwijs. Er is geen harde overgang meer tussen het traditionele po en vo. De laatste twee groepen van het po, zitten in hetzelfde gebouw als de onderste groepen in het vo. “Daarmee creëren we doorlopende leerlijnen, zowel pedagogisch-didactisch als op vakinhoudelijk vlak”, zegt Camyre de Adelhart Toorop. Zij is de directeur van Spring High.

Het vernieuwde schoolconcept kwam tot stand door een samenwerking van de besturen van Esprit Scholengroep en de Stichting Westelijke Tuinsteden. “Bij Spring High willen we inclusief onderwijs aanbieden, waarbij je steeds weer door kunt gaan vanaf het punt waar je tot op dit moment bent gekomen. Kortom, we selecteren niet op niveau om leerlingen in een ‘stroom’ of ‘route’ in te delen.. Leerlingen leren wie ze zijn, wat ze kunnen en vooral ook wat ze willen.”

Dit onderwijsconcept is opgestart vanuit het besef dat het klassikale, leerkracht gestuurde onderwijs de motivatie van leerlingen tekort doet.

“Bijvoorbeeld bij rekenen bekijken we wat de leerling al kan. Vervolgens wordt op een heldere manier de volgende stap geformuleerd. Dan wordt duidelijk wat de leerling nu moet gaan leren.” Op deze manier worden alle cognitieve vakken en de studievaardigheden ingestoken. “Daarnaast leren we via projecten nog andere vaardigheden aan”, legt De Adelhart Toorop uit. “Denk daarbij aan samenwerken, presenteren, je creativiteit gebruiken en je eigen inbreng vergroten.” Met die projecten wordt de maatschappelijke betrokkenheid aangewakkerd.

Einde klassikaal onderwijs

Spring High betekent ook het einde van het klassikale onderwijs. De Adelhart Toorop: “Het werkt niet zo dat iedereen moet luisteren naar de leraar voor de klas, die aan de slag gaat met werkwoordspellen of zegt ‘open je boek maar op bladzijde zoveel’. Terwijl er in zo’n klas misschien vijf of tien leerlingen zitten die dit al prima kunnen. Zij kunnen in ons systeem dan iets anders gaan doen. De focus is gericht op de individuele leerling; met het besef dat deze opereert binnen een grotere leergemeenschap. We kijken wie er voor ons staat en wat die leerling nodig heeft.”

De Adelhart van Toorop vindt het prettig om daarmee al te starten met kinderen vanaf 10 jaar oud. “We kunnen ze dan al vroeg meenemen in de groei. We willen leerlingen in groep 8 niet meer vertellen wat hun niveau is en ze dan ergens indelen. Dat doet ook wat met de motivatie. Je bent niet je niveau, je bent wie je bent en je staat ergens. Het is veel belangrijker om te weten waar je heen gaat. Van daaruit ga je verder. De fixed mindset‘je bent mavo, of je bent havo’, daar doen we dus niets meer mee.” Daarbij wordt tegelijkertijd ook geprobeerd om het aanbod zo passend mogelijk te laten zijn. Leerlingen krijgen bij Spring High veel vrijheid en ook ruimte om te bewegen. ontdekkingstocht naar jezelf en wat je kan is dus ook letterlijk een actief proces. Vitaliteit wordt erg belangrijk gevonden in het schoolconcept. Dagelijks krijgen de leerlingen beweging, zowel binnen als buiten.

De motivatie om dit onderwijsconcept op te starten komt voort uit het besef dat het klassikale onderwijs de motivatie van de leerling tekort doet. “Wanneer de leraar zegt wat een leerling moet doen, zal hij veel minder gemotiveerd zijn om aan de slag te gaan dan wanneer een leerling zelf bedenkt wat hij nodig heeft. Het stellen van eigen doelen proberen we steeds te doen.” Maar een bepaalde

vrijheid brengt ook verantwoordelijkheid met zich mee. “Omgaan met vrijheid en verantwoordelijkheid kan soms een harde les zijn, maar wel een leerzame.” Leerlingen krijgen de ruimte om fouten te maken en opnieuw te beginnen. Doorzetten en niet opgeven is ook een les.

Spring High: een vitaal en nieuw onderwijsconcept waar de leerling zelf meer regie neemt op de eigen ontwikkeling. Een concept dat afscheid neemt van klassikaal onderwijs, vaste leerroutes en  de harde overgang tussen primair en voortgezet onderwijs.

Dit artikel verscheen in PO Magazine van februari 2019. Meer is hier te vinden.

Staatsbosbeheer vindt bossen Dorst te druk

De bossen in West-Brabant, dus ook die in Dorst, zijn te druk volgens Staatsbosbeheer. Wandelaars, hardlopers, hondenbaasjes, fietsers, mountainbikers en zelfs uitlaatservices maken gebruik van de ruimte in de bossen. Het bos zou overvol zijn.

Om de drukte te temperen is de hondenuitlaatservice de gebeten hond. Vanaf 1 januari mogen zij met minder dieren tegelijk de bossen in. Bovendien betalen ze nu een bedrag om überhaupt van de openbare bossen gebruik te mogen maken van hun diensten. Zij tekenen hiervoor een gebruikersovereenkomst. Deze hebben zij nodig om met de honden van hun klanten de bossen te betreden. Het bedrag dat de bedrijven betalen varieert van 60 tot 90 cent per hond per bezoek. Het aantal honden dat tegelijk met een baasje het bos in macht is gesteld op acht.

Juist de groepen honden zijn de klos, omdat zij de meest storende factor zijn in de leefgebieden van de dieren die in het bos zijn. ‘Gasten’ moeten daarmee rekening houden. Bovendien neemt het aantal uitlaatservices in rap tempo toe. En niet elk baasje houdt even veel rekening met de bewoners van de bossen.

Hondenuitlaatservices hoeven overigens nog niet meteen te voldoen aan de nieuwe eisen. Staatsbosbeheer heeft hiervoor een coulanceregeling getroffen. Het moet ook voor de bedrijven die van het bos gebruikmaken wel te organiseren zijn. Ze krijgen een jaar de tijd om de ‘groepsgrootte’ te laten slinken.

Boswachters signaleren overigens niet alleen overdag drukte. Ook allerlei nachtelijke escapades van droppings tot aan illegale feestjes verstoren het bosleven geregeld. Of mountainbikers die met felle lampen op hun fiets in de avond door de bossen crossen. De uitlaatservicevergunningen moeten er in elk geval voor gaan zorgen dat de drukte wordt gespreid over de dag. Er is geen spitsuur meer. Wel wil Staatsbosbeheer de bossen tot een algemeen goed houden: ‘er kan nog steeds heel veel, alleen het leven moet niet teveel worden verstoord.’

Dit artikel verscheen in De Dorstlezer – Januari 2019

Coalitie Passend onderwijs-Jeugdhulp-Zorg

PO-Magazine

Een ononderbroken ontwikkeling van alle kinderen staat hoog op de agenda van de brede coalitie van onderwijspartijen, VNG, branches, cliënt- en ouderorganisaties en de ministeries van VWS en Onderwijs. Gezamenlijk zetten zij de schouders eronder om deze maatschappelijke opdracht waar te maken. Een goede samenwerking is daarbij onontbeerlijk.

De sectorraad samenwerkingsverbanden vo formuleerde hiervoor een basisdocument, met vijf uitgangspunten. Ook voor po-scholen kan dit van belang zijn.

De coalitie formuleerde vijf leidende principes om de samenwerking waar te maken:

 

  1. De ononderbroken ontwikkeling van het kind centraal.
  2. Inclusief, passend en zo nabij mogelijk.
  3. Samenwerken aan een integraal aanbod.
  4. Partnerschap en regievoering.
  5. Samen steeds beter worden.

 

De ononderbroken ontwikkeling van het kind

Om ervoor te zorgen dat kinderen zich op een goede manier ontwikkelen zijn er een aantal zaken die aandacht verdienen. Bovenaan de lijst staat de roep om vraaggericht te werken en te denken vanuit het kind. Het streven is om dit snel, preventief, op maat en in samenspraak met partners en ouders te organiseren. Het kind en de ouders zijn altijd betrokken bij de ondersteuningsvragen, doelen en aanpak. Er is sprake van gezamenlijke besluitvorming. De ondersteuning moet afgestemd zijn en elkaar versterken.

De leerrechten mogen centraal staan, net als het recht op een schoolomgeving waarin sociale interactie met leeftijdgenoten mogelijk is. Kinderen stromen in op het onderwijsniveau dat aansluit bij een ambitieus ontwikkelingsperspectief, waar mogelijk met uitzicht op een diploma en loopbaanperspectief. Discussies over financiering staan de uitvoering van de oplossing niet in de weg. Organisaties voeren deze discussies zelf achter de schermen.

 

Inclusief, passend en zo nabij mogelijk

In principe krijgt elk kind in de eigen leeromgeving passende ondersteuning, en waar nodig ook de ouders. Dan hoeft geen leerling de regio uit. Inclusief onderwijs veronderstelt dat deelname aan het reguliere onderwijs waar nodig wordt ondersteund met jeugdhulp, zorg en onderwijsondersteuning vanuit het speciaal onderwijs. De school fungeert als vind- en werkplaats. Jeugdhulp en zorg in de school dragen bij aan het ontwikkelingsperspectief van het kind.

Het uitgangspunt ‘regulier waar het kan en speciaal waar het moet’ staat expliciet vermeld. Parallel aan de beweging van de ambulantisering van de jeugdhulp en zorg waarbij opname/verblijf in principe een korte, intensieve episode is in een overwegend ambulante behandeling, ambulantiseert ook het speciaal onderwijs. Samenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en jeugdhulp- en zorgpartijen werken hiervoor passende onderwijszorgarrangementen uit.

 

Samenwerken aan een integraal aanbod

Onderwijs en jeugdhulp sluiten goed bij elkaar aan. Dat betekent bijvoorbeeld dat de ene discipline niet boven de andere staat. Bovendien versterken onderwijsdoelen en behandeldoelen elkaar. Dit vraagt wel om erkenning van eigen en elkaars expertise en de bereidheid van en met elkaar te leren.

Gemeenten, onderwijs, jeugdhulp en zorg investeren in continuïteit in de werkrelatie. Ze leren daarvoor elkaars taal en cultuur kennen. Bovendien doen ze wat werkt. Dat vraagt om werken vanuit kennis, bij voorkeur ondersteund door een aantal richtlijnen, aangevuld met kennisdeling op casusniveau met collega’s geeft professionals – leerkrachten, zorg- en jeugdhulpverleners – een basis om te handelen en tegelijkertijd maatwerk te bieden. Multidisciplinair overleg met school en wijkteam kan hierop een waardevolle aanvulling zijn.

 

Partnerschap en regievoering

Het jeugdbeleid van gemeenten heeft aandacht voor preventie, jeugdgezondheidszorg, jeugdhulp en jeugdbescherming, zorg en passend onderwijs. Samenwerkingsverbanden passend onderwijs stellen, in samenspraak met gemeenten en partners, beleid ook beleid op. Beide beleidsplannen zijn het best gericht op de bedoeling, de ononderbroken ontwikkeling. Bij de uitwerking van de afspraken in de praktijk, zijn kinderen en ouders betrokken. Bij deze uitvoering is regie op maat mogelijk.

Minimaal sluit het lokale beleid aan bij dat van landelijk. Bijvoorbeeld dat er in 2020 geen kind meer thuiszit zonder een goed aanbod op school. De brede coalitie voegt aan deze ambitie toe dat ieder kind binnen maximaal drie maanden zijn leerrechten verzilveren.

 

Samen steeds beter worden

In de regio vindt verbinding en innovatie plaats. Dat is gebaseerd op niet-vrijblijvende afspraken die bijdragen aan wat de bedoeling is: de ononderbroken ontwikkeling en het leerrecht van ieder kind centraal. De landelijke partijen ondersteunen dit en bieden mogelijkheden voor kansengelijkheid, kennisontwikkeling en zorgen voor ruimte voor experimenten. Het lukt om samen steeds beter te worden als van elkaar leren en ontwikkeling vanzelfsprekend is. Vandaag leren we hoe we het morgen nog beter kunnen doen.

 

Regionale samenwerking in beeld

Om de doelen van Passend Onderwijs te bereiken, werken schoolbesturen samen in 77 samenwerkingsverbanden voor het po en 75 samenwerkingsverbanden voor het vo. Om de doelen van de Jeugdwet te bereiken, werken gemeenten samen in 42 jeugdregio’s.

kaarten

 

Overzicht zorglandschap jeugdhulp

Hulp wordt zo nabij mogelijk geboden. De specialistische jeugdhulp is een aanvulling op preventie en basisjeugdhulp. Veel voorkomende specialistische jeugdhulp wordt in de regio geleverd. Weinig voorkomende vormen van specialistische hulp worden vaak bovenregionaal en waar nodig landelijk georganiseerd. Het jeugdhulpstelsel is continu in ontwikkeling, inhoudelijk en organisatorisch: (EBP=Evidence Based Practice: de goede jeugdhulpactiviteiten van vandaag worden vervangen door betere als daar wetenschappelijk onderbouwde aanwijzingen voor zijn).

schema

 

PO Magazine

Dit artikel verscheen in PO Magazine in december 2018 en was een productie voor Instondo Uitgevers.

 

Het onderwijs in drie doeldomeinen

Instondo logo

Het wordt erg belangrijk gevonden dat Nederland meekomt in de internationale ranglijsten op het gebied van onderwijs. Onlangs (oktober 2018) verscheen er weer een dergelijk onderzoek: Unicef: ‘an unfair start’. Iedereen moet een zo hoog mogelijk (opleidings)niveau halen; de opwaartse druk daartoe vanuit maatschappij, overheid, inspectie en vooral ook ouders neemt toe. Maar passend onderwijs en onderwijskwaliteit is toch ook méér dan louter cognitieve output? Biesta wijst er op dat onderwijs wel gemeten kan worden in efficiëntie en effectiviteit, bijvoorbeeld in de vorm van cijfers, maar dat deze resultaten niets zeggen over waartoe leerlingen opgeleid worden. De overheid streeft naar een zo hoog mogelijke output van leerlingen. Maar waarom? Betere aansluiting en kansen op hogere vervolgopleiding? Betere kansen op de arbeidsmarkt?

 

‘An Unfair Start’

UNICEF vergeleek ongelijkheid in het onderwijs in 41 rijke landen op drie punten: de deelname aan voorschools onderwijs, het leesniveau van 10-jarige leerlingen in het primair onderwijs en het leesniveau van 15-jarige leerlingen in het voortgezet onderwijs. Nederlandse kinderen staan op de voorschool op de 10e plaats van de ranglijst en in het primair onderwijs op de 1e plaats! Opvallend is dat ze in het voortgezet onderwijs dalen naar de 26e plaats.

 

Maatschappelijk belang

De maatschappij vraagt om een systeem waarbij verschillen zichtbaar zijn. Voornamelijk omdat de economie vraagt om mensen met verschillende vaardigheden. Mensen die goed zijn met de handen of mensen met een groot analytisch vermogen. Als iedereen een universitair diploma heeft, wie gaat dan onze badkamer aanleggen? Wie haalt het vuilnis op? Het systeem in de wereld is gebaseerd op verschillen in hoog- en laagopgeleide mensen. Zonder deze verschillen zou de huidige wereldeconomie niet kunnenbestaan. Er moet dus vastgesteld worden wat wenselijk is als het gaat om output van het onderwijs.

Geluiden genoeg dat de output van het onderwijs hoger, sneller en breder moet, maar hoe dat past in het maatschappelijke plaatje wordt weinig toegelicht. Geen leraar zal zeggen dat het onderwijs in Nederland hogere output moet leveren omdat het moet concurreren met het buitenland of hoger op de PISA-rankings moet komen. Een andere reden om verschillende (werk)niveaus aan te bieden in het onderwijsbestel is de diversiteit van de mens. Sommige mensen willen nou eenmaal met de handen werken. Sommige mensen kunnen niet goed leren. Sommige mensen hebben ambities op een niveau dat niet universitair is. Om recht te doen aan deze verschillen is er dus diversiteit in het onderwijsstelsel én in output nodig.

 

De doeldomeinen

Onderwijspedagoog en hoogleraar Gert Biesta en de Onderwijsraad praten over drie doeldomeinen die het onderwijs als opdracht in zich draagt: kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. De drie doeldomeinen illustreren dat de discussie over onderwijs meerdere dimensies heeft. Laten we dus vooral aan alle drie aandacht schenken!

 

Doeldomein: Kwalificatie & Prestatie

Onder kwalificatie verstaat Biesta het verwerven van kennis, vaardigheden en houdingen die mensen in staat stellen iets te doen, op een bepaalde manier te handelen. Kennis, vaardigheden en houdingen kunnen betrekking hebben op een specifiek beroepenveld, maar ook op een breder thema, zoals functioneren in een complexe maatschappij. Voorbeelden van kwalificatie zijn kwalificatiedossiers, competentieprofielen, rapporten, eindtoetsen, repetities, doorstroompercentages, kerndoelen, eindtermen en plusdocumenten.


Doeldomein: Socialisatie & burgerschap

Biesta en de Onderwijsraad omschrijven socialisatie als een proces waarin leerlingen kennisnemen en deel uitmaken van tradities en praktijken. Deze kunnen betrekking hebben op een bepaald beroep, maar ook op bredere thema’s, zoals democratie. Het onderwijs heeft de taak jonge mensen te leren respectvol met verschillen en elkaar om te gaan. Leerlingen worden vanaf de basisschool gevormd tot betrokken burgers. Hoe scholen aandacht besteden aan burgerschap is aan de scholen zelf. Er zijn geen wettelijke eindtermen of kerndoelen waaraan een school moet voldoen. Veel scholen geven aan dit lastig te vinden.

De actualiteit laat zien dat het onderbelichten van socialisatie in het onderwijs tot gebrekkig burgerschap heeft geleid. Hierdoor staat het onderwerp burgerschap politiek gezien opnieuw in de schijnwerpers en krijgt het doeldomein socialisatie de laatste twee jaar meer aandacht.

Biesta wijst erop dat burgerschapsonderwijs slechts een deel van het doeldomein socialisatie is. Het omvat meer dan alleen de normen en waarden waarvan de politiek zo graag wil dat het onderwijs die aan de man brengt onder de noemer burgerschap.

 

Doeldomein: Persoonsvorming& Subjectificatie

De Onderwijsraad typeert persoonsvorming als het proces van individualisering van de leerling. De leerling moet uiteindelijk in staat zijn autonoom tot beslissingen te komen, los van docent, school, heersende normen en tradities. Het pedagogisch begrip ‘Bildung’ geeft richting en vulling aan de manier waarop er met persoonsvorming omgegaan kan worden in het onderwijs. Het woord persoonsvorming doet vermoeden dat het hier draait om het vormen van een persoon. Dat er een bepaald streefdoel is waarnaar men toewerkt. Dat de school weet tot welke persoon de leerling gevormd moet worden.

Integendeel, betoogt Biesta, het heeft vooral te maken met identiteit. De mate waarin we ons identificeren met bestaande tradities en praktijken of zelf nieuwe creëren. Scholen dienen leerlingen kennis te laten maken met vrijheid van meningsuiting, democratie, gelijkheid, genderdiversiteit en meer. Biesta kiest daarom voor het begrip subjectificatie. De essentie van subjectificatie is volgens Biesta een persoon vrij, volwassen en verantwoordelijk in de wereld te laten zijn. Identiteit gaat om wie iemand is, subjectificatie geeft aan hoe een persoon is. Hoe gedraag ik mij ten opzichte van anderen? Naar de omgeving? Naar de wereld? Scholen en docenten zouden beter kunnen definiëren wat zij daarbij wenselijke sociale en persoonlijke eigenschappen vinden. Om vervolgens bewust een leeromgeving te creëren waarin de leerling de ruimte krijgt om zichzelf te vormen, in samenwerking met medeleerlingen en de docent. Dit kan bijvoorbeeld door ruimte te creëren voor dialoog en samenwerking. De dialoog met de docent, maar ook met medeleerlingen. Interactie met anderen is van groot belang om te ontdekken wie je bent en hoe je met anderen om wil gaan. En dit voegt dan weer een extra dimensie toe aan ‘gepersonaliseerd leren’.

 

Vragen van docenten en leerlingen

Stel als docent bij ieder onderwerp eens de vraag ‘Waartoe leidt het kennen van dit hoofdstuk voor de leerling bij een vervolgstudie of later in de maatschappij?’ De docent vindt vast voor zichzelf het juiste antwoord. Maar is het argument van de docent over het waartoe ook steekhoudend voor de leerling? Onbewust stellen leerlingen vaker vragen over de drie doeldomeinen. Vragen als: Waarom moet ik de stelling van Pythagoras leren? Waarom krijgen we huiswerk? Waarom mag ik niet zelf bepalen wat ik doe? Antwoorden op deze vragen zouden betrekking moeten hebben op het waartoe. ‘Je moet de stelling van Pythagoras kennen omdat zo leert de oppervlakte van een driehoek te berekenen en als je later in een piramide woont kan je precies uitrekenen hoeveel behang je nodig hebt voor de muren.’ Veel docenten worstelen met antwoorden op de waartoe-vragen. ‘Ik heb dit vak toch niet nodig voor later. Halve antwoorden of antwoorden die dan uitblijven zijn niet acceptabel en demotiverend voor leerlingen. Niet alles hoeft natuurlijk nuttig te voelen voor een leerling. Sommige zaken moeten nou eenmaal gebeuren. Een leerling moet kennis hebben van democratie en vrijheid van meningsuiting. Soms komt het besef van nuttigheid pas jaren later. In dit geval is het niet wenselijk dat een docent toegeeft aan gedemotiveerde signalen.

Maar docenten moeten de dialoog over de nuttigheidswaarde ook niet uit de weg gaan. Winstpunt is dat de leerling kritisch naar de wereld en/of onderwijs kijkt en vragen stelt. Kernpunt is dat de docent regelmatig van perspectief wisselt; in doeldomeinen en in het perspectief van de leerling.

 

Wisseling van perspectief

Kan de docent zich in het toekomstperspectief van de leerling plaatsen of redeneert hij volledig vanuit eigen ervaring en belevingswereld? Wat is wenselijk voor de leerling? De school? Maatschappij en arbeidsmarkt? Wenselijk betekent niet dat scholen nu volledig naar de pijpen van de leerling moeten gaan dansen. Weerstand iseen belangrijk onderdeel van het ‘in de wereld komen’. De realiteit van het leven zorgt ervoor dat er dingen op ons pad komen die we niet op ons pad willen hebben. Toch komen we ze tegen en proberen daar weerstand tegen te bieden, soms voor ons gevoel succesvol, soms niet. Wil de school een plaats zijn waar leerlingen worden voorbereid op de ‘echte’ wereld en wil de school de wereld zo realistisch mogelijk weergeven, dan moet er ook weerstand zijn. De wenselijkheid zit dus vooral in het zoeken van de balans tussen kwalificeren, socialiseren en persoonsvorming. Om de doeldomeinen actueel, wenselijk en menselijk te houden is het belangrijk om constant de dialoog te blijven voeren over de inhoud en balans van de drie doeldomeinen. Dit is een iteratief proces. De maatschappij verandert, dus de doeldomeinen ook. En er is dus wel degelijk meer van belang dan alleen maar goede prestaties en kwalificatie. We vragen dus meer aandacht voor passende socialisatie en vorming.

 

Dit artikel is een bewerking van het gelijknamige blog van Thijmen Sprakel. www.edukitchen.nl. Deze tekst was een productie voor Instondo Uitgevers.

Passend onderwijs in de Hoeksche Waard: eigenzinnig, maar het lukt

PO-Magazine

Het samenwerkingsverband Hoeksche Waard is met vijf schoolbesturen, veertig scholen en ongeveer 6000 leerlingen een klein samenwerkingsverband. Maar wel eigenzinnig. Die eigenzinnigheid heeft ervoor gezorgd dat de regio als een op zichzelf staand verband bleef opereren en geen onderdeel werd van ‘het grote Rotterdam’, zoals Rien Strootman en Pierre den Hartog het benoemen. Beide heren staan aan het roer van de Hoeksche Waard en schetsen trots wat is bereikt.

 

“Hier slaagt passend onderwijs”, zegt Den Hartog. “Altijd als er negatieve berichten in de media zijn over passend onderwijs, dan kan ik met blijdschap naar onze regio kijken.” De bedding op het eiland Hoeksche Waard wordt belangrijk gevonden. Onder de geformuleerde missie ‘Geen kind het dorp uit, geen kind het eiland af’ zet het onderwijs zich in om kinderen thuisnabij en passend een aanbod te geven. En dat werkt, zo wijzen de cijfers uit. Er zijn geen thuiszitters en het aantal leerlingen in so en sbo daalde de afgelopen jaren met meer dan 20 procent. “En toch sturen we niet op de getallen”, zegt Strootman. “In geen enkel plan hebben we een target opgenomen. Daar zijn wij wars van. Passend onderwijs is een zaak van vele knoppen en dus van vele processen. De essentie is om voortdurend de processen te optimaliseren.” Daarin beluisteren we ‘Rijnlands denken’ en schemert de eigenzinnigheid door waardoor het eiland autonoom is gebleven en geen onderdeel is geworden van een groter verband.

 

Autonomie in de Hoeksche Waard

Autonoom is ook een goed woord voor het uitgezette beleid. Onder autonoom wordt de vrijheid om vanuit verlangen te leven verstaan. Dat schept reflectie en intrinsieke motivatie. Het samenwerkingsverband is in 2013 opgericht, dat is geruisloos gegaan. “We zijn gestart met de inhoud, daarna hebben we de organisatie eromheen geregeld”, blikt Den Hartog terug. “Samen met de scholen hebben we een duidelijk beeld gevormd van onze pedagogische opdracht. Daarbij hebben we niet alleen de besturen betrokken, maar ook zoveel mogelijk leraren, ib’ers en andere teamleden. Zij moeten uiteindelijk ervoor zorgen dat de leerlingen het beste onderwijs krijgen.”

Om leerlingen het beste onderwijs te geven, krijgen de scholen in ruime mate de autonomie over de besteding van middelen. Het swv hanteert een mix van schoolmodel en expertisemodel. Voor 2019 staat €250 per kind in het regulier onderwijs en €1300 voor een kind op het sbo begroot. In het samenwerkingsverband wordt, afgezien van de arrangementen sbo en so, niet gewerkt met arrangementen. “Dat staat haaks op onze definitie van autonomie. Directeuren hebben voldoende kennis en overzicht om zelf te arrangeren”, vindt Den Hartog. “We vinden het belangrijk dat het geld op de werkvloer terechtkomt en op adequate wijze wordt besteed aan met name het optimaliseren van het handelen van de leraar. Dat kunnen directeuren goed zelf, die weten precies hoe zij vorm kunnen geven aan onze ambities van passend onderwijs, zoals geformuleerd in het ondersteuningsplan.” De scholen zijn verplicht om in het schoolondersteuningsprofiel ook een financiële paragraaf op te nemen en deze te publiceren in de schoolgids. Zo maken scholen ook voor ouders inzichtelijk waar het geld heen gaat en welke financiële keuzes er zijn gemaakt. “Vervolgens bezoeken we de scholen om in gesprek te gaan over hun ondersteuningsprofiel, hun besteding en hun wensen en ideeën aangaande passend onderwijs.” Let wel, die autonomie is niet oneindig. De vrijheid is er binnen een duidelijk en gemeenschappelijk referentiekader. We noemen het vrijheid in gebondenheid. Iedereen moet wel dezelfde taal kunnen spreken”, stelt Strootman. “Op die taal moet je gespitst blijven en continu aandacht geven.”

 

Ouders

Het samenwerkingsverband kent ouders het recht toe om net als de scholen hun kind aan te melden bij de toelaatbaarheidscommissie. Dat is inherent aan vrijheid van onderwijs. Ouders blijken ook veel gebruik te maken van de helpdesk van het samenwerkingsverband. Den Hartog: “Zo vergroot je de betrokkenheid van de ouders. Bij iedere aanmelding is het standaard dat we de ouders thuis bezoeken. Ouders ervaren dit als prettig. Ze worden gehoord en kunnen vaak hun hart luchten.” Strootman: “Omdat ouders zelf ook een beschikking kunnen aanvragen, merken we dat scholen geneigd zijn om eerder op een goede manier in gesprek te gaan met ouders. Zodat contact met hen direct tot stand komt en niet via het samenwerkingsverband. We proberen ouders daarmee het woord terug te geven; en om ze om eigenaarschap te laten behouden over de ontwikkeling van hun eigen kind.”

 

Partners

Scholen kunnen dus zelf arrangeren en kopen daartoe geregeld externe experts in om het handelen van de leerkrachten te optimaliseren. Al deze mensen moeten het ondersteuningsplan van harteonderschrijven. “De toevoeging ‘van harte’ is het belangrijkst”, zegt Strootman. “Structureel voeren we met de experts gezamenlijke overleg om het ondersteuningsplan te bespreken, zodat we inderdaad allemaal dezelfde taal (blijven) spreken. De zzp’ers betalen we voor die overleggen, we vinden het van belang dat ook zij precies op de hoogte zijn. Vervolgens kunnen wij scholen een lijst met mensen bieden waarvan we met zekerheid kunnen zeggen dat ze volgens het gedachtegoed van ons ondersteuningsplan werken. We hebben ze immers meegenomen in ons denken.”

 

Passend onderwijs

Passend onderwijs is volgens Strootman en Den Hartog dus aardig gelukt in de Hoeksche Waard. Ondanks dat het hier gaat om een klein samenwerkingsverband denkt de directie dat passend onderwijs in elke regio kan slagen. “Ik merk dat het vaak wat groter gemaakt wordt dan het is”, bekent Den Hartog. “Feitelijk praten we alleen over de leerlingen waar je geen antwoord op hebt. Dan begeleiden we een dergelijk kind naar de juiste plek zodat het wel klikt. Meer is het niet. Het gaat erom mensen te bewegen naar de juiste waarden, zonder dat op te blazen. Het gaat om denken in kansen en succes kan hem in heel kleine dingen zitten.”

Po-Magazine

Dit artikel is gepubliceerd in het blad PO-Magazine in december 2018. Dit was een productie voor uitgeverij Instondo.

Samenwerking van onderwijs met jeugdhulpinstellingen en gemeenten

PO-Magazine

Gemiddeld heeft een samenwerkingsverband in het PO te maken met 5,7 gemeenten, 90 scholen en 16,2 schoolbesturen. Wanneer er gezamenlijke afspraken gemaakt moeten worden, zijn er dus veel verschillende partners om mee af te stemmen.

 

Landelijke inventarisatie aansluiting onderwijs en jeugdhulp

Via de zogenoemde Monitor Aansluiting Onderwijs Jeugdhulp probeert het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) regio’s van gemeenten en samenwerkings-verbanden te helpen om in beeld te brengen hoe de samenwerking tussen jeugdzorginstellingen, gemeenten en het onderwijs verloopt. Dit jaar (2018) verscheen het rapport ‘Hoe ervaren de samenwerkingsverbanden passend onderwijs de samenwerking met gemeenten en jeugdhulpinstellingen?’, waarin de ervaringen vanuit samenwerkingsverbanden over de samenwerking met gemeenten centraal staan. Het NJi nodigde alle samenwerkingsverbanden uit voor een telefonisch interview van een halfuur. Uit het po heeft 52 procent daarop gereageerd. De interviewers zagen dat er een goede spreiding is over het land en over grote steden, middelgrote steden en meer plattelandsgebieden.

Veel samenwerkingsverbanden blijken trots op wat ze tot nu toe bereikt hebben. Ze geven aan ‘dat er binnen scholen en gemeenten hard gewerkt wordt aan verbinding, aan het elkaar vinden en het opzetten van samenwerking. ’Dit geldt bijvoorbeeld voor de aanpak, de gebouwde structuur, de ontstane beweging, de systematische opbouw, een prettige samenwerking tussen de scholen, de aanpak van en het terugdringen van het aantal thuiszitters en het aantal vrijstellingen.’

 

We bespreken de reflectie van de bevraagden op het OOGO, op het overleg met ambtenaren en op de uitwerking van de beleidsafspraken op de werkvloer.

 

OOGO

Het grootste deel van de samenwerkingsverbanden voert het OOGO een of twee keer per jaar. Een klein deel doet dit eens per vier of eens per twee jaar. Op het (bij wet verplichte) OOGO wordt op overeenstemmingsgericht overleg gevoerd over de wederzijdse beleidsontwikkelingen en de afstemming tussen onderwijs en jeugdzorg. In de meeste gevallen wordt het OOGO gevoerd door directeuren of bestuurders van de samenwerkingsverbanden po en vo met de wethouders die het onderwijs en het sociaal (jeugd)domein in portefeuille hebben, vaak ondersteund door ambtenaren. Vaak zijn bij het OOGO ook vertegenwoordigers van schoolbesturen aanwezig; in hun rol als toezichthouder van – of als deelnemer aan het samenwerkingsverband.

 

Het OOGO wordt vaker omschreven als een ‘rituele, formele dans’ waar het echte werk door de ambtenaren is verricht. Anderen ervaren het als ‘een feestje’, waar een goede uitwisseling en vaststelling plaatsvindt van ambities.

 

Overleg met ambtenaren

Naast het OOGO wordt er gemiddeld door leidinggevenden van samenwerkings-verbanden zo’n vijf tot zes keer per jaar overleg gevoerd met ambtenaren. Bij ruim een derde is dat vaker, soms zelfs wekelijks of tweewekelijks. Vaak zijn deze overleggen thematisch. Ondanks de vele overlegmomenten wordt slechts 26 procent van de gesproken samenwerkingsverbanden betrokken bij de inkoop van jeugdhulp in de zin van aard, hoeveelheid en aanbieders.

In de meeste gevallen is de samenwerking historisch ontstaan. Voor de start van passend onderwijs was er al een samenwerking vanuit WSNS met het CJG. Ook is er nieuwe toenadering die ontstaat vanuit het landelijke thuiszitterspact of door de verplichting tot het samen voorbereiden en voeren van het OOGO. Volgens de samenwerkingsverbanden wordt de onderlinge samenwerking meer op initiatief van een samenwerkingsverband dan vanuit een gemeente geïnitieerd.

Duurzame én effectieve samenwerking is volgens veel bevraagden een kwestie van een lange adem. Waar het ene samenwerkingsverband nog een hele weg voor zich ziet, maar enthousiast is over de bereikte resultaten, geeft het andere samenwerkingsverband aan dat er nog geen sprake is van samenwerking of nog niet met alle gemeenten.

Gevraagd naar een globaal cijfer voor de samenwerking, splitsen bevraagden hun antwoorden vaak uit naar de beleidsambtenaren en naar de wethouders, en die twee groepen kunnen heel verschillend scoren. Het overleg met de ambtenaren wordt het hoogst gewaardeerd. Over het algemeen is de stemming hoopvol en geeft men ruime voldoendes voor de samenwerking. De kwaliteit van de samenwerking wordt met name gerelateerd aan het proces van samenwerking en dan vooral in termen van relationele aspecten als vertrouwen, respect, ambitie, gezamenlijke taal. Het minst positief is men over de uitwerking van de afspraken in de praktijk van de scholen.

 

Beleidsafspraken op de werkvloer

De variatie in de uitwerking van de samenwerking op de werkvloer is groot. Toch is het voor leerlingen die het nodig hebben juist van belang dat daar goed wordt samengewerkt. Ongeveer twee derde van de samenwerkingsverbanden heeft te maken met een wijkteam, anderen hebben een loket bij de gemeente of een aparte organisatie waar alle zorgaanbieders zijn ondergebracht. De wijkteamconstructie blijkt thuisnabij goed te werken. Samenwerkingsverbanden hebben in veel gevallen zelf een contactpersoon jeugdhulp. Die rol wordt vaak vervuld door een maatschappelijk werker of intern begeleider. Samenwerkingsverbanden en (vooral ook speciale) scholen hebben te maken met grote hoeveelheid en diversiteit van zorgaanbieders. Voor scholen kan het lastig zijn de juiste te vinden of specifiek díe zorgaanbieder te contacten die al bij de leerling of het gezin betrokken is. Samenwerkingsverbanden op hun beurt hebben ook vaak te maken met persoonlijke ‘bondjes’ tussen scholen een zorgaanbieders.

 

Uit het rapport blijkt dat er op de werkvloer nog wat verbeterd kan worden. Snelle, korte lijnen met jeugdhulp worden slechts in 19 procent van de bevraagde samenwerkingsverbanden ervaren. Dit is mogelijk in samenwerkingsverbanden waar op elke school een schoolmaatschappelijk werker of jeugdhulpverlener vaste uren heeft voor lichte jeugd- of gezinshulp en advisering, een team vormt met de coördinator van de school, ouders nauw betrokken worden of waar bij verwijzing het wijkteam het advies overneemt en zorgt voor uitvoering. Bij deze korte lijnen treedt vaak ruis op vanwege grote verschillen tussen meerdere gemeenten of wanneer gemeenten een eigen traject willen opzetten.

Opvallend bij de bevraging was dat een aantal samenwerkingsverbanden aangaf geen zicht te hebben op de samenwerking met jeugdhulp vanwege het hanteren van het schoolmodel. Zij hebben door dit financieel allocatiemodel middelen en verantwoordelijkheid direct bij de schoolbesturen en hun scholen belegd. Ook hebben samenwerkingsverbanden soms alleen zicht op onderwijsgerelateerde problematiek en worden hun scholen of zijzelf niet benaderd als er volgens inschatting van wijkteams alleen jeugdhulp nodig is. Ook waren enkele geïnterviewden nog te kort werkzaam om voldoende zicht te hebben opgebouwd.

 

Goede samenwerking onderwijs

Landelijke cijfers ontbreken nog over de opbrengsten van samenwerking voor leraren, ouders en leerlingen. Een enkel samenwerkingsverband is zelf al bezig dit al in kaart te brengen. Ongeveer 42 procent van de bevraagde samenwerkingsverbanden geeft aan dat de resultaten (nog) niet of onvoldoende inzichtelijk zijn. Wel worden enkele effecten van samenwerking door veel directeuren benoemd:

 

  • De professionals en partners leren elkaar kennen. Dat geldt ook voor scholen onderling. “Strategisch en tactisch hebben we elkaar leren kennen en kunnen we elkaar goed vinden; in de uitvoering is het nog moeilijk.” Het vertrouwen dat de samenwerking tot een goed resultaat gaat leiden blijft overeind: “De concrete aanpak staat er nog niet, maar we werken goed samen. Door met kleine klopjes op een spijker te slaan, komt die er ook wel in.”
  • Leerlingen, ouders en scholen worden steeds beter tevredengesteld, voelen zich beter serieus genomen en worden beter ondersteund.
  • Leerlingen komen eerder in beeld, waardoor escalaties worden voorkomen. Er wordt meer maatwerk geleverd. Er is meer inzet en er worden minder leerlingen ‘over de schutting gegooid’.
  • Er is minder verzuim en het aantal thuiszitters is gedaald.
  • Soms zijn er al bovenschoolse arrangementen ontstaan.

 

Bestuurders kunnen goed opsommen welke factoren wat hen betreft de ingrediënten vormen voor een ‘goede’ c.q. ‘slechte’ samenwerking. Naast de reeds genoemde relationele factoren worden nog andere ingrediënten van een goede samenwerking aangegeven. Dat zijn gedeelde ambitie en het op beleidsniveau gezamenlijk analyseren van praktijkcases. “Door cases aan te dragen maak je duidelijk waarmee onderwijs te maken heeft, hoe ons leven eruit ziet en begrijpen ze wat er nodig is.” Ook het borgen van goede afspraken en een overtuiging dat het samen beter lukt zijn essentieel.

Uiteraard zijn er ook factoren die een goede samenwerking belemmeren. Veelgehoord zijn een onduidelijke rolverdeling en communicatie, ambtenaren en jeugdhulpverleners die geen eigenaarschap aan durven gaan, weinig continuïteit bij jeugdhulp en gemeenten, verschillen tussen gemeenten, een uiteenlopende ambitie en elkaar beconcurrerende jeugdhulporganisaties.

 

De toekomst

Veel samenwerkingsverbanden gaven ook hun wensenlijstje voor de toekomst. Enkele punten lichten we eruit.

 

  • Ruimte om te kunnen handelen in het belang van het kind.
  • Tijd en rust om te overleggen en te ontwikkelen.
  • Een cultuuromslag binnen onderwijs en jeugdhulp waardoor geleefd wordt volgens 1+1=3 principe zodat ze eerder en gemakkelijker elkaars hulp inroepen.
  • Meer jeugdhulp ín de scholen
  • De helft van de samenwerkingsverbanden geeft aan graag gebruik te willen maken van een externe neutrale partner met kennis en expertise op het gebied van jeugdhulp, zorgverzekeraar, gemeente en ‘het bestuurlijke’.
  • Een soort databank of een persoon die op de hoogte is van de pilots en nieuwe initiatieven in den lande, die geconsulteerd kan worden en eventueel ook kan ondersteunen bij het maken van een vertaalslag en een soort intervisie overleg met andere directeuren.
  • Ontschotting van de clusters in het so.

PO-Magazine

Dit artikel verscheen in het onderwijsblad PO-Magazine in december 2018. Ik schreef voor uitgeverij Instondo.

Twents model: jeugdhulp in de school

PO-Magazine

De regio Twente organiseert gezamenlijk de inkoop van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Vanaf 2019 wordt onderwijs en jeugdhulp samengebracht volgens een nieuw Twents model Eelco Eerenberg, wethouder Jeugdhulp en Onderwijs in Enschede, neemt ons mee door het traject waarin dit ‘Twentse model’ is ontstaan.

 

Twents model

In de regio waren onderwijs en jeugdzorg twee gescheiden werelden. Het bleek moeilijk om jeugdhulp snel beschikbaar te hebben; hulp kwam vaak te laat op gang. Ook werd afstemming met het onderwijs en de onderwijsondersteuning gemist. Alleen door het samenbrengen van die twee werelden kunnen kinderen gezond en veilig opgroeien en de onderwijskansen maximaal benutten. Met die doelen voor ogen is Eerenberg praktisch aan de slag gegaan. Er werd in 2017 een conferentie georganiseerd voor allerlei mensen in het veld: het onderwijs, de kinderopvang, JGZ, de gemeente, welzijnsorganisaties en de wijkteams.

Daaraan voorafgaand is er een gezamenlijke reis naar Denemarken geweest.

 

Denemarken

Eerenberg: “We zijn om te beginnen in 2016 gaan kijken in Denemarken, daar gaat dit namelijk al langer goed. We huurden een bus waar alle betrokkenen in konden. Alleen al tijdens die reis hebben we goede stappen gezet om samen te komen. Na de reis was er veel inspiratie opgedaan en lag er een basis. We hebben een aantal dingen overgenomen. Bijvoorbeeld dat dezelfde taal gesproken wordt, er is een gedeeld begrippenkader. Maar ze hadden ook een gekanteld piramidemodel, met in de top een stippellijn. Alles onder die lijn wordt in de school georganiseerd.”

 

Samenwerken ín de school

De regio wil via een goede samenwerking graag inzetten op preventief signaleren. “De truc is om kinderen die dreigen het moeilijk te gaan krijgen vroegtijdig op te sporen”, zegt de wethouder. “Zowel het onderwijs, als de jeugdhulp zijn daarbij essentieel. Als vindplaats, maar ook als werkplaats.

We zetten een grote beweging op touw om de jeugdhulp naar het onderwijs te brengen”. Volgens Eerenberg zijn er veel voordelen voor het samenbrengen: jeugdhulp ín de school: “Er komen zo bijvoorbeeld extra handen in de school.

Die kunnen ook helpen als het in een klas hard werken is. Leerlingen hoeven niet meer met speciaal vervoer naar instellingen buiten school, maar ze kunnen in de school geholpen worden. Ouders kunnen beter worden betrokken en op termijn wordt het voor de regio ook goedkoper.”

 

De bedoeling is dat een aanbieder in de school zit en een klas helpt. Groepsarrangementen en collectieve inkoop pakken uiteindelijk goedkoper uit dan dertig individuele indicaties, zeker als er vroegtijdig en direct gehandeld kan worden. De hulp is immers al geregeld en beschikbaar! Er gaat geen kind de school uit voor ‘hulp’ die al aanwezig is. De eigen school is vaak al een veilige omgeving waar vriendjes en vriendinnetjes aanwezig zijn die kunnen helpen. Pas in het allerbovenste puntje van de gekantelde driehoek heb je gespecialiseerde hulp op een andere locatie nodig. Eerenberg: “Er is hier in Twente dus een enorme focus op het zo lang mogelijk samen oplossen binnen de community van de school.” De gemeente heeft de wijkcoaches ingezet als katalysator om organisaties samen te brengen. Onderwijs en jeugdhulp worden meegenomen bij de inkoop van jeugdhulp.  Het gevolg is dat er afstand wordt gedaan van ‘een woud’ aan kleine zorgaanbieders. Er zijn in 2018 zes pilotscholen geselecteerd waar in de school een jeugdhulpaanbieder komt, die de school ontzorgt.

 

Pilot ‘OJA’

In Enschede zelf richt Linda Kuiper, senior adviseur Sociaal Domein,  zich op de verbinding tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeente Enschede. Zij is van meet af aan nauw betrokken bij de nieuwe werkwijze. Ook zij noemt de Denemarkenreis als een goed begin. “Al veel langere tijd is er samenwerking met het onderwijs, maar de decentralisatie zagen wij als een kans om de samenwerking verder te verstevigen. Onderwijs en gemeente willen feitelijk hetzelfde. Samen in gesprek gaan geeft inzicht in de struikelpunten, maar ook in elkaars opgave. De gekozen werkwijze heeft ons ook veel energie en inzicht opgeleverd.” Toen men elkaar had gevonden zijn er themagroepen opgericht in Enschede binnen onderwijs en jeugdhulp. In een volgend stadium zijn daar ook andere partners in betrokken. Samen wordt bekeken welke thema’s opgepakt en vormgegeven kunnen worden.

“De pilot waarbij de jeugdhulppartner in de school aanwezig is noemen we ‘oja’, dat staat voor onderwijs-jeugdhulp-arrangement. Hierbij zijn onderwijsorganisaties betrokken, jeugdhulporganisaties en de wijkteams,” vertelt Kuiper. “We willen zo vroeg en zo snel mogelijk de kinderen de ondersteuning geven die ze nodig hebben. De school is een perfecte plaats om vroeg te signaleren. Maar ook een veilige plek om snel en effectief hulp te bieden. Dat hopen we met de pilot oja te bereiken.“

 

Toekomstdroom

In schooljaar 2018-2019 is de pilot op zes scholen dus gestart. De proef loopt drie jaar. In die tijd moet blijken wat goed werkt en waar eventueel nog bijsturing nodig is. Op een andere school loopt al langer een ander initiatief.

“Die loopt hierop vooruit, we noemen dat de alles-in-een-school”, zegt Eerenberg. “Die is van 7 tot 7 open en ouders kunnen er ook taalles krijgen. Enschede heeft een aantal gemeenschappen waar taal een uitdaging is, ook voor ouders. Met dat soort mooie combinaties zijn we begonnen. Dit soort zaken hebben we straks samen gerealiseerd op de alles-in-een-school en de zes pilotscholen. Mijn droom is om de zorgcombinatie naar alle scholen te kunnen uitrollen. Het is tevens mooi meegenomen als we op deze wijze de allergrootste klachten op onze scholen – werkdruk en complexiteit – kunnen wegnemen en hen zo ontzorgen. Dat is goed voor het werkplezier van leraren en goed voor kinderen. Als we over twee jaar evalueren hoop ik dat we hierin zijn geslaagd.”

 

Po-Magazine

Dit artikel is geschreven voor het blad PO-Magazine, december 2018, van uitgeverij Instondo.