Archive for Instondo

SWV in the picture – Onderwijscollectief Voorne-Putten Rozenburg

Dennis Gerits

Het Onderwijscollectief Voorne-Putten Rozenburg (Onderwijscollectief VPR) is een collectieve samenwerking tussen de samenwerkingsverbanden voor passend primair (voorheen Kindkracht) en voortgezet onderwijs (voorheen VO-VPR). Deze intensieve samenwerking is er sinds een jaar. Onder deze organisatie vallen 58 basisscholen en 15 vo-scholen, allen in de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis, Nissewaard, Westvoorne en in Rotterdam gevestigd.

“Al langer zijn we bezig om goede interactie tussen het primair en het voortgezet onderwijs te krijgen”, vertelt bestuurder Dennis Gerits. “De dingen die we op het primair onderwijs (po) zien en de vragen die er zijn, houden niet ineens op als een kind twaalf of dertien wordt. Om goed met die lijn mee te kunnen lopen ontstond de ambitie om een samenwerkingsverband voor primair én voortgezet onderwijs (vo) te worden.” Sinds het begin van dit schooljaar zijn de oude namen van de samenwerkingsverbanden opgeheven en is er samen een nieuwe start gemaakt onder een nieuwe vlag.

Nu de samenwerking zo hecht is wordt er inhoudelijk flink gesmeed om het onderwijs zo goed mogelijk te laten doorlopen. Gerits: “We bekijken hoe we de aansluiting nog beter kunnen maken en hoe we gebruik kunnen maken van elkaar expertise. We merken dat de expertise er is, maar er wordt soms weinig gebruik van gemaakt.” Dit is onder meer te merken bij leerlingen met extra ondersteuningsvragen die overgaan van po naar vo. “Mensen uit het po gaan meekijken wat er nodig is in het vo, om het onderwijs zo passend mogelijk te realiseren. Ook expertise wordt dan gekoppeld. Dit gebeurde nog maar mondjesmaat. We zijn ermee bezig om te kijken hoe we dit verder kunnen versterken.” Hier liggen volgens Gerits nog meer kansen, bijvoorbeeld in het een tijdje laten meedraaien van elkaars mensen. Het is de wens om die kansen in de nabije toekomst te gaan benutten.

Formeel mogen samenwerkingsverbanden voor po en vo niet fuseren. Onderwijscollectief VPR is een personele unie, waardoor het opereren als een verband toch mogelijk is in de praktijk. Er is één centrale Raad van Toezicht en dezelfde bestuurder, dat is Gerits. “We zitten nu in de afrondende fase van een ondersteuningsplan dat we hebben opgesteld voor het gehele onderwijscollectief”, vertelt hij. “De hoofdstukken lopen door elkaar heen en we stappen dus af van twee aparte ondersteuningsplannen. Het nieuwe plan gaat dus over leerlingen van vier tot achttien jaar oud. We zijn daar heel trots op en we zetten hiermee een belangrijke stap naar de realisatie van onze doelstellingen.”
In dat ondersteuningsplan ligt er een nadruk op duidelijkheid over welke taken er bij de schoolbesturen ligt en welke taken bij het samenwerkingsverband. “En daaropvolgend op de vraag: hoe kunnen we elkaar versterken. Juist de kracht van passend onderwijs is dat het samenwerkingsverband een heel duidelijke rol inneemt in de verbinding naar alle partners om het onderwijs heen”, stelt Gerits. “Het gaat dan om verbinding met de schoolbesturen, de gemeenten of de opvang. “Die rol proberen we goed te vervullen.”

visual vpr

De aanleiding om te fuseren was vooral die inhoud. Daarnaast had het primair onderwijs een onafhankelijke Raad van Toezicht. Dit was nog niet het geval bij het voortgezet onderwijs, maar wel een vurige wens. “Als we toch die beweging gaan maken en tegelijkertijd heel veel kansen zien in het samenwerken binnen het onderwijs, dan pakken we meteen door. Dat was het begin om samen op te trekken.”

Samenwerken
Een samenwerkingsverband maakt het gemakkelijker om die verbinding aan te gaan, merkt Gerits. “Voorheen zaten we steeds met twee samenwerkingsverbanden aan tafel bij dezelfde overleggen. Dat is er nu nog maar één. En we hebben met de schoolbesturen afgesproken dat wij het mandaat hebben om te praten over de aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp. Dus wij zitten aan tafel om die verbinding tot stand te brengen. Dat betekent dat we in een regionaal educatieve agenda wij namens het hele onderwijs praten. Dat maakt een heleboel processen wel een stuk gemakkelijker, omdat niet alle schoolbesturen daar ook nog aan tafel zitten.”
Er is een heel nieuwe ondersteuningsroute opgezet. Dit is gericht op het versterken van de regio, waar de ondersteuning voorheen veel gericht was op een schoolbestuur. Denken vanuit het belang van een schoolbestuur wordt omgebogen naar denken vanuit het belang van de leerlingen in Voorne-Putten en Rozenburg. Voorheen was het swv betrokken bij de voorkant en helemaal aan de achterkant als er een toelaatbaarheidsverklaring moest worden afgegeven. Er werd gewerkt via handelingsgericht integraal arrangeren. “Dat hebben we helemaal opzijgeschoven. We hebben alle orthopedagogen die in dienst waren van schoolbesturen van hen overgenomen. Die hebben we per wijk ingezet in de regio. Daar worden zij laagdrempelig vanuit het swv ingezet. Ze hebben daardoor een goede feeling met de wijk. Op dat niveau zetten wij ze in. Dit leidt tot een preventievere blik, die scholen helpt bij het neerzetten van een zorgstructuur. En ze zijn aan de voorkant bij de casuïstiek betrokken.”

 

Kinderogen

Een belangrijk initiatief is het Pact Kinderogen, dat in Goerree-Overflakkee en in zijn regio is getekend. De gemeenten op Goeree-Overflakkee en Voorne-Putten hebben met de Samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs de handen ineengeslagen bij dit PACT. Ook de kinderopvang, het Centrum voor Jeugd en Gezin en het Schoolmaatschappelijk werk zijn hierbij aangesloten. Door ondersteuning (jeugdhulp) op de scholen en in de kinderopvang te brengen, willen zij samen eerder en beter steun kunnen bieden aan die kinderen en hun ouders, die wat extra’s nodig hebben. Dit moet leiden tot gezamenlijke inzet om de verbinding tussen kinderopvang, onderwijs en ondersteuning (jeugdhulp) versterken. Gerits: “Samen met gemeenten hebben we geïnvesteerd in verschillende programmalijnen. Met dat programma proberen we de aansluiting onderwijs en jeugdhulp nog beter te maken.”

Meer daarover is te vinden via www.kinderogenvpg.nl.

 

Instondo

Dit artikel is gepubliceerd in Passend Onderwijs Magazine, van Instondo Uitgevers, editie april 2022.

INTERVIEW: Hans du Prie “Ik wil graag af van de hele term jeugdzorg”

Hans du Prie

Hans du Prie (67) gaat na een carrière van ruim 40 jaar in de jeugdzorg en het speciaal onderwijs met pensioen. Deze maand vertrekt hij als bestuursvoorzitter van iHub, een verregaande samenwerking tussen Horizon, Altra, de Opvoedpoli en De Nieuwe Kans. Dat is de organisatie waarvan hij vier jaar geleden aan de wieg stond. Twee belangrijke doelen van de samenwerking zijn: geen kinderen meer die tussen wal en schip raken en zorgen voor een professionele bedrijfsvoering passend bij de behoeften van de professionals die er werken. Bij iHUB worden jeugdzorg, speciaal onderwijs en jeugd-GGZ onder één dak vormgegeven. Met een combinatie van zorg en onderwijs bieden zij een passend aanbod aan kinderen en hun ouders wanneer zij dat nodig hebben.

Du Prie heeft een achtergrond in de jeugdzorg, maar heeft het onderwijs er altijd graag bij willen betrekken. De samenhang tussen onderwijs en zorg is volgens hem een enorm belangrijke. “Ik heb de rol van onderwijs in de jeugdzorg altijd een heel belangrijke gevonden”, vertelt hij. “Zeker wanneer jongeren voorheen werden opgenomen in de jeugdzorg, was er onvoldoende aandacht voor het onderwijs. Daarmee liepen zij per definitie een flinke achterstand op. Dit is ook een veel gehoorde klacht van de jongeren die in die tijd opgenomen zijn geweest. Het speciaal onderwijs in die tijd was veel gericht op persoonlijke ontwikkeling. Maar het speciaal onderwijs heeft de afgelopen jaren een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Het is nu mogelijk om via het speciaal onderwijs erkende diploma’s te halen en ook verschillende leerlijnen volgen, bijvoorbeeld Havo.”

“Het speciaal onderwijs heeft een enorme ontwikkeling doorgemaakt”- Hans du Prie

Bij iHub heeft Du Prie dit probleem kunnen aanpakken omdat de organisatie zowel jeugdzorg als speciaal onderwijs aanbiedt. De winst daarvan zit in het kijken naar een kind. Du Prie: “We praten met kinderen niet alleen over hun probleem, maar vragen ook wat hij of zij later wil worden. Wat zijn dromen zijn en welke ambities hij of zij heeft. Dit maakt het makkelijker om met ouders en kinderen te bekijken wat ervoor nodig is om dromen en ambities te verwezenlijken. En ook welke betrokkenheid dat bijvoorbeeld van ouders vraagt.” Daardoor ziet iHub de relatie tussen ouder en kind vaak verbeteren. Kinderen wordt weer perspectief geboden. Het helpt ouders om weer trots te zijn op hun kind. “Ik spreek graag de wens uit om dit de komende jaren nog wat intensiever te maken”, aldus Du Prie.

Topspecialisten

Du Prie ziet nog uitdagingen in de driehoek regulier onderwijs – speciaal onderwijs – zorg. Het is zijn droom dat het speciaal onderwijs niet op zichzelf staat, maar onderdeel mag uitmaken van scholengemeenschappen. Het gevolg is dat bestuurders van reguliere scholengemeenschappen trots durven presenteren dat er speciaal onderwijs aanwezig is op school en dat die expertise wordt ingezet. “We kunnen dan ook leerlingen helpen die al dan niet tijdelijk niet in staat zijn om het reguliere onderwijs te volgen.” Dit lukt tot op heden nog niet omdat het speciaal onderwijs nog te veel het imago van ‘drukke lastige kinderen’ zou hebben en wat minder het imago dat er topspecialisten zitten die het lukt om deze kinderen aan het leren te krijgen, merkt Du Prie. “Dat imago is nog onvoldoende opgepoetst. We proberen kosten wat het kost te voorkomen dat een kind naar het speciaal onderwijs gaat. Maar je zou ook kunnen zeggen: wat is het fijn dat er speciaal onderwijs binnen de scholengemeenschap is, zodat hij niet ergens anders heen hoeft en getraumatiseerd of gefrustreerd raakt door negatieve effecten op school.”

De term jeugdzorg

Als het gaat om de jeugdzorg heeft Du Prie nog een speciale wens voor de toekomst: laten we van het hele woord afscheid nemen. “Jeugdzorg bestaat eigenlijk niet. Een jongere maakt altijd deel uit van een familie, die heb je je leven lang. Het is dan raar als we het kind daar helemaal uit halen voor de zorg. Daar waar er vragen zijn rondom opvoeding moeten ouders er niet alleen bij betrokken worden, maar we moeten de ouders helpen met de vraag op welke manier zij het best met hun kind kunnen omgaan om tot ontwikkeling te komen. Soms betekent dit dat we ouders helpen om weer grip op hun kind te krijgen.” Dit kan soms een grotere investering vergen in ouders dan in een jongere.

“Soms helpen we ouders om weer grip op hun kind te krijgen.”- Hans du Prie

“Vaak komen jongeren hier aan tafel en dan gaat het al snel over wat het kind allemaal doet en vooral ook niet doet. ‘Hij luistert niet, hij leert niet, is al van twee scholen verwijderd’, enzovoort. Ouders zijn dan heel benieuwd of wij het wel met hun kind gaan redden. Wij maken ouders dan meteen duidelijk dat wij het alleen niet gaan redden. We kunnen niet toveren. Dit gaat ook iets vragen van de ouders. Het vraagt van ze dat ze niet eens per jaar naar een ouderavond komen, maar intensief met ons gaan communiceren over hoe het gaat, wat er goed is, wat er minder goed is en wat ouders daarmee doen.” Om ouders daarbij te helpen is er een gezinscoach betrokken. Er moet een doorbraak komen in de negatieve situatie. “We laten ouders wekelijks zien wat de vorderingen zijn.”

Relatie ouders en jongere

Het is de kunst om over het gezin te praten waar het kind onderdeel van uitmaakt en niet ‘slechts’ over het kind. Er moet een andere relatie gaan ontstaan tussen de ouders en de jongere. “En dan wat minder in termen van problemen en wat meer in termen van perspectief. Wat beogen we met elkaar? Wij betrekken ouders niet zomaar. We houden hen verantwoordelijk voor hun kind, ook voor het gedrag van hun kind. Maar we helpen hen daar ook bij. Ouders zijn niet schuldig, maar soms wel even onmachtig in de opvoeding. Komt een jongere met een wapen op school, dan spreken we ook de ouders aan op de vraag hoe dit kan.” Er is vaak nog een taboe over de worsteling die ouders doormaken in de opvoeding.

“Dit gaat ook iets vragen van de ouders.” – Hans du Prie

Du Prie besluit: “Ik zwaai af bij iHub, maar ik ben nog niet klaar met het onderwerp. Ik hoop dit de komende tijd nog verder handen en voeten te kunnen geven en wat mij betreft nemen we afscheid van het hele begrip jeugdzorg.”

Dit interview is in december 2021 gepubliceerd in het blad OJ Actueel, onderdeel van Onzejeugd.nu. Lees hier meer voor Instondo.

Coalitie Onderwijs Jeugd en Zorg: Met andere ogen

PO-Magazine

In 2018 werd de Almeerse ex-wethouder René Peeters geïnstalleerd als kwartiermaker in de zogenaamde brede coalitie. Daarin wordt de samenwerking tussen onderwijs, jeugdhulp en zorg op een passende manier vormgegeven. In de praktijk is daar in de afgelopen jaren op verschillende manieren en op verschillende plaatsen handen en voeten aan gegeven. Het ontwikkelprogramma waarin deze voorbeelden worden samengevoegd heet ‘Met Andere Ogen’.

Op de website van Met Andere Ogen (www.aanpakmetandereogen.nl) is weergegeven wat er in het land is ontstaan binnen de samenwerking en welke projecten er worden opgetuigd. Voor de zomer zijn er oproepen geplaatst voor zogenaamde inspiratieregio’s. Deze regio’s vormen op een eigen manier een inspirerend voorbeeld. Zij laten voorbeelden zien waar het, soms ondanks andere wetgeving en financieringsstromen, is gelukt om de samenwerking te versterken ten behoeve van de ontwikkelkansen van kinderen. Elke regio heeft ook ontwikkelvragen en uitdagingen waarbij de regio’s van elkaar en anderen kunnen leren.

 

Inspiratieregio’s

Inmiddels zijn er elf inspiratieregio’s. Die moeten het hart vormen van Met Andere Ogen. Het gaat om de regio’sTwente, Noord-Kennemerland, Regio NO-Friesland, Holland-Rijnland, Zuid-Kennemerland, De Meierij, Utrecht, Leeuwarden, Zuid-Limburg, Almere en FoodValley. In dit artikel geven we het verhaal van twee inspiratieregio’s, Almere en Twente, weer.

Op al deze plekken lopen vernieuwende projecten waarin lef en uitvoeringskracht in de praktijk leiden tot het verbinden van onderwijs, jeugdhulp en zorg. Zij hebben de wens om actiever te worden om de ontwikkelkansen van kinderen te vergroten. Elk van deze regio’s heeft een of twee mensen aangesteld die werken als verbinder binnen Met Andere Ogen. Op hun beurt zijn zij weer verbonden aan iemand vanuit een landelijke partij, de zogenaamde Coalitieverbinders. Samen vormen zij een landelijk verbindersnetwerk.

In deze inspriatieregio’s, die bewust verspreid over het land gekozen zijn, komen verschillende aspecten aan de orde. Er zijn vragen over verandermanagement, cultuur, monitoring, het betrekken van ouders en kinderen, de poreuze randen van de budgetten en over steun van andere regio’s. Centraal staat de vraag wat er nodig is om stappen te zetten die voor het kind en de ouder daadwerkelijk goed werken.

Een inspriatieregio deelt zowel op bestuurlijk als op uitvoerend niveau kennis en kunde, dilemma’s en successen met andere aandeelhouders in het netwerk en inspireren zo anderen om te doen wat werkt voor kinderen. De aanpak maakt het ook mogelijk om stelselwijzigingen en systemische belemmeringen die nodig zijn bij de juiste betrokken partijen te (laten) agenderen.

 

Inspiratieregio Almere

In Almere bestaat sinds ongeveer drie jaar het onderwijs-jeugdarrangement (OJA), voor leerlingen met een licht verstandelijke beperking. Vijf scholen in de gemeente bieden dit inmiddels aan. Elke school heeft een hoofdaanbieder en iemand die het budget beheert. Wanneer er hulp nodig is die niet binnen het arrangement valt, wordt via de hoofdaanbieder gekeken hoe andere aanbieders kunnen worden ingezet. Zo wordt lichte ondersteuning zowel op school als thuis mogelijk gemaakt. Het resultaat: minder thuiszitters en minder verwijzingen naar zwaardere vormen van hulp.

Binnen het OJA wordt nu, na enkele jaren, vooral ingezet op preventieve hulp. De omschakeling van acute naar preventieve hulp is een succes dat na enkele jaren wordt binnengehaald. Bertien Hoek, directeur van praktijkonderwijs Almere en Esmeralda Krone, coördinator OJA, vertellen erover.

“Zo’n tien jaar geleden zochten we naar een organisatie die bereid was om dagbehandelingen op school aan te bieden. Waardoor onze leerlingen niet buiten school hoefden te komen voor een behandeling. Daarmee werd voor hen een belangrijke drempel weggenomen”, blikt Hoek terug. “We hebben een partner gevonden die dat aandurfde. Die is gestart op een van onze locaties. Dat is niet vanzelf gegaan, maar toen het er eenmaal was en er meer leerlingen gebruik van konden maken, is dit goed bevallen. Leerlingen kunnen vanuit de les naar de dagbehandeling. In enkele jaren zijn we dat ook gaan exporteren naar andere locaties.” Behalve voor leerlingen, is het ook voor ouders belangrijk dat het bij school hoort.

Toen het eenmaal liep, ontstond de wens om deze dagbehandeling op school intensiever te maken. School en de behandeling werden meer verweven met elkaar omdat gedragsbehandeling in de klas mogelijk werd gemaakt. Dit gebeurt via een ambulant begeleider. Omdat dagbehandeling na school zou moeten plaatsvinden en niet onder schooltijd, begon dat formeel te knellen. Hoek: “Daarom wilden we een OJA aanvragen bij de gemeente. Dan zouden alle leerlingen die dat nodig hebben passende zorg op school kunnen krijgen. We hadden de overtuiging dat als we meer vanuit school zouden kunnen doen, we het laagdrempeliger kunnen maken en ouders makkelijker kunnen bereiken.” Een ander voordeel is dat de hulp niet met beschikkingen hoeft te worden ingevlogen. “Dat scheelt papier en heel veel handtekeningen. Dit deden we al langer, maar het mocht officieel niet.”

Door deze manier van werken wordt het mogelijk om preventief en aan de voorkant ondersteuning te bieden. Krone: “Uiteindelijk is de OJA er in 2019 gekomen. Met name budgettair gezien was dat een gesteggel. We hebben meerdere jaren nodig om het goed op te zetten en succeservaringen te kunnen oogsten. Die fase gaat nu komen.” Een deel van dat succes zit hem in het feit dat de hulp en het onderwijs dicht op elkaar zitten. “Dat betekent namelijk dat je snel van alles ziet en effectief en efficiënt kunt handelen. Daar wordt het niet per se goedkoper van, maar wel sneller en op termijn preventiever. Aan de andere kant geeft het grip op de kosten: we merken dat we dichterbij zitten en dat doet wat met het uit de maat laten lopen van allerlei hulpverlening.”

 

Inspiratieregio Twente

De inspiratieregio Twente zet in op het bieden van perspectief voor de toekomst. Een van de concrete stappen om dat perspectief te vergroten is de pilot interprofessioneel werken. Interprofessioneel betekent uiteraard samenwerken tussen professionals uit het onderwijs, de jeugdhulp en de zorg. Deze pilot vindt plaats op 13 scholen en hun samenwerkingspartners. Het doel: de samenwerking verbeteren om de ontwikkelkansen van leerlingen te vergroten. Er is gestart vanuit een nulmeting, waarbij de huidige samenwerking in kaart is gebracht. Debbie Nijhof, Betty Peters (beide intern begeleider) en Marjan Wolf (IKC-directeur) vertellen over hun ervaringen in deze aanpak. Zij startten drie jaar geleden met dit idee.

Nijhof: “Wij hadden het idee om een integraal kindcentrum (IKC) neer te zetten voor alle kinderen tot 13 jaar. De verschillende functies, zoals onder meer een peuterspeelzaal, een fysiotherapeut, een bso en een kinderdagverblijf waren al aanwezig. Wij wilden dat inhoudelijk samenbrengen. Wij hebben hiervoor een plan geschreven en het team meegenomen via studiedagen. Dit leidde tot een pedagogische visie op onderwijs, opvang en in het algeheel op kinderen. We zijn begonnen met de filosofie van de vreedzame school.” Deze visie is een samenwerking tussen alle mensen binnen het IKC. Zo draagt iedereen dezelfde visie uit.

“Ons plan heet ‘samen in beweging voor een vreedzame toekomst’. Dat stukje beweging vinden we heel belangrijk. We sluiten aan bij de methodiek beweegwijs. We richten ons schoolplein groen en beweegwijs in”, legt Nijhof uit. In het kader van Met Andere Ogen willen de Twentenaren nu verder om andere partijen die te maken hebben met jonge te verbinden aan de visie. Wolf: “De BSO, de peuterspeelschool, een gemeentelijk regisseur, een schoolarts, een schoolverpleegkundige en een schoolzorgzorgondersteuner sluiten inmiddels ook aan. Dat resulteert in heel korte lijnen. Samen vormen wij de pilot interprofessioneel werken.” Deze groep is op dit moment bezig te ervaren hoe de verbinding met elkaar het best gezocht kan worden. Nijhof: “Het komt erop neer dat we bekijken hoe de cases het best kunnen worden aangepakt en de juiste zorg het best bij de kinderen terechtkomt.” En ook is er op dit moment veel aandacht voor preventie: “Hoe zorgen we ervoor dat zaken geen groot probleem worden, maar dat we goede oplossingen vinden binnen ons IKC.”

Volgens Wolf is het goed om bij dit soort plannen vooral de populatie goed te kennen. “Om de beste en de juiste zorg te leveren, moeten de plannen goed zijn afgestemd op de eigen populatie. Dat betekent dat dit plan steeds iets wordt bijgesteld. We zijn over tien jaar niet precies hetzelfde aan het doen, maar onze activiteiten evolueren met de populatie mee. Op dit moment is taal een belangrijk item, naast bewegen. We zetten heel erg in op wat wij denken dat de leerlingen op dit moment nodig hebben.” Nijhof vult aan: “Daarbij zoeken we naar expertise dichtbij, zodat ouders weten wat ze bij ons kunnen verwachten. Zij hebben bij ons een vast aanspreekpunt. Binnen het IKC zetten we als dat nodig lijntjes uit daar onderlinge expertise op verschillende vlakken. We willen voorkomen dat ouders verdwalen en steeds opnieuw ergens aan de bel moeten trekken om hulp te krijgen.”

Dit artikel verscheen in PO Magazine – editie april 2021.

Lerarencollectief: werken aan de basis van passend onderwijs

PO-Magazine

Vlak voor de ministeriële voortgangsrapportage van november 2020, kwam het nieuw opgerichte Lerarencollectief met een zorgvuldig opgezette eigen evaluatie over passend onderwijs. De leraren vertellen op basis van een breed uitgezette en ingevulde enquête over de stand van zaken in de klas, na zes jaar passend onderwijs. Begrippen als handelingsverlegenheid, het vinden van een passende plek voor zorgleerlingen en de onder druk staande onderwijskwaliteit komen aan de orde. Een belangrijke bevinding is dat passend onderwijs nooit een eerlijke kans heeft gekregen. Het is te veel gegaan over accentverschuivingen.

Sharon Martens, een van de initiatiefnemers namens de lerarenraad van het Lerarencollectief vertelt over hun enquête: “Voordat we begonnen met het opzetten van de enquête zijn we eerst gaan onderzoeken wat er al beschikbaar was. Er is in al die jaren na de invoering van passend onderwijs enorm veel geschreven. We vroegen ons af of wij ons als leraren kunnen wij ons vinden in wat er al ligt. Want wat goed is, is goed en hoeft niet opnieuw.” Maar het viel haar op dat veel vragenlijsten die onder leraren zijn uitgezet, behoorlijk sturend waren. Een stelling als ‘door passend onderwijs heb ik meer zorgleerlingen in de klas’ is daarvan een voorbeeld. “Dit soort vragen vind ik ingewikkeld. Want hoe kun je vaststellen dat dit door passend onderwijs komt en in hoeverre heeft het een met het ander te maken?”, legt Martens uit. “Ons doel is niet om te evalueren hoe iets komt, dat maakt ons bij het opstellen van de enquête nog even niet uit. Wat we willen doen is evalueren hoe het ervoor staat met passend onderwijs. Van daaruit willen we verder kijken wat er moet gebeuren om passend onderwijs goed neer te zetten of hoe door te gaan als het goed gaat.”

“Voor een open vragenlijst geldt dat elk antwoord goed is. We willen niet sturen naar passend onderwijs werkt wel of niet”

Dat leidde tot een zo neutraal mogelijke enquête met open vragen die geen verbanden leggen. Het resultaat is in te zien via www.lerarencollectief.nl. Martens: “Voor een open vragenlijst geldt dat elk antwoord goed is. We willen niet sturen naar passend onderwijs werkt wel of niet”. De vragenlijst was in te vullen door alle leraren in het hele land. Dat is ook veelvuldig gebeurd, in twee weken tijd hebben een kleine 2.500 mensen de moeite genomen om de vragen te beantwoorden. “Vanuit de antwoorden willen wij kijken wat we adviseren richting de Tweede Kamer en het ministerie over de stand van zaken.”

De enquête bestond uit 13 vragen, waarvan een aantal sociaal-demografisch was en een aantal ging over de onderwijspraktijk. “Als we kijken naar de demografische gegevens, kunnen we stellen dat mensen uit heel het land de vragen hebben ingevuld. Ook de verdeling tussen speciaal – en basisonderwijs is mooi. Daar zijn we blij mee.”

 

Hebben we het wel over hetzelfde?

Passend onderwijs is een van de meest besproken onderwerpen in de lerarenkamer. “Wat wij van tevoren vermoedden, is dat iedereen het bij het begrip passend onderwijs niet altijd over hetzelfde heeft”, zegt Martens. “Daarom hebben we een open vraag opgenomen om dat te peilen. En het blijkt inderdaad dat passend onderwijs verschillende definities heeft bij leraren. De een heeft het eigenlijk over inclusief onderwijs, de ander heeft het over passend onderwijs zoals het bedoeld is en weer een ander heeft het over alle leerlingen in plaats van alleen de zorgleerlingen.”

Een andere open vraag was gericht op wat er goed gaat en wat er beter kan. Martens: “Daarmee willen we voorbijgaan aan alleen maar een onderbuikgevoel.”

 

Wat valt op?

Het valt meteen op dat 71 procent van de respondenten aangeeft dagelijks handelingsverlegen te zijn. “Dat valt zeker op als je meeneemt dat wij leraren over het algemeen niet zo snel aangeven dat het niet gaat. In eerdere enquêtes is eigenlijk nooit geconcludeerd dat wij ons handelingsverlegen voelen. In elk geval niet zo duidelijk”, merkt Martens op. Die handelingsverlegenheid kent overigens meerdere oorzaken. “Mensen weten soms niet hoe te handelen, of ze hebben niet genoeg tijd, ruimte of tools.”

Ook valt op dat het nog niet altijd goed lukt om een leerling een passende plek te bieden of naar een passende plek te kunnen doorverwijzen. 89 procent van de leraren geeft dat aan. “Dan heb je het niet meer over een of twee kinderen waar het niet lukt.”

De conclusie is hard, maar duidelijk: de basis is niet op orde om passend onderwijs te geven. Men wil wel, maar grote klassen, onvoldoende geld in de school zelf en het lerarentekort zijn factoren waardoor we passend onderwijs nog niet zo vorm kunnen geven als we graag zouden willen. Dat wil het Lerarencollectief met deze uitkomsten duidelijk maken.

 

Het lerarencollectief

Het lerarencollectief is een nog vrij nieuwe beweging. In december 2019 zijn kwartiermakers Jan van de Ven en Thijs Roovers vanuit POinActie de eerste stappen gaan zetten. Vanaf maart vorig jaar is het collectief officieel van start. Per 1 augustus werd de eerste lerarenraad geïnstalleerd.

Deze organisatie bestaat uit een groep, bestaande uit leraren, verspreid over Nederland en over de verschillende onderwijssecties, dat wil zeggen speciaal onderwijs, maar ook bovenbouw en onderbouw, ervaren en minder ervaren en zo allerlei achtergronden. Het voordeel daarvan is dat zij een breed veld vertegenwoordigen. Een hoofddoel is ‘het imago van de leraar opkrikken en zelf aan tafel zitten bij besluiten over de inhoud van het onderwijs’.

Martens daarover: “De leraar komt vaak negatief in het nieuws de laatste tijd vanwege stakingen en lerarentekorten. Maar we hebben allemaal hetzelfde doel als overheid, ouders, besturen, etc.: namelijk goed onderwijs geven. We lopen er tegenaan dat er veel voor ons wordt besloten, maar vaak weinig met ons. Behalve het verbeteren van het imago willen wij de leraar ook kunnen vertegenwoordigen bij besluiten over onderwijsinhoud. Voorbeelden daarvan zijn curriculum.nu, de voortgangsrapportages passend onderwijs en het nieuwe bevoegdhedenstelsel dat er aankomt. Echt invloed heeft de leraar er niet. We moeten dat samen doen.”

 

In november vond het Kamerdebat over de voortgang van passend onderwijs plaats. Er is inmiddels ook een verbeterplan gepubliceerd. “Wij hoopten met deze enquête en met ons geluid aan tafel te kunnen zitten om te praten over dat verbeterplan en hoe het verder moet. Het is niet zo dat we per se anders denken dan partijen die wel aan tafel zitten, maar we moeten het samen doen en onze achterban raadplegen. Dan wordt voorkomen dat er volgend jaar van bovenaf iets wordt gedropt dat wij allemaal mogen gaan uitvoeren. We willen daar constructief mee bezig zijn.”

 

Hetzelfde doel

Uiteindelijk heeft iedereen hetzelfde doel: goed passend onderwijs bieden, zo stelt het Lerarencollectief. Om daarmee aan de slag te gaan is er een thema-avond georganiseerd met onder meer De acht onderwijswoordvoerders van de Tweede Kamer, de NRO, de Onderwijsraad, vijftig leraren en vijftig ouders. Goed passend onderwijs organiseren stond hier op de agenda. “Nog voordat die thema-avond kwam, heeft het ministerie ook een afspraak met ons gemaakt. Ze wilden samen naar het verbeterplan kijken. De uitnodiging staat om mee te denken, ook in het vervolgtraject. Uiteraard hebben we daar ‘ja’ op gezegd en zitten we aan tafel.”

Daarmee lijkt een belangrijke stap gezet.

PO Magazine

Dit artikel verscheen in PO Magazine, editie februari 2021.

SWV In The Picture: SWV Helmond-Peelland VO

PO-Magazine

In het samenwerkingsverband Helmond-Peelland VO werken 25 scholen voor het voortgezet (speciaal) onderwijs nauw samen in negen (deel)gemeenten in de regio Helmond. In totaal zitten er ruim 14.000 leerlingen op de scholen. Directeur Marja van Leeuwen vertelt over de kracht van het samenwerkingsverband en de samenwerking met primair onderwijs.

“Wat belangrijk is in ons samenwerkingsverband is dat we heel duidelijk zijn in hoe we werken. Als er iets aan de hand is op een school, dan neemt de zorgcoördinator van de betreffende school met ons contact op. Dat gaat telefonisch of door een aanvraag via onze software-applicatie te doen.

Als een aanvraag binnenkomt, kijken we naar de ondersteuningsvraag. Naar aanleiding daarvan beslissen we wat er nodig is. We formuleren ook wat de ingezette ondersteuning moet gaan opleveren en wanneer we dat resultaat mogen verwachten. Soms zijn er relatief eenvoudige aanvragen”, legt Van Leeuwen uit. “Maar zeker in het voortgezet onderwijs zijn er ook leerlingen die helemaal vastlopen en dan is de aanvraag complex. In die gevallen volgt er een gesprek met de adviescommissie toewijzingen (ACT). Voor dat gesprek nodigen we ook de ouders en de leerling zelf uit.”

Deze gesprekken vinden altijd op woensdag plaats. Dit als voorbeeld van de heldere werkafspraken. De gesprekken vinden gegarandeerd plaats binnen twee weken nadat de aanvraag door de ACT is ontvangen. Ouders hebben toegang tot de aanvraag zoals die is ingediend bij de ACT.

Tijdens dat gesprek komt op tafel wat er aan de hand is en of dat probleem door alle partijen wordt herkend. De voorzitter breidt de ACT uit met specifieke deskundigheid (denk daarbij bijvoorbeeld aan experts op het gebied van jeugdhulp of hoogbegaafdheid) als zij dat nodig vindt. “Kenmerkend voor deze gesprekken is dat er goed naar elkaar wordt geluisterd en respectvol met elkaar wordt omgegaan”, vertelt Van Leeuwen. In een dergelijk gesprek zal de voorzitter eerst met de aanwezigen het probleem scherp proberen te krijgen. En als daarover overeenstemming is, wordt gezamenlijk gezocht naar mogelijke oplossingen. Alle partijen aan tafel hebben hierin een stem. Van Leeuwen: “Daar gebeurt vaak heel veel. Het zijn meestal goede gesprekken die vrijwel altijd in harmonie worden afgesloten. Ik ben daar wel trots op. Van de duizend aanvragen die we jaarlijks krijgen zijn er veel administratief af te handelen, maar er zijn ook wel veel gesprekken. Elke week pakweg acht. Dat betekent dat de adviescommissie goed werk verricht en het voor elkaar krijgt om een sfeer neer te zetten waarin iedereen zijn woord mag doen om het probleem en de mogelijke oplossingen boven tafel te krijgen.” Direct gevolg van deze werkwijze is dat er geen bezwaren zijn en nauwelijks klachten. “Dat gesprek met alle betrokken partijen is iets wat ik iedereen aan zou kunnen raden, zelfs als er ogenschijnlijk (nog) niet veel aan de hand lijkt te zijn. Het blijkt steeds weer dat de deelnemers aan het gesprek bijna altijd intuïtief al langer wisten dat iets niet goed zat. Het is juist dan belangrijk om elkaar snel te vinden. Zo voorkomen we dat belemmeringen die in eerste instantie nog niet problematisch zijn veel te lang blijven bestaan en mogelijk uitgroeien tot veel grotere problemen. Heldere communicatie levert heel veel op.”

 

Communicatie

Als voorbeeld van niet heldere communicatie noemt Van Leeuwen het gesprek tussen school en ouders, waarin door school gezegd wordt: hij doet het goed op school. Als een leerling dan op school minder goede cijfers haalt dan ouders hadden verwacht, is er teleurstelling. Als je daarover doorvraagt blijkt dat de school die gezegd heeft ‘hij doet het goed op school’, hiermee vooral bedoelde dat het ‘zo’n leuk joch is’. Van Leeuwen: “Wees duidelijk en expliciet in wat je wilt zeggen en check of de boodschap goed is overgekomen.”

Van Leeuwen ervaart een soort taboe op het benoemen van eventuele beperkingen. Hierdoor komt bijvoorbeeld een onderwijssoort als praktijkonderwijs volgens haar soms in het verdomhoekje. “Dat vind ik jammer. Leerlingen voor wie dit de passende onderwijssoort is, leven er vaak op en vinden daarna mooi werk dat bij ze past. We kunnen veel leren van het kijken naar de talenten die leerlingen wèl hebben en deze op waarde schatten. Willen we leerlingen die koste wat het kost vmbo halen, terwijl ze liever buiten spelen? Of willen we leerlingen die doen waar ze blij van worden en succeservaringen hebben? We moeten niet zeggen: ‘hij moet een niveau lager’, maar ‘praktisch onderwijs past beter bij deze leerling dan theoretisch onderwijs’. Er zijn mensen die liever werken met het hoofd en anderen die liever werken met de handen. Bovendien is het in ons land zo geregeld dat je altijd verder kunt leren als je dat op een later ogenblik zou willen. Ga weg van dat laag- en hooggeschoold. We hebben niet alleen dokters nodig, maar ook loodgieters.”

 

 

PO – VO

Goed op weg helpen

Het contact tussen het po en het vo wordt door Van Leeuwen als goed ervaren: “Ik ga elk jaar met mijn collega uit het po op pad langs alle besturen en intern begeleiders van de po-scholen. We gaan in gesprek over wat we samen het komende jaar gaan doen. Daar krijgen we terug uit de scholen wat er speelt. Wij vinden het belangrijk dat iedereen in de regio die wat met onderwijs te maken heeft, weet dat wij ons inzetten voor een doorlopende leer- en ondersteuningslijn. Dat geven we vorm door bijvoorbeeld Vast en zeker naar het vo. Dit is een virtuele gereedschapskist waarin allerlei hulpmiddelen zitten die ouders en leerkrachten van kinderen uit het primair onderwijs helpen bij de voorbereiding op een prettige en duurzame overstap naar het voortgezet onderwijs. Daarnaast spreken we elkaar zeer regelmatig en onderhouden we samen contacten met gemeenten om te komen tot goede afstemming als het gaat om zaken als inzet jeugdhulp, leerplicht, leerlingenvervoer, enzovoort. De regio waar wij in mogen werken kent een lange traditie van samenwerken en dat is voor een samenwerkingsverband bijzonder prettig.”

SWV in the picture: SVW Utrecht PO

PO-Magazine

Binnen het Samenwerkingsverband Utrecht PO vallen ruim honderd basisscholen. Daarnaast zijn er nog vier speciale basisscholen en zes so-scholen. In totaal wordt er onderwijs gegeven aan ongeveer 31.000 leerlingen. Er zijn achttien schoolbesturen, die elk met een lid vertegenwoordigd zijn in het bestuur van het samenwerkingsverband. Dat bestuur wordt geleid door een onafhankelijke technisch voorzitter. De middelen worden verdeeld via een expertisemodel. Er gaat een fiks bedrag per leerling naar de scholen om de basisondersteuning te kunnen bieden. Er is een groot expertiseteam beschikbaar met consulenten passend onderwijs. De stad is verdeeld in vijf wijken, die in grote lijnen samenvallen met de buurtteams. De scholen in die wijken worden bediend door vier of vijf consulenten per wijk, afhankelijk van de vraag in samenwerking met kernpartners. De consulenten volgen de vraag van de scholen.

Wanneer een vraag de basisondersteuning overstijgt, wordt het expertiseteam benaderd. Er wordt dan een startgesprek gevoerd waar de precieze hulpvraag in kaart wordt gebracht. Dan zijn meteen alle betrokkenen aanwezig, van consulent tot kernpartner en van intern begeleider tot ouder.

Het bestuur van het samenwerkingsverband legt in een nieuw ondersteuningsplan de nadruk op samenwerking. Die samenwerking gaat uit naar schoolbesturen, kernpartners, ouders en leerlingen. Jetta Spaanenburg is sinds twee jaar directeur en geeft ons een inkijkje in het nieuwe ondersteuningsplan, waarin verbinding belangrijk is en de woorden ‘vertrouwen’, ‘vrijheid’ en ‘verantwoordelijkheid’ centraal staan en gestalte krijgen. Spaanenburg: “De wettelijke opdracht is hetzelfde, maar hoe je die inkleurt en uitvoert is verschillend, maar wel heel belangrijk.”

 

Nieuw ondersteuningsplan

Het ondersteuningsplan is een zorgvuldig opgemaakt boekwerk met relatief bondige teksten die richting geven aan het doel. “We dragen met dit plan bij aan het versterken van passend onderwijs, het verbinden van de partners en we tonen de moed om te vernieuwen”, vertelt Spaanenburg trots. “We willen het document simpel houden en vooral ook realistisch en tegelijk ambitieus zijn in de doelen die we stellen.” Verbinding is daarbij de bouwsteen. “Toen ik in dit SWV begon was iedereen hard en bevlogen met heel goede dingen bezig, maar er was meer verbinding nodig. Dat helpt om tot een maximaal resultaat te komen in het behalen van de doelen.”

Na haar aanstelling is Spaanenburg met veel mensen gaan praten, mensen in alle hoeken van passend onderwijs. Daar constateerde ze dat er vaak relevante samenwerking miste. “Aan de hand van die gesprekken heb ik een actieplan gemaakt, een tien puntenprogramma dat als kapstok fungeert”, blikt Spaanenburg terug. “We hebben geïnvesteerd in goed naar elkaar luisten om ertoe te komen wat er nodig is in Utrecht. Zo hebben we zaken opgepakt die eigenlijk al klaarlagen en daar ook nieuwe onderwerpen aan toegevoegd.” Wat er bijvoorbeeld al klaarlag was een vraag om iets te doen op het gebied van hoogbegaafdheid, daar is een visie en een plan voor gemaakt waar alle verschillende lagen (basis-, extra- en speciaal onderwijs) mee uit de voeten kunnen.

 

In Utrecht wordt de opvatting ‘gewoon doen wat nodig is’ heel belangrijk gevonden. “Daar zijn we van doordrenkt”, zegt Spaanenburg. “Dus niet dat er voor het eerste gesprek al een opp moet zijn of iets dergelijks. Bij het startgesprek gaan we meteen kijken wat de vraag is, maar we kijken ook wat er eventueel al gebeurd is. Dan doen we geen dingen dubbel. We gaan direct al kijken wat het meest handig is om tot een geschikte oplossing te komen. In een latere fase, als we aan arrangementen beginnen, is een opp nodig. Maar we gaan niet meteen op de administratie zitten.”

Als de hulpvraag klaar is, kan de leerling of gewoon weer door of er volgt een analyse- en ondersteuningstraject. Dat gebeurt in samenwerking met de consulent. “Het kan zijn dat daar een investering van buiten voor nodig is. Wij bekostigen de arrangementen van de externe aanbieder wel”, legt Spaanenburg uit. “We voeren ze niet zelf uit, maar we zijn wel als coach of meedenker betrokken. Dan weten we of we nog steeds iets doen dat aansluit bij de vraag en we kunnen als het nodig is ook tussentijds het traject bijstellen.” Het systeem is zo opgezet, dat de school al snel een hulpvraag kan stellen en dit niet meer doet aan het einde van een traject wanneer ze ten einde raad is.

 

Basisondersteuning

Er is geen harde grens in wat er onder basisondersteuning valt en wat niet. Er was een standaard voor basisondersteuning, maar die was te weinig concreet. Een breed samengestelde werkgroep is gaan onderzoeken hoe de basisondersteuning scherper neergezet kan worden. Die werkgroep is typerend voor de manier waarop er wordt samengewerkt om samen vooruit te komen. Per wijk zijn er afspraken gemaakt en werksessies gehouden, zodat scholen meer van elkaar te weten kunnen komen en weer een actueel schoolondersteuningsprofiel konden maken.

Stedelijke afspraken over basisondersteuning zijn via die werkgroep op wijkniveau ingevuld. “Door op het gebied van basisondersteuning samen met de wijk afspraken te maken, krijg je een heel fijne dynamiek”, zag Spaanenburg. “Je bent niet alleen als schoolbestuur ergens mee bezig, maar breder en wel in dezelfde wijk. Scholen gaven aan vaker samen, als wijk, te willen praten of nadenken over onderwerpen. Dat creëert eenzelfde soort bedoeling en een zelfde kader. We maken kwaliteitskaarten om scholen te helpen op eenzelfde manier om te gaan met de kaders. Zo is er bijvoorbeeld kwaliteitskaart over het organiseren van een startgesprek of het inwerken van een nieuwe medewerker. Op het gebied van verbinden en kennisdeling, daar zie ik een rol voor het samenwerkingsverband. Zo kunnen we de schooloverstijgende rol nog mooier maken. We proberen handvatten te geven zodat duidelijk is wat er wordt verwacht, maar we geven ook de vrijheid om daarbinnen gewoon te kunnen doen wat nodig is, in vertrouwen, vrijheid en verantwoordelijkheid.”

SWV in the picture: Samenwerkingsverband Primair Onderwijs 30 06 (regio Oss/Uden /Meijerijstad)

PO-Magazine

Samenwerkingsverband Primair Onderwijs 30 06 ligt in Noordoost-Brabant en strekt zich uit in de gemeenten Oss, Uden, Meierijstad (behalve Schijndel), Bernheze en Landerd. Het verbindt daar 14 schoolbesturen met in totaal 95 basisscholen. Drie daarvan zijn scholen voor speciaal basisonderwijs en vijf voor speciaal onderwijs.

De algemene ledenvergadering bestaat uit de deelnemende besturen. Zij hebben in principe een toezichthoudende rol. Verder is er een kwaliteitscommissie en een auditcommissie. De Ondersteuningsplanraad is het medezeggenschapsorgaan van het samenwerkingsverband. Naast onderwijsprofessionals zijn ook ouders hierin goed vertegenwoordigd. Joris Elbers belichaamt sinds twee jaar het dagelijks bestuur. Hij vertelt over zijn samenwerkingsverband.

“Sinds mijn aantreden twee jaar geleden is er in het samenwerkingsverband een beweging gaande die wordt gekenmerkt door een enorm enthousiasme en een enorme verbinding met elkaar”, vertelt Elbers. Die beweging is op gang gekomen bij het gezamenlijk ontwikkelen van een nieuwe visie over het vormgeven van passend onderwijs. “Toen ik hier kwam lag er een boekwerk van 80 pagina’s te verstoffen. Niemand wist eigenlijk wat ermee moest gebeuren. Dat moest anders. Zonder gedeelde en gedragen visie is het onmogelijk om samen een beweging te realiseren.”

 

Verbinding

Bij de start als bestuurder begon Elbers met ‘lijntjes leggen’. “Ik vind het belangrijk dat we werken vanuit verbinding met elkaar. Die verbinding is nodig omdat we de gezamenlijke opdracht hebben om passend onderwijs te realiseren. Onze ambitie realiseren kan alleen als we samenwerken. Ons samenwerkingsverband is geen aparte geld schuivende organisatie of een organisatie die alleen maar toelaatbaarheidsverklaringen afgeeft. Wij zijn een netwerkorganisatie die aangesloten besturen en alle partners zo samenbrengt, dat we ook vorm kunnen geven aan passend onderwijs.”

De volgende stap was het voeren van de dialoog met allerlei betrokkenen over de ambitie van het samenwerkingsverband voor de komende jaren. “Dat deden we in verschillende panels. Een voor ouders, een voor professionals, een voor bestuurders en een voor ketenpartners. Ik wilde er ophalen waar we nu staan, waar we naartoe willen en hoe we dat willen bereiken. Hierdoor kwam er een gezamenlijke beweging op gang, doordat iedereen invloed had op de vraag waar de nieuwe visie naartoe gaat.” De input werd verwerkt tot een nieuw ondersteuningsplan. “We hebben er een leesbaar een aansprekend boekje van gemaakt, in plaats van alleen maar een dik pak papier.” In het midden van het ondersteuningsplan staat een infographic die helder en inzichtelijk antwoord geeft op de vraag: ‘hoe ziet passend onderwijs er in ons samenwerkingsverband uit’? Daar is ook weer een animatiefilmpje van gemaakt, zodat ook online dezelfde boodschap gedeeld wordt. “Dat inzichtelijk maken heeft er echt toe bijgedragen dat we met elkaar een gevoel krijgen waaraan we werken”, zegt Elbers trots.

 

Kind centraal

Toen de nieuwe visie er was, werd het tijd voor de volgende stap. “We hebben met elkaar afgesproken dat we niet teveel kijken naar allerlei landelijke verwijspercentages en andere cijfers, maar ons focussen op het kind. We kunnen wel ontzettend gaan sturen op het omlaag brengen van de speciaal onderwijspercentages, maar dan doen we niet per se het goede voor het kind. En dat laatste is wel waar we als samenwerkingsverband uiteindelijk voor zijn. Dus stellen we elkaar een andere vraag: wat heeft het kind echt nodig? Welke ondersteuning en op welke plek?” Dan geven we echt vorm aan passend onderwijs. Het is mooi om te zien dat betrokkenen dit als een gemeenschappelijke opdracht zijn gaan ervaren en dat er op inhoud gesproken wordt, in plaats van alleen op getalletjes.”

Het samenwerkingsverband heeft dus forse stappen gezet. Het geheim achter dit ‘succes’ noemt Elbers de duidelijke visie die het samenwerkingsverband heeft, gecombineerd met verbindend leiderschap. Een verbindend leider weet de partijen bij elkaar te brengen, verder te laten kijken dan het eigen belang en hen zich aan de gedeelde visie te laten committeren. Een belangrijke bouwsteen ligt ook bij de schoolbesturen. “Zij hebben in de governance moeten durven zeggen: we stellen een onafhankelijk bestuurder aan die we de ruimte geven om het samenwerkingsverband te sturen.” Elbers is die bestuurder. “Dat de besturen een stapje terug hebben gedaan in het samenwerkingsverband heeft een belangrijke rol gespeeld. Ik heb keuzes kunnen maken die zij nooit hadden gemaakt als ze in het bestuur hadden gezeten. Dan hadden ze namelijk in hun eigen budgeten moeten gaan snijden.”

 

Communicatie en visualisatie

Om de visie echt te laten slagen zijn communicatie en visualisatie cruciale instrumenten. Elbers: “We zorgen er steeds voor dat we dezelfde boodschap in begrijpelijke taal delen, via allerlei kanalen. De kracht zit in herhaling en in het aanspreken van professionals en ouders. Zo heeft elke school een poster opgehangen met de ondersteuningsstructuur erop. Ons jaarplan staat ook op één poster en heeft acht duidelijke speerpunten, met daarbij uitgewerkt wat we gaan doen. Via onze digitale nieuwsbrief, die goed gelezen wordt, delen we regelmatig waar we, dus ook de scholen, mee bezig zijn. We geven met filmpjes en interviews een gezicht aan de mensen van het samenwerkingsverband. Dit alles zorgt ervoor dat we steeds werken aan verbinding en aan het delen van onze gezamenlijke opdracht. Dat het werkt blijkt wel uit de reacties uit het veld en de hoge opkomsten als we bijeenkomsten organiseren.”

Het grootste compliment dat Elbers in de afgelopen twee jaar heeft ontvangen kwam bij het afkondigen van de coronamaatregelen, medio maart. “Vanuit verschillende kanten kwam de vraag hoe het samenwerkingsverband kan ondersteunen het onderwijs goed kunnen vormgeven op afstand voor kinderen met een ondersteuningsbehoefte. Dat is een compliment omdat het precies ingaat op het systeem: ‘hoe kunnen we het onderwijs en dus ook passend onderwijs met elkaar vormgeven’.” Binnen twee dagen werd met een klein team www.passendonderwijsthuis.nl opgezet. Een website waarop ouders en professionals volop informatie kunnen vinden over passend onderwijs thuis en waarbij specialisten uit het hele land  betrokken worden om kennis te delen. En met een bijbehorend platform waar ouders, leerlingen en professionals tips kunnen plaatsen of vragen kunnen stellen. “Dat is een mooi voorbeeld van wat we nastreven. Niet eindeloos vergaderen, maar gaan doen, omdat daarmee de leerling het meeste geholpen is. En niet blijven kijken binnen onze eigen regio, maar ook de verbinding zoeken met partijen daarbuiten. Passend onderwijs is immers een opdracht van en aan ons allemaal.”

Passend onderwijs thuis: Een revolutie ontketend?

PO-Magazine

In de dagen en weken na 16 maart heeft het onderwijs laten zien hoe wendbaar het is. In plaats van overwegend traditioneel les in een klaslokaal, kregen tienduizenden leerlingen van de ene op de andere dag les op afstand. Plotseling belandde het onderwijs in een enorme (digitale) revolutie. “Het is alsof we in één weekeind van 2020 in 2030 zijn beland”, analyseerde Christien Bok, onderwijsvernieuwer bij ICT-organisatie Surf de inhaalslag van onderwijs op afstand. Allerlei initiatieven kwamen op, zowel onderwijsinhoudelijk als in het beschikbaar stellen van ICT-middelen. Medio mei mogen de leerlingen mondjesmaat weer naar school, maar wat leren we van de weken ervoor? En wat blijft er over uit die tijd?

 

Het is de vraag hoe de leerlingen terugkeren in het normale schoolstramien. Vooral voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte kunnen er achterstanden ontstaan zijn. Het is ook mogelijk dat deze leerlingen juist houvast hebben aan de middelen die zij hebben leren gebruiken tijdens de coronacrisis. Overigens stelde het ministerie een budget van 244 miljoen euro beschikbaar dat het basis- en voortgezet onderwijs kan gebruiken voor het terugdringen van onderwijsachterstanden.

Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) ondernam actie op de vraag hoe leerlingen goed op afstand bediend kunnen worden. Zij ontwikkelde hiervoor een platform. De onderwerpen prioriteiten, kwaliteit, ICT en thuiswerkopdrachten kregen de aandacht.

“Vanaf dag één van de crisis ontstond bij een collega en bij mij de wens om kwalitatief goed materiaal beschikbaar te stellen voor leerlingen, dat aansluit bij doelen binnen vakken als rekenen en taal. Daar hebben we later nog wereldoriëntatie aan toegevoegd. Ons idee was dat dit materiaal hierna ook nog jaren gebruikt zou kunnen worden voor thuisonderwijs”, vertelt Matthijs Driebergen van de SLO. Samen met SchoolTV en KidsWeek werd allerlei (gratis) lesmateriaal voor thuis ontwikkeld en beschikbaar gesteld. Driebergen: “Dit materiaal is bedacht vanuit doelen en leerlijnen, maar het is wel materiaal dat leerlingen min of meer zelfstandig kunnen gebruiken. We willen de stof echt breed benaderen, met daarbij ook uitdrukkelijk aandacht voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften. Leraren kunnen het inzetten om toch aan taal- en rekendoelen te werken en daarnaast iets anders aan te kunnen bieden als wereldoriëntatie vanuit de actualiteit. Ons aanbod gaat niet zozeer in op het organiseren van een losse les of een los doeltje. Het gaat ons erom dat je de dingen die je doet ook goed beredeneerd doet en dat ze het liefst ook passen binnen meerdere leergebieden of vakken. Zo hebben we een verbinding gemaakt tussen rekenen en wereldoriëntatie of taal en kunstzinnige oriëntatie bijvoorbeeld. Dat zorgt er ook voor dat het voor leerlingen aantrekkelijk blijft. Leerlingen hoeven dan niet eindeloos alleen maar tafelsommen te maken of iets dergelijks. En naast technisch lezen hebben we ook gewoon leuke inhoud erbij zitten.”

Dit idee resulteerde in een centrale pagina op de website van de SLO (slo.nl/thuisonderwijs). Vanuit allerlei gebieden binnen de stichting werden materialen toegevoegd. “Bijvoorbeeld passend onderwijs, so en vso droegen materialen aan”, blikt Driebergen terug. Dit zorgde voor een enorme groei, vertelt hij. “Er staat nu veel meer op dan alleen materiaal over de genoemde vakgebieden. Er is bijvoorbeeld informatie over digitale ontwikkeling, maar er zijn ook tips voor het begeleiden van leerlingen op afstand. En zo bouwen we elke week verder. We brainstormen met onze partners over de thema’s die we willen gebruiken en welke lessen daarbij aangeboden kan worden. Zo groeit het aanbod.”

Behalve het sec aanvullen van aanbod wordt er ook gekeken naar prioritering. Stel dat er langere tijd les op afstand gegeven moet worden, waar liggen dan de prioriteiten in groep 1, groep 2, etc.? “Daarover zijn we met de PO-Raad en het ministerie in gesprek”, vertelt Driebergen. “Aan de statistieken van onze pagina zien we dat er behoorlijk veel gebruik wordt gemaakt van tips en aanwijzingen. Er blijkt veel animo te zijn voor aanbod dat we hebben opgesteld voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften en voor het speciaal onderwijs.”

 

Wat houden we over aan deze ervaringen?

Vanwege de privacy hebben we wekenlang in een beveiligde omgeving gewerkt. We hebben kunnen leren dat dit mogelijkheden schept die we kunnen inzetten in ons dagelijks onderwijs. We hebben kunnen leren dat ondanks strenge eisen op het gebied van privacy en beveiliging, er van alles mogelijk is om toch onderwijs op afstand te kunnen bieden. Dit kan hulp bieden aan bijvoorbeeld zieke leerlingen of leerlingen die op een of andere manier niet mobiel zijn, dit is voor ouders interessant en het zou in bepaalde gevallen thuiszitters binnenboord kunnen halen, omdat zij op afstand kunnen instromen. Het veranderen in denken over onderwijs op afstand is blijvend, we hebben het nu immers gedaan. We hebben nu de urgentie gevoeld en raken er wat meer bedreven in. Zo schrijft Bok in De Volkskrant (3 april 2020): “Onbekend maakt onbemind. Waar veel docenten eerder niet dachten dat allerlei techniek (op afstand) hun onderwijs zou verbeteren, hebben ze nu kunnen ervaren wat er mogelijk is. Het is zeker niet de bedoeling dat volledig online onderwijs straks de norm wordt. Idealiter maken we met z’n allen een afgewogen keuze welke onderwijsonderdelen zich goed lenen voor online en in welke vorm. Ik kan me niet voorstellen dat dit géén katalysator zal zijn om de mogelijkheden van digitalisering hierna op grotere schaal een plaats te geven in het onderwijs.”

Hoewel veel leraren aangeven hun leerlingen al snel te missen als zij op afstand deelnemen, zal een deel van de opgedane ervaring een plaats krijgen in het onderwijs vanaf nu.

 

Ook Driebergen voorziet niet dat we het licht van het digitale onderwijs of het onderwijs op afstand nu zo hebben gezien, dat we niet meer terug willen. “Je ziet dat een groot deel van het onderwijs niet draait om de lesstof, maar om de relatie tussen leraar en leerling en leerlingen onderling bijvoorbeeld.” Maar van de onderdelen die nu worden opgezet zal een deel ook blijvend zijn. “We gaan door met bijvoorbeeld het prioriteren van lesmateriaal en lesstof voor de verschillende groepen. Alleen al omdat scholen de komende periode tijd tekortkomen om alles te behandelen. Zij zullen keuzes moeten maken. Onze pagina kan leraren daarin faciliteren.” Op de langere termijn is er nog een verandering. Driebergen: “Leraren en leerlingen hebben noodgedwongen kennisgemaakt met leren via allerlei devices, maar ook met een enorme diversiteit aan bronnen, zoals Klokhuis, YouTube, SchoolTV en verzin het maar. De ervaringendie zij opdoen, zullen ook na deze crisis gebruikt gaan worden op school en thuis. Met bijvoorbeeld korte instructiefilmpjes kunnen ouders hun kinderen thuis ook helpen met de lesstof. Er is de afgelopen weken in elk geval een enorme creativiteit losgekomen, van groep 1 tot in groep 8.”

 

VOORBEELDEN

Er zijn tal van goede voorbeelden van digitaal onderwijs ontwikkeld, dit jaar en ook al eerder. Enkele bronnen voor onderwijs op afstand aan leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften lichten we eruit.

 

Samen passend onderwijs realiseren

Het samenwerkingsverband in Oss en omstreken doet zijn best om passend onderwijs te realiseren op een gezamenlijke manier. In dat kader lanceerden zij de website www.passendonderwijsthuis.nl, een platform met tips en tools om leerlingen die ondersteuning nodig hebben op afstand van goed onderwijs te voorzien.

“Om scholen te ondersteunen zijn we dit eigen platform begonnen. De leerlingen met ondersteuningsbehoeften zitten, net als iedereen, thuis. Iedereen is aan het zoeken wat we daarmee moeten. Om een antwoord te bieden hebben we verbinding gezocht met het LPO, de PO-Raad, het NJi, de sectorrraad VO, het ministerie, etc. Men is dit bericht gaan delen. Hierdoor komen er specialisten uit het gehele land op onze website, die vragen stellen. Het gaat niet meer alleen om onze eigen regio of onze eigen leerlingen, maar om passend onderwijs voor alle leerlingen”, stelt directeur van het samenwerkingsverband Joris Elbers.

 

Lesopafstand.nl

Op lesopafstand.nl is betrouwbare informatie te vinden over het inzetten van ICT ter ondersteuning van onderwijs op afstand. Ook vind je een overzicht van toepassingen, leermiddelen en leveranciers. Deze link is nuttig voor leerlingen met een speciale ondersteuningsbehoefte.

po.lesopafstand.nl en ouders.lesopafstand.nl

 

Steffie

Uitleghulp Steffie legt moeilijke informatie op een eenvoudige manier uit. De website is speciaal bedoeld voor mensen met een verstandelijke beperking en laaggeletterden.

www.steffie.nl

 

 

EMB en thuisonderwijs

Op deze Wikiwijs zijn tips en ideeën van leerkrachten, ouders en leerlingen te vinden ter inspiratie voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking.

maken.wikiwijs.nl/160264/EMB_en_thuisonderwijs

 

Zintuigenverhalen van Kentalis

Een vorm van voorlezen waarbij foto’s, pictogrammen en gebaren worden gebruikt. Maar het belangrijkst is dat de zintuigen geprikkeld worden. Er is iets te zien, te ruiken, te proeven, te voelen.

www.kentalis.nl/wetenschappelijk-onderzoek/communicatie-stimuleren-zintuigenverhalen

 

Taakaanpak

Hoe weet ik of ik goed gewerkt heb aan een taak? SamenWijzer heeft in pictogrammenaangegeven hoe je je eigen taak kan controleren. balansdigitaal.nl/wp-content/uploads/2020/03/Taakaanpak-Samen-Wijzer-Duin-en- Bollenstreek.pdf

 

Thuis zonder vakantie: 7 tips voor leerlingen met autisme

‘Geef me de vijf’ heeft een aanpak voor kinderen met autisme ontwikkeld en deze uitgebreid met een aantal thuistips.

balansdigitaal.nl/wp-content/uploads/2020/03/Geef-me-de-vijf-en-thuistips.pdf

 

SVW in the picture: POZV – Passend Onderwijs Zeeuws-Vlaanderen

Het samenwerkingsverband Passend Onderwijs Zeeuws-Vlaanderen bestaat uit 50 scholen en schoolbesturen, verspreid over heel het Zeeuws-Vlaamse grondgebied. In het gebied liggen drie gemeenten. Samen hebben de schoolbesturen in 2014 beschreven op welke wijze hun Samenwerkingsverband Passend Onderwijs vorm moet krijgen. Simpel, efficiënt, effectief en goedkoop. ‘Het zijn tenslotte Zeeuwen.’ Recent is er veel veranderd in de manier hoe het samenwerkingsverband omgaat met het beleid rondom passend onderwijs. POZV-directeur Quint Videler vertelt over hun samenwerkingsverband.

 

“Ons samenwerkingsverband is bij de opstart een beetje minimalistisch ingericht vergeleken met andere samenwerkingsverbanden nu”, vindt Videler. “Het verband was puur gericht op haar basistaken binnen passend onderwijs, maar niet meer dan dat. Ook qua personele bezetting zijn we altijd klein geweest.”

Sinds augustus is daar verandering in gekomen. “We hebben een nieuw team begeleiders passend onderwijs aangesteld, dat zich bezig houdt met de inhoud. Het ‘bemoeit’ zich meer met de scholen in het werkveld en met het beleid binnen passend onderwijs”, vertelt Videler. “Dat moet zich nog zetten. Het is voor de scholen nog even wennen en voor ons is het ook nog een beetje zoeken.

De wens om meer centraal en inhoudelijk aan de slag te gaan met passend onderwijs komt voort uit het feit dat bijvoorbeeld ambulant begeleiders te vaak enkel werden ingezet om een-op-een begeleiding te bieden aan leerlingen. “We bedoelen daarmee niet dat de begeleiding niet goed is of dat er geen nood meer aan is, maar met dit team willen we duidelijk wel iets anders doen. We richten ons met de begeleiders passend onderwijs veel meer op de klas, de leerkracht en de school. En zij helpen met het bouwen van bruggen tussen onderwijs en zorg en alle partijen die daarbij actief zijn.” Ook worden er bruggen gebouwd tussen de verschillende onderwijstypes die in de regio aanwezig zijn.

 

De regio is op een aantal punten een opmerkelijk gebied. “Qua geografie bijvoorbeeld”, legt Videler uit. “De afstand van oost naar west is te vergelijken met de afstand tussen Rotterdam en Amsterdam.” Ook de krimp in de regio en het feit dat ouders er geregeld voor kiezen om hun kind in Vlaanderen naar school te sturen maken de regio bijzonder. Videler: “Dat maakt het spannend om kleinere scholen in stand te houden, maar ook om ervoor te zorgen dat in elke gemeente het aanbod voor handen is dat daar nodig is. Je kunt kinderen lastig veertig kilometer laten fietsen naar een school die wel kan bieden waar zij op dat moment behoefte aan hebben. Als passend onderwijs ergens actueel is wanneer het om aanbod gaat, dan is het zeker hier. We proberen echt om thuisnabij alles aan te bieden. Samenwerking tussen verschillende schooltypes en uitwisseling van kennis en ervaring is daarbij heel belangrijk.” De aangestelde begeleiders passend onderwijs hebben als missie om de scholen te helpen elkaar op te zoeken en elkaar goed genoeg te leren kennen om samen tot oplossingen te komen.

 

Noodzaak

Een andere belangrijke reden om een team van deze begeleiders in het leven te roepen, was om scholen te helpen problemen in de klas meer preventief dan curatief aan te pakken. “Bijvoorbeeld als het gaat om gedrag, willen we echt op het preventieve inzetten en zorgen dat dit spoort met de onderwijsconcepten en dat de leraren erop worden toegerust om het steeds beter te doen.” Volgens Videler wordt het in Zeeuws-Vlaanderen steeds actueler om af te stappen van klassieke ideeën van het inrichten van het onderwijs. Hij noemt onder meer dat het idee van een campus voor onderwijs en zorg best voet aan de grond zou kunnen vinden. “De omgevingsfactoren dwingen ons meer dan in andere regio’s om aan de slag te gaan met dit soort ideeën, anders houden we ons aanbod niet dekkend.”

 

Team begeleiders passend onderwijs

Het team dat afgelopen zomer is aangenomen moet daar een belangrijke bijdrage aan leveren. “We bouwen aan een team van ‘ontwikkelaars’ die, naast dat ze kennis hebben van onderwijs en het begeleiden van leerlingen, worden omgevormd tot mensen die als adviseur of coach kunnen werken. Daar investeren we in.

Na de zomer was kwartiermaker René Peeters uitgenodigd in onze regio, die kijkt mee naar de pilots die zijn opgestart om de samenwerking tussen onderwijs en zorg te verbeteren. Onze begeleiders passend onderwijs werken ook mee aan deze pilots.

Het nieuwe team is recent regiobijeenkomsten gaan organiseren. Die zijn breder dan alleen het onderwijs. “Allerlei partners, zoals gemeenten, worden uitgenodigd. Maar in eerste instantie zijn ze bedacht voor de leraar”, aldus Videler. “Het hebben gemerkt dat het niet vanzelfsprekend is dat elke leraar goed weet wat er allemaal aanwezig is aan aanbod in de eigen regio. Niet iedereen weet bijvoorbeeld dat we ook een OPDC hebben en hoe dat dan werkt. Dat zijn heel basale dingen, maar die kennis is niet altijd bij iedereen nog actueel.” Door samen te komen ontstaan er volgens Videler altijd weer nieuwe contacten, nieuwe uitwisselingen en nieuwe ideeën. Inhoudelijk kan zo een bijeenkomst over veel uiteenlopende onderwerpen gaan: “De scholen krijgen altijd ook zelf het woord, zodat de bijeenkomsten voor de professionals en door de professionals zijn. Maar we hebben bijvoorbeeld ook een keer een organisatiefilosoof uitgenodigd. Die kijkt op een heel andere en verrassende manier naar hoe wij zaken neerzetten. We willen ieders ogen openen, breed kijken en ruim leren denken. Dat leidt tot een nieuwe, gezamenlijke insteek.”

 

Dit artikel verscheen in PO Magazine – editie 2, 2020.

Professional in de spiegel: omgaan met eigen reacties bij leerlingen

De onderwijsinspectie constateert dat de kansenongelijkheid toeneemt. Dat is reden voor schoolbesturen en samenwerkingsverbanden om met dit onderwerp aan de slag te gaan. In de regio Noord-Kennemerland leidde dit tot de pilot ‘Professional in de spiegel’. Het doel is om het reflectievermogen van de professional te verbeteren.

 

De aanpak focust zich op de relaties die we met leerlingen hebben. In de leraar heeft altijd een betere klik met de ene leerling dan met de andere. Dat mag er niet toe leiden dat de ene leerling meer kansen krijgt dan de andere. Om leerlingen wel dezelfde kansen te geven is het van belang dat de leraar zichzelf goed kent. Zo kan een positieve relatie met een leerling worden bevorderd. Om zelfinzicht te stimuleren is voor onderwijsprofessionals de werkwijze ‘Professional in de spiegel’ ontstaan.

Dit biedt de professional een kader waarbinnen hij kan nadenken over relaties met leerlingen, collega’s en ouders. In het bijzonder wordt de aandacht gericht op leerlingen met moeilijk gedrag. De ontwikkelaars van deze aanpak stellen dat gedragsproblemen het resultaat zijn van interacties tussen de leerling, de thuisomgeving en de schoolpraktijk. De leraar als persoon speelt hierbij een belangrijke rol. Allerlei persoonlijke opvattingen en overtuigingen worden via trainingen helder in beeld gebracht en tastbaar gemaakt. Die persoonlijke opvattingen worden ‘constructen’ genoemd.

De onderwijsprofessional wordt getriggerd zijn eigen constructensysteem te onderzoeken en na te gaan welke implicaties dit heeft voor zijn omgang met leerlingen. Dat gebeurt door aandacht te besteden aan intuïtie, theorie en reflectie.

 

De pilot

De aanpak bestaat uit twaalf stappen, die we kort uitleggen. De eerste zes stappen gaan over het omgaan en een plaats geven van de constructen. Vervolgens wordt in zes stappen ingegaan op de verwerking ervan. De informatie kan worden bijgehouden in het digitale programma IDA.

 

Stap 1: Inventariseren van persoonlijke constructen en tegenpolen

Deelnemers schrijven de namen van alle leerlingen met wie zij regelmatig werken op afzonderlijke kaartjes. Uit de stapel mag hij drie willekeurige kaarten trekken. Vervolgens kiest hij uit deze set de twee leerlingen die het meest met elkaar overeenkomen. De deelnemer stelt zich de vraag: “Waarin zijn deze leerlingen het meeste gelijk?” Het antwoord op deze vraag is een construct. Zo worden constructen bepaald. Wanneer de deelnemer geen nieuwe constructen meer bedenkt, formuleert hij per construct een tegenpool.

 

Stap 2: Beleven van persoonlijke constructen

 

De deelnemer formuleert bij elk construct zijn beleving ervan. Welke ervaart hij zelf als positief? De andere helft van het construct wordt daarmee de tegenpool.

 

Stap 3: Geven van een persoonlijke definitie aan het construct en de tegenpool

Elk construct en tegenpool krijgt een definitie, om het construct en de bijbehorende tegenpool duidelijker te maken. Elk construct kent per persoon namelijk verschillende implicaties. Het woord ‘druk’ betekent voor de een iets anders dan voor de ander. Dus is een omschrijving van een construct in eigen woorden belangrijk om wederzijds  begrip te kweken.

 

Stap 4: Scoren van leerlingen op de positieve constructen van de deelnemer

De professional noteert de positief ervaren constructen. De leerlingen krijgen  daarna een score van 0 – 4 op al deze positieve constructen. Zo komt in beeld welke leerling veel positieve constructen aanspreekt en welke niet of minder.

 

Stap 5: Ordenen van persoonlijke constructen in zeven aandachtsgebieden

De deelnemer rangschikt zijn positieve en negatieve constructen op basis van een model. Dat dient als richting voor het functioneren van leerlingen op school en thuis.

 

Stap 6: Psychologische nabijheid tussen de leraar en zijn leerlingen

In deze stap kan de deelnemer aangeven hoe hij de op zichzelf en zijn leerlingen ervaart.

 

Stap 7: Betrekken van de constructdefinities op de scores van twee leerlingen.

Er wordt een portret gemaakt van twee leerlingen. De scores op constructen staan centraal. Zo worden de eigen definities (stap 3) en de scores van deze twee leerlingen (stap 4) vergeleken. Op die manier leert de deelnemer de constructen toe te passen op leerlingen.

 

Stap 8: Combineren van tegenpolen met typen gedragsproblemen

Deze stap maakt helder bij welk type gedragsproblemen de deelnemer constructen ervaart.

 

Stap 9: Combineren van positieve constructen met sterke karaktereigenschappen

De positieve constructen worden gecombineerd met sterke karaktereigenschappen. Zo komen de karaktereigenschappen aan het licht waarnaar de constructen van de deelnemer verwijzen.

 

Stap 10: Maken van een mindmap

De deelnemer maakt de samenhang van zijn constructen zichtbaar in een mindmap.

 

Stap 11: Schrijven van een persoonlijk professioneel portret (PPP)

Bij het doorlopen van de stappen heeft de deelnemer veel gegevens en eigen reflecties verzameld. Deze worden verwerkt in een PPP. Tijdens het doorlopen van de stappen kijkt de professional telkens ‘in de spiegel’ om te leren welk type gedrag van leerlingen hem meer of minder aanspreekt en hoe dat komt.

 

Stap 12: Bespreken van het PPP en de leervragen

De deelnemer presenteert zijn PPP aan het leerteam.

 

Primair onderwijs en voortgezet onderwijs

Bij de pilot zijn niet alleen leraren, maar ook andere professionals uit zowel het basis- als het voorgezet onderwijs betrokken. Hiermee kan ook een vloeiende overgang van de ene naar de andere school worden bewerkstelligd. Professional in de spiegel helpt het basisonderwijs om de adviezen zo op te stellen dat ze door de andere school goed worden geïnterpreteerd, en andersom. Deze pilot wordt verder uitgebouwd en op enkele lerarenopleidingen ook al toegepast.

 

 

Ervaringen

 

<kader>

 

Professionals ‘in de spiegel’

 

Mayke Kuilboer

Locatieleider en intern begeleider – primair onderwijs

 

“Door deze pilot heb ik mijzelf beter leren kennen en ben ik bewust gaan nadenken over waarom je met bepaalde leerlingen of collega’s een betere klik hebt dan met andere. Door mezelf bewust te zijn van je eigen constructen kan ik andere keuzes maken. Het kan helpen om elkaar als team beter te begrijpen, maar ook bij het ontwikkelen van gezamenlijke taal. Als het om leerlingen gaat, bijvoorbeeld door het creëren van  een gezamenlijk woordenboek.

Bijvoorbeeld: iedereen heeft zijn eigen beleving bij een woord. Zo kan de ene persoon bij het woord ‘rustig’ denken aan kalm en lief, terwijl de ander bij kalm denkt aan passief. Bij druk denkt de een aan ongeleid terwijl de ander denkt aan enthousiast. Het met elkaar betekenis geven aan woorden, zal ervoor zorgen dat je meer dezelfde taal spreekt.

In de praktijk ben ik er met de leerkracht van groep 8 mee aan de slag gegaan, bij het schrijven van een warme overdracht. Ik ben gaan kijken wat we over een leerling op papier zetten en of dat eenduidig is of om uitleg vraagt.

Wij werken met een pedagogisch-didactisch groepsoverzicht. We beschrijven hierin de stimulerende en de belemmerende factoren van de leerling en van daaruit brengen we de onderwijsbehoeften in kaart. Als je hier met elkaar kritisch naar kijkt dan staat het vol met algemeenheden, die op verschillende manieren geïnterpreteerd kunnen worden. Pas als je doorvraagt kom je erachter wat er bedoeld wordt. Door met elkaar gezamenlijke taal te ontwikkelen, kunnen we zorgen voor eenduidigheid en dat maakt dat we ons onderwijsaanbod voor de leerling beter kunnen afstemmen naar zijn of haar behoeften.

Sinds dit jaar ben ik locatieleider en ook in deze rol kan Professional in de spiegel een rol spelen, bijvoorbeeld bij het vaststellen van de ambities van de school. Als een ambitie veiligheid is, welke constructen passen daar dan bij? Of als je creativiteit belangrijk vindt en je hebt maar twee mensen met constructen die daarbij passen, dan heb je met elkaar iets te doen.

Deze training zorgt ervoor dat ik mijzelf beter heb leren kennen. Veel constructen komen voort uit opvoeding of gebeurtenissen die ik heb meegemaakt.

Als ik kijk naar mijn constructen kan ik deze linken, zoals welkom zijn en het positieve zien. Dat maakt ook dat de tegenpolen in mijn allergie zitten. Ik weet dat ik moeite heb met mensen die onberekenbaar of cynisch zijn. Maar zoals mijn constructen uit ervaringen zijn ontstaan, geldt dat ook bij de ander. Het is belangrijk om er met elkaar over in gesprek te gaan en elkaar daardoor beter te begrijpen.

Het zou mooi zijn als we Professional in de spiegel verder kunnen uitrollen naar andere scholen, zodat we elkaar beter gaan ‘verstaan’ en daarmee zorgen voor meer gelijken kansen voor alle leerlingen.”

 

<kader>

 

Nico Oldenburg

Intern begeleider – voortgezet onderwijs

 

“Ik ging er heel enthousiast in. Ik vond al langer dat de overgang van po naar vo wat soepeler zou mogen. Dit zou een manier kunnen zijn om die versoepeling teweeg te brengen. Het is een goede training, alleen het stukje ’10-14’ en de gelijke kansen werd wat onderbelicht. Zo hebben we dat vanuit het vo wat meer ervaren. Overigens hebben we dat goed kunnen uitspreken.

Wat er goed in naar voren kwam was het ontwikkelen van een eigen taal. Het ging in de basis om het beoordelen van constructen (kwaliteiten) die je van een kind verwacht. Het is uiteraard een heel belangrijk aspect dat je een taal spreekt als dat kan. Sommige begrippen worden toch heel divers opgevat. Daar kom je voor een belangrijk deel ook achter als je doorvraagt op concrete voorbeelden van bepaald gedrag, dat was ik al gewend. Uit de training blijkt wel dat het belangrijk is om concrete voorbeelden voor ogen te hebben van constructen van gedrag. En ook op welke manier je die interpreteert.”

 

Dit artikel verscheen in Po Magazine – editie 2, 2020.