Archive for Instondo

SWV in the picture: SVW Utrecht PO

PO-Magazine

Binnen het Samenwerkingsverband Utrecht PO vallen ruim honderd basisscholen. Daarnaast zijn er nog vier speciale basisscholen en zes so-scholen. In totaal wordt er onderwijs gegeven aan ongeveer 31.000 leerlingen. Er zijn achttien schoolbesturen, die elk met een lid vertegenwoordigd zijn in het bestuur van het samenwerkingsverband. Dat bestuur wordt geleid door een onafhankelijke technisch voorzitter. De middelen worden verdeeld via een expertisemodel. Er gaat een fiks bedrag per leerling naar de scholen om de basisondersteuning te kunnen bieden. Er is een groot expertiseteam beschikbaar met consulenten passend onderwijs. De stad is verdeeld in vijf wijken, die in grote lijnen samenvallen met de buurtteams. De scholen in die wijken worden bediend door vier of vijf consulenten per wijk, afhankelijk van de vraag in samenwerking met kernpartners. De consulenten volgen de vraag van de scholen.

Wanneer een vraag de basisondersteuning overstijgt, wordt het expertiseteam benaderd. Er wordt dan een startgesprek gevoerd waar de precieze hulpvraag in kaart wordt gebracht. Dan zijn meteen alle betrokkenen aanwezig, van consulent tot kernpartner en van intern begeleider tot ouder.

Het bestuur van het samenwerkingsverband legt in een nieuw ondersteuningsplan de nadruk op samenwerking. Die samenwerking gaat uit naar schoolbesturen, kernpartners, ouders en leerlingen. Jetta Spaanenburg is sinds twee jaar directeur en geeft ons een inkijkje in het nieuwe ondersteuningsplan, waarin verbinding belangrijk is en de woorden ‘vertrouwen’, ‘vrijheid’ en ‘verantwoordelijkheid’ centraal staan en gestalte krijgen. Spaanenburg: “De wettelijke opdracht is hetzelfde, maar hoe je die inkleurt en uitvoert is verschillend, maar wel heel belangrijk.”

 

Nieuw ondersteuningsplan

Het ondersteuningsplan is een zorgvuldig opgemaakt boekwerk met relatief bondige teksten die richting geven aan het doel. “We dragen met dit plan bij aan het versterken van passend onderwijs, het verbinden van de partners en we tonen de moed om te vernieuwen”, vertelt Spaanenburg trots. “We willen het document simpel houden en vooral ook realistisch en tegelijk ambitieus zijn in de doelen die we stellen.” Verbinding is daarbij de bouwsteen. “Toen ik in dit SWV begon was iedereen hard en bevlogen met heel goede dingen bezig, maar er was meer verbinding nodig. Dat helpt om tot een maximaal resultaat te komen in het behalen van de doelen.”

Na haar aanstelling is Spaanenburg met veel mensen gaan praten, mensen in alle hoeken van passend onderwijs. Daar constateerde ze dat er vaak relevante samenwerking miste. “Aan de hand van die gesprekken heb ik een actieplan gemaakt, een tien puntenprogramma dat als kapstok fungeert”, blikt Spaanenburg terug. “We hebben geïnvesteerd in goed naar elkaar luisten om ertoe te komen wat er nodig is in Utrecht. Zo hebben we zaken opgepakt die eigenlijk al klaarlagen en daar ook nieuwe onderwerpen aan toegevoegd.” Wat er bijvoorbeeld al klaarlag was een vraag om iets te doen op het gebied van hoogbegaafdheid, daar is een visie en een plan voor gemaakt waar alle verschillende lagen (basis-, extra- en speciaal onderwijs) mee uit de voeten kunnen.

 

In Utrecht wordt de opvatting ‘gewoon doen wat nodig is’ heel belangrijk gevonden. “Daar zijn we van doordrenkt”, zegt Spaanenburg. “Dus niet dat er voor het eerste gesprek al een opp moet zijn of iets dergelijks. Bij het startgesprek gaan we meteen kijken wat de vraag is, maar we kijken ook wat er eventueel al gebeurd is. Dan doen we geen dingen dubbel. We gaan direct al kijken wat het meest handig is om tot een geschikte oplossing te komen. In een latere fase, als we aan arrangementen beginnen, is een opp nodig. Maar we gaan niet meteen op de administratie zitten.”

Als de hulpvraag klaar is, kan de leerling of gewoon weer door of er volgt een analyse- en ondersteuningstraject. Dat gebeurt in samenwerking met de consulent. “Het kan zijn dat daar een investering van buiten voor nodig is. Wij bekostigen de arrangementen van de externe aanbieder wel”, legt Spaanenburg uit. “We voeren ze niet zelf uit, maar we zijn wel als coach of meedenker betrokken. Dan weten we of we nog steeds iets doen dat aansluit bij de vraag en we kunnen als het nodig is ook tussentijds het traject bijstellen.” Het systeem is zo opgezet, dat de school al snel een hulpvraag kan stellen en dit niet meer doet aan het einde van een traject wanneer ze ten einde raad is.

 

Basisondersteuning

Er is geen harde grens in wat er onder basisondersteuning valt en wat niet. Er was een standaard voor basisondersteuning, maar die was te weinig concreet. Een breed samengestelde werkgroep is gaan onderzoeken hoe de basisondersteuning scherper neergezet kan worden. Die werkgroep is typerend voor de manier waarop er wordt samengewerkt om samen vooruit te komen. Per wijk zijn er afspraken gemaakt en werksessies gehouden, zodat scholen meer van elkaar te weten kunnen komen en weer een actueel schoolondersteuningsprofiel konden maken.

Stedelijke afspraken over basisondersteuning zijn via die werkgroep op wijkniveau ingevuld. “Door op het gebied van basisondersteuning samen met de wijk afspraken te maken, krijg je een heel fijne dynamiek”, zag Spaanenburg. “Je bent niet alleen als schoolbestuur ergens mee bezig, maar breder en wel in dezelfde wijk. Scholen gaven aan vaker samen, als wijk, te willen praten of nadenken over onderwerpen. Dat creëert eenzelfde soort bedoeling en een zelfde kader. We maken kwaliteitskaarten om scholen te helpen op eenzelfde manier om te gaan met de kaders. Zo is er bijvoorbeeld kwaliteitskaart over het organiseren van een startgesprek of het inwerken van een nieuwe medewerker. Op het gebied van verbinden en kennisdeling, daar zie ik een rol voor het samenwerkingsverband. Zo kunnen we de schooloverstijgende rol nog mooier maken. We proberen handvatten te geven zodat duidelijk is wat er wordt verwacht, maar we geven ook de vrijheid om daarbinnen gewoon te kunnen doen wat nodig is, in vertrouwen, vrijheid en verantwoordelijkheid.”

SWV in the picture: Samenwerkingsverband Primair Onderwijs 30 06 (regio Oss/Uden /Meijerijstad)

PO-Magazine

Samenwerkingsverband Primair Onderwijs 30 06 ligt in Noordoost-Brabant en strekt zich uit in de gemeenten Oss, Uden, Meierijstad (behalve Schijndel), Bernheze en Landerd. Het verbindt daar 14 schoolbesturen met in totaal 95 basisscholen. Drie daarvan zijn scholen voor speciaal basisonderwijs en vijf voor speciaal onderwijs.

De algemene ledenvergadering bestaat uit de deelnemende besturen. Zij hebben in principe een toezichthoudende rol. Verder is er een kwaliteitscommissie en een auditcommissie. De Ondersteuningsplanraad is het medezeggenschapsorgaan van het samenwerkingsverband. Naast onderwijsprofessionals zijn ook ouders hierin goed vertegenwoordigd. Joris Elbers belichaamt sinds twee jaar het dagelijks bestuur. Hij vertelt over zijn samenwerkingsverband.

“Sinds mijn aantreden twee jaar geleden is er in het samenwerkingsverband een beweging gaande die wordt gekenmerkt door een enorm enthousiasme en een enorme verbinding met elkaar”, vertelt Elbers. Die beweging is op gang gekomen bij het gezamenlijk ontwikkelen van een nieuwe visie over het vormgeven van passend onderwijs. “Toen ik hier kwam lag er een boekwerk van 80 pagina’s te verstoffen. Niemand wist eigenlijk wat ermee moest gebeuren. Dat moest anders. Zonder gedeelde en gedragen visie is het onmogelijk om samen een beweging te realiseren.”

 

Verbinding

Bij de start als bestuurder begon Elbers met ‘lijntjes leggen’. “Ik vind het belangrijk dat we werken vanuit verbinding met elkaar. Die verbinding is nodig omdat we de gezamenlijke opdracht hebben om passend onderwijs te realiseren. Onze ambitie realiseren kan alleen als we samenwerken. Ons samenwerkingsverband is geen aparte geld schuivende organisatie of een organisatie die alleen maar toelaatbaarheidsverklaringen afgeeft. Wij zijn een netwerkorganisatie die aangesloten besturen en alle partners zo samenbrengt, dat we ook vorm kunnen geven aan passend onderwijs.”

De volgende stap was het voeren van de dialoog met allerlei betrokkenen over de ambitie van het samenwerkingsverband voor de komende jaren. “Dat deden we in verschillende panels. Een voor ouders, een voor professionals, een voor bestuurders en een voor ketenpartners. Ik wilde er ophalen waar we nu staan, waar we naartoe willen en hoe we dat willen bereiken. Hierdoor kwam er een gezamenlijke beweging op gang, doordat iedereen invloed had op de vraag waar de nieuwe visie naartoe gaat.” De input werd verwerkt tot een nieuw ondersteuningsplan. “We hebben er een leesbaar een aansprekend boekje van gemaakt, in plaats van alleen maar een dik pak papier.” In het midden van het ondersteuningsplan staat een infographic die helder en inzichtelijk antwoord geeft op de vraag: ‘hoe ziet passend onderwijs er in ons samenwerkingsverband uit’? Daar is ook weer een animatiefilmpje van gemaakt, zodat ook online dezelfde boodschap gedeeld wordt. “Dat inzichtelijk maken heeft er echt toe bijgedragen dat we met elkaar een gevoel krijgen waaraan we werken”, zegt Elbers trots.

 

Kind centraal

Toen de nieuwe visie er was, werd het tijd voor de volgende stap. “We hebben met elkaar afgesproken dat we niet teveel kijken naar allerlei landelijke verwijspercentages en andere cijfers, maar ons focussen op het kind. We kunnen wel ontzettend gaan sturen op het omlaag brengen van de speciaal onderwijspercentages, maar dan doen we niet per se het goede voor het kind. En dat laatste is wel waar we als samenwerkingsverband uiteindelijk voor zijn. Dus stellen we elkaar een andere vraag: wat heeft het kind echt nodig? Welke ondersteuning en op welke plek?” Dan geven we echt vorm aan passend onderwijs. Het is mooi om te zien dat betrokkenen dit als een gemeenschappelijke opdracht zijn gaan ervaren en dat er op inhoud gesproken wordt, in plaats van alleen op getalletjes.”

Het samenwerkingsverband heeft dus forse stappen gezet. Het geheim achter dit ‘succes’ noemt Elbers de duidelijke visie die het samenwerkingsverband heeft, gecombineerd met verbindend leiderschap. Een verbindend leider weet de partijen bij elkaar te brengen, verder te laten kijken dan het eigen belang en hen zich aan de gedeelde visie te laten committeren. Een belangrijke bouwsteen ligt ook bij de schoolbesturen. “Zij hebben in de governance moeten durven zeggen: we stellen een onafhankelijk bestuurder aan die we de ruimte geven om het samenwerkingsverband te sturen.” Elbers is die bestuurder. “Dat de besturen een stapje terug hebben gedaan in het samenwerkingsverband heeft een belangrijke rol gespeeld. Ik heb keuzes kunnen maken die zij nooit hadden gemaakt als ze in het bestuur hadden gezeten. Dan hadden ze namelijk in hun eigen budgeten moeten gaan snijden.”

 

Communicatie en visualisatie

Om de visie echt te laten slagen zijn communicatie en visualisatie cruciale instrumenten. Elbers: “We zorgen er steeds voor dat we dezelfde boodschap in begrijpelijke taal delen, via allerlei kanalen. De kracht zit in herhaling en in het aanspreken van professionals en ouders. Zo heeft elke school een poster opgehangen met de ondersteuningsstructuur erop. Ons jaarplan staat ook op één poster en heeft acht duidelijke speerpunten, met daarbij uitgewerkt wat we gaan doen. Via onze digitale nieuwsbrief, die goed gelezen wordt, delen we regelmatig waar we, dus ook de scholen, mee bezig zijn. We geven met filmpjes en interviews een gezicht aan de mensen van het samenwerkingsverband. Dit alles zorgt ervoor dat we steeds werken aan verbinding en aan het delen van onze gezamenlijke opdracht. Dat het werkt blijkt wel uit de reacties uit het veld en de hoge opkomsten als we bijeenkomsten organiseren.”

Het grootste compliment dat Elbers in de afgelopen twee jaar heeft ontvangen kwam bij het afkondigen van de coronamaatregelen, medio maart. “Vanuit verschillende kanten kwam de vraag hoe het samenwerkingsverband kan ondersteunen het onderwijs goed kunnen vormgeven op afstand voor kinderen met een ondersteuningsbehoefte. Dat is een compliment omdat het precies ingaat op het systeem: ‘hoe kunnen we het onderwijs en dus ook passend onderwijs met elkaar vormgeven’.” Binnen twee dagen werd met een klein team www.passendonderwijsthuis.nl opgezet. Een website waarop ouders en professionals volop informatie kunnen vinden over passend onderwijs thuis en waarbij specialisten uit het hele land  betrokken worden om kennis te delen. En met een bijbehorend platform waar ouders, leerlingen en professionals tips kunnen plaatsen of vragen kunnen stellen. “Dat is een mooi voorbeeld van wat we nastreven. Niet eindeloos vergaderen, maar gaan doen, omdat daarmee de leerling het meeste geholpen is. En niet blijven kijken binnen onze eigen regio, maar ook de verbinding zoeken met partijen daarbuiten. Passend onderwijs is immers een opdracht van en aan ons allemaal.”

Passend onderwijs thuis: Een revolutie ontketend?

PO-Magazine

In de dagen en weken na 16 maart heeft het onderwijs laten zien hoe wendbaar het is. In plaats van overwegend traditioneel les in een klaslokaal, kregen tienduizenden leerlingen van de ene op de andere dag les op afstand. Plotseling belandde het onderwijs in een enorme (digitale) revolutie. “Het is alsof we in één weekeind van 2020 in 2030 zijn beland”, analyseerde Christien Bok, onderwijsvernieuwer bij ICT-organisatie Surf de inhaalslag van onderwijs op afstand. Allerlei initiatieven kwamen op, zowel onderwijsinhoudelijk als in het beschikbaar stellen van ICT-middelen. Medio mei mogen de leerlingen mondjesmaat weer naar school, maar wat leren we van de weken ervoor? En wat blijft er over uit die tijd?

 

Het is de vraag hoe de leerlingen terugkeren in het normale schoolstramien. Vooral voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte kunnen er achterstanden ontstaan zijn. Het is ook mogelijk dat deze leerlingen juist houvast hebben aan de middelen die zij hebben leren gebruiken tijdens de coronacrisis. Overigens stelde het ministerie een budget van 244 miljoen euro beschikbaar dat het basis- en voortgezet onderwijs kan gebruiken voor het terugdringen van onderwijsachterstanden.

Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) ondernam actie op de vraag hoe leerlingen goed op afstand bediend kunnen worden. Zij ontwikkelde hiervoor een platform. De onderwerpen prioriteiten, kwaliteit, ICT en thuiswerkopdrachten kregen de aandacht.

“Vanaf dag één van de crisis ontstond bij een collega en bij mij de wens om kwalitatief goed materiaal beschikbaar te stellen voor leerlingen, dat aansluit bij doelen binnen vakken als rekenen en taal. Daar hebben we later nog wereldoriëntatie aan toegevoegd. Ons idee was dat dit materiaal hierna ook nog jaren gebruikt zou kunnen worden voor thuisonderwijs”, vertelt Matthijs Driebergen van de SLO. Samen met SchoolTV en KidsWeek werd allerlei (gratis) lesmateriaal voor thuis ontwikkeld en beschikbaar gesteld. Driebergen: “Dit materiaal is bedacht vanuit doelen en leerlijnen, maar het is wel materiaal dat leerlingen min of meer zelfstandig kunnen gebruiken. We willen de stof echt breed benaderen, met daarbij ook uitdrukkelijk aandacht voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften. Leraren kunnen het inzetten om toch aan taal- en rekendoelen te werken en daarnaast iets anders aan te kunnen bieden als wereldoriëntatie vanuit de actualiteit. Ons aanbod gaat niet zozeer in op het organiseren van een losse les of een los doeltje. Het gaat ons erom dat je de dingen die je doet ook goed beredeneerd doet en dat ze het liefst ook passen binnen meerdere leergebieden of vakken. Zo hebben we een verbinding gemaakt tussen rekenen en wereldoriëntatie of taal en kunstzinnige oriëntatie bijvoorbeeld. Dat zorgt er ook voor dat het voor leerlingen aantrekkelijk blijft. Leerlingen hoeven dan niet eindeloos alleen maar tafelsommen te maken of iets dergelijks. En naast technisch lezen hebben we ook gewoon leuke inhoud erbij zitten.”

Dit idee resulteerde in een centrale pagina op de website van de SLO (slo.nl/thuisonderwijs). Vanuit allerlei gebieden binnen de stichting werden materialen toegevoegd. “Bijvoorbeeld passend onderwijs, so en vso droegen materialen aan”, blikt Driebergen terug. Dit zorgde voor een enorme groei, vertelt hij. “Er staat nu veel meer op dan alleen materiaal over de genoemde vakgebieden. Er is bijvoorbeeld informatie over digitale ontwikkeling, maar er zijn ook tips voor het begeleiden van leerlingen op afstand. En zo bouwen we elke week verder. We brainstormen met onze partners over de thema’s die we willen gebruiken en welke lessen daarbij aangeboden kan worden. Zo groeit het aanbod.”

Behalve het sec aanvullen van aanbod wordt er ook gekeken naar prioritering. Stel dat er langere tijd les op afstand gegeven moet worden, waar liggen dan de prioriteiten in groep 1, groep 2, etc.? “Daarover zijn we met de PO-Raad en het ministerie in gesprek”, vertelt Driebergen. “Aan de statistieken van onze pagina zien we dat er behoorlijk veel gebruik wordt gemaakt van tips en aanwijzingen. Er blijkt veel animo te zijn voor aanbod dat we hebben opgesteld voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften en voor het speciaal onderwijs.”

 

Wat houden we over aan deze ervaringen?

Vanwege de privacy hebben we wekenlang in een beveiligde omgeving gewerkt. We hebben kunnen leren dat dit mogelijkheden schept die we kunnen inzetten in ons dagelijks onderwijs. We hebben kunnen leren dat ondanks strenge eisen op het gebied van privacy en beveiliging, er van alles mogelijk is om toch onderwijs op afstand te kunnen bieden. Dit kan hulp bieden aan bijvoorbeeld zieke leerlingen of leerlingen die op een of andere manier niet mobiel zijn, dit is voor ouders interessant en het zou in bepaalde gevallen thuiszitters binnenboord kunnen halen, omdat zij op afstand kunnen instromen. Het veranderen in denken over onderwijs op afstand is blijvend, we hebben het nu immers gedaan. We hebben nu de urgentie gevoeld en raken er wat meer bedreven in. Zo schrijft Bok in De Volkskrant (3 april 2020): “Onbekend maakt onbemind. Waar veel docenten eerder niet dachten dat allerlei techniek (op afstand) hun onderwijs zou verbeteren, hebben ze nu kunnen ervaren wat er mogelijk is. Het is zeker niet de bedoeling dat volledig online onderwijs straks de norm wordt. Idealiter maken we met z’n allen een afgewogen keuze welke onderwijsonderdelen zich goed lenen voor online en in welke vorm. Ik kan me niet voorstellen dat dit géén katalysator zal zijn om de mogelijkheden van digitalisering hierna op grotere schaal een plaats te geven in het onderwijs.”

Hoewel veel leraren aangeven hun leerlingen al snel te missen als zij op afstand deelnemen, zal een deel van de opgedane ervaring een plaats krijgen in het onderwijs vanaf nu.

 

Ook Driebergen voorziet niet dat we het licht van het digitale onderwijs of het onderwijs op afstand nu zo hebben gezien, dat we niet meer terug willen. “Je ziet dat een groot deel van het onderwijs niet draait om de lesstof, maar om de relatie tussen leraar en leerling en leerlingen onderling bijvoorbeeld.” Maar van de onderdelen die nu worden opgezet zal een deel ook blijvend zijn. “We gaan door met bijvoorbeeld het prioriteren van lesmateriaal en lesstof voor de verschillende groepen. Alleen al omdat scholen de komende periode tijd tekortkomen om alles te behandelen. Zij zullen keuzes moeten maken. Onze pagina kan leraren daarin faciliteren.” Op de langere termijn is er nog een verandering. Driebergen: “Leraren en leerlingen hebben noodgedwongen kennisgemaakt met leren via allerlei devices, maar ook met een enorme diversiteit aan bronnen, zoals Klokhuis, YouTube, SchoolTV en verzin het maar. De ervaringendie zij opdoen, zullen ook na deze crisis gebruikt gaan worden op school en thuis. Met bijvoorbeeld korte instructiefilmpjes kunnen ouders hun kinderen thuis ook helpen met de lesstof. Er is de afgelopen weken in elk geval een enorme creativiteit losgekomen, van groep 1 tot in groep 8.”

 

VOORBEELDEN

Er zijn tal van goede voorbeelden van digitaal onderwijs ontwikkeld, dit jaar en ook al eerder. Enkele bronnen voor onderwijs op afstand aan leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften lichten we eruit.

 

Samen passend onderwijs realiseren

Het samenwerkingsverband in Oss en omstreken doet zijn best om passend onderwijs te realiseren op een gezamenlijke manier. In dat kader lanceerden zij de website www.passendonderwijsthuis.nl, een platform met tips en tools om leerlingen die ondersteuning nodig hebben op afstand van goed onderwijs te voorzien.

“Om scholen te ondersteunen zijn we dit eigen platform begonnen. De leerlingen met ondersteuningsbehoeften zitten, net als iedereen, thuis. Iedereen is aan het zoeken wat we daarmee moeten. Om een antwoord te bieden hebben we verbinding gezocht met het LPO, de PO-Raad, het NJi, de sectorrraad VO, het ministerie, etc. Men is dit bericht gaan delen. Hierdoor komen er specialisten uit het gehele land op onze website, die vragen stellen. Het gaat niet meer alleen om onze eigen regio of onze eigen leerlingen, maar om passend onderwijs voor alle leerlingen”, stelt directeur van het samenwerkingsverband Joris Elbers.

 

Lesopafstand.nl

Op lesopafstand.nl is betrouwbare informatie te vinden over het inzetten van ICT ter ondersteuning van onderwijs op afstand. Ook vind je een overzicht van toepassingen, leermiddelen en leveranciers. Deze link is nuttig voor leerlingen met een speciale ondersteuningsbehoefte.

po.lesopafstand.nl en ouders.lesopafstand.nl

 

Steffie

Uitleghulp Steffie legt moeilijke informatie op een eenvoudige manier uit. De website is speciaal bedoeld voor mensen met een verstandelijke beperking en laaggeletterden.

www.steffie.nl

 

 

EMB en thuisonderwijs

Op deze Wikiwijs zijn tips en ideeën van leerkrachten, ouders en leerlingen te vinden ter inspiratie voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking.

maken.wikiwijs.nl/160264/EMB_en_thuisonderwijs

 

Zintuigenverhalen van Kentalis

Een vorm van voorlezen waarbij foto’s, pictogrammen en gebaren worden gebruikt. Maar het belangrijkst is dat de zintuigen geprikkeld worden. Er is iets te zien, te ruiken, te proeven, te voelen.

www.kentalis.nl/wetenschappelijk-onderzoek/communicatie-stimuleren-zintuigenverhalen

 

Taakaanpak

Hoe weet ik of ik goed gewerkt heb aan een taak? SamenWijzer heeft in pictogrammenaangegeven hoe je je eigen taak kan controleren. balansdigitaal.nl/wp-content/uploads/2020/03/Taakaanpak-Samen-Wijzer-Duin-en- Bollenstreek.pdf

 

Thuis zonder vakantie: 7 tips voor leerlingen met autisme

‘Geef me de vijf’ heeft een aanpak voor kinderen met autisme ontwikkeld en deze uitgebreid met een aantal thuistips.

balansdigitaal.nl/wp-content/uploads/2020/03/Geef-me-de-vijf-en-thuistips.pdf

 

SVW in the picture: POZV – Passend Onderwijs Zeeuws-Vlaanderen

Het samenwerkingsverband Passend Onderwijs Zeeuws-Vlaanderen bestaat uit 50 scholen en schoolbesturen, verspreid over heel het Zeeuws-Vlaamse grondgebied. In het gebied liggen drie gemeenten. Samen hebben de schoolbesturen in 2014 beschreven op welke wijze hun Samenwerkingsverband Passend Onderwijs vorm moet krijgen. Simpel, efficiënt, effectief en goedkoop. ‘Het zijn tenslotte Zeeuwen.’ Recent is er veel veranderd in de manier hoe het samenwerkingsverband omgaat met het beleid rondom passend onderwijs. POZV-directeur Quint Videler vertelt over hun samenwerkingsverband.

 

“Ons samenwerkingsverband is bij de opstart een beetje minimalistisch ingericht vergeleken met andere samenwerkingsverbanden nu”, vindt Videler. “Het verband was puur gericht op haar basistaken binnen passend onderwijs, maar niet meer dan dat. Ook qua personele bezetting zijn we altijd klein geweest.”

Sinds augustus is daar verandering in gekomen. “We hebben een nieuw team begeleiders passend onderwijs aangesteld, dat zich bezig houdt met de inhoud. Het ‘bemoeit’ zich meer met de scholen in het werkveld en met het beleid binnen passend onderwijs”, vertelt Videler. “Dat moet zich nog zetten. Het is voor de scholen nog even wennen en voor ons is het ook nog een beetje zoeken.

De wens om meer centraal en inhoudelijk aan de slag te gaan met passend onderwijs komt voort uit het feit dat bijvoorbeeld ambulant begeleiders te vaak enkel werden ingezet om een-op-een begeleiding te bieden aan leerlingen. “We bedoelen daarmee niet dat de begeleiding niet goed is of dat er geen nood meer aan is, maar met dit team willen we duidelijk wel iets anders doen. We richten ons met de begeleiders passend onderwijs veel meer op de klas, de leerkracht en de school. En zij helpen met het bouwen van bruggen tussen onderwijs en zorg en alle partijen die daarbij actief zijn.” Ook worden er bruggen gebouwd tussen de verschillende onderwijstypes die in de regio aanwezig zijn.

 

De regio is op een aantal punten een opmerkelijk gebied. “Qua geografie bijvoorbeeld”, legt Videler uit. “De afstand van oost naar west is te vergelijken met de afstand tussen Rotterdam en Amsterdam.” Ook de krimp in de regio en het feit dat ouders er geregeld voor kiezen om hun kind in Vlaanderen naar school te sturen maken de regio bijzonder. Videler: “Dat maakt het spannend om kleinere scholen in stand te houden, maar ook om ervoor te zorgen dat in elke gemeente het aanbod voor handen is dat daar nodig is. Je kunt kinderen lastig veertig kilometer laten fietsen naar een school die wel kan bieden waar zij op dat moment behoefte aan hebben. Als passend onderwijs ergens actueel is wanneer het om aanbod gaat, dan is het zeker hier. We proberen echt om thuisnabij alles aan te bieden. Samenwerking tussen verschillende schooltypes en uitwisseling van kennis en ervaring is daarbij heel belangrijk.” De aangestelde begeleiders passend onderwijs hebben als missie om de scholen te helpen elkaar op te zoeken en elkaar goed genoeg te leren kennen om samen tot oplossingen te komen.

 

Noodzaak

Een andere belangrijke reden om een team van deze begeleiders in het leven te roepen, was om scholen te helpen problemen in de klas meer preventief dan curatief aan te pakken. “Bijvoorbeeld als het gaat om gedrag, willen we echt op het preventieve inzetten en zorgen dat dit spoort met de onderwijsconcepten en dat de leraren erop worden toegerust om het steeds beter te doen.” Volgens Videler wordt het in Zeeuws-Vlaanderen steeds actueler om af te stappen van klassieke ideeën van het inrichten van het onderwijs. Hij noemt onder meer dat het idee van een campus voor onderwijs en zorg best voet aan de grond zou kunnen vinden. “De omgevingsfactoren dwingen ons meer dan in andere regio’s om aan de slag te gaan met dit soort ideeën, anders houden we ons aanbod niet dekkend.”

 

Team begeleiders passend onderwijs

Het team dat afgelopen zomer is aangenomen moet daar een belangrijke bijdrage aan leveren. “We bouwen aan een team van ‘ontwikkelaars’ die, naast dat ze kennis hebben van onderwijs en het begeleiden van leerlingen, worden omgevormd tot mensen die als adviseur of coach kunnen werken. Daar investeren we in.

Na de zomer was kwartiermaker René Peeters uitgenodigd in onze regio, die kijkt mee naar de pilots die zijn opgestart om de samenwerking tussen onderwijs en zorg te verbeteren. Onze begeleiders passend onderwijs werken ook mee aan deze pilots.

Het nieuwe team is recent regiobijeenkomsten gaan organiseren. Die zijn breder dan alleen het onderwijs. “Allerlei partners, zoals gemeenten, worden uitgenodigd. Maar in eerste instantie zijn ze bedacht voor de leraar”, aldus Videler. “Het hebben gemerkt dat het niet vanzelfsprekend is dat elke leraar goed weet wat er allemaal aanwezig is aan aanbod in de eigen regio. Niet iedereen weet bijvoorbeeld dat we ook een OPDC hebben en hoe dat dan werkt. Dat zijn heel basale dingen, maar die kennis is niet altijd bij iedereen nog actueel.” Door samen te komen ontstaan er volgens Videler altijd weer nieuwe contacten, nieuwe uitwisselingen en nieuwe ideeën. Inhoudelijk kan zo een bijeenkomst over veel uiteenlopende onderwerpen gaan: “De scholen krijgen altijd ook zelf het woord, zodat de bijeenkomsten voor de professionals en door de professionals zijn. Maar we hebben bijvoorbeeld ook een keer een organisatiefilosoof uitgenodigd. Die kijkt op een heel andere en verrassende manier naar hoe wij zaken neerzetten. We willen ieders ogen openen, breed kijken en ruim leren denken. Dat leidt tot een nieuwe, gezamenlijke insteek.”

 

Dit artikel verscheen in PO Magazine – editie 2, 2020.

Professional in de spiegel: omgaan met eigen reacties bij leerlingen

De onderwijsinspectie constateert dat de kansenongelijkheid toeneemt. Dat is reden voor schoolbesturen en samenwerkingsverbanden om met dit onderwerp aan de slag te gaan. In de regio Noord-Kennemerland leidde dit tot de pilot ‘Professional in de spiegel’. Het doel is om het reflectievermogen van de professional te verbeteren.

 

De aanpak focust zich op de relaties die we met leerlingen hebben. In de leraar heeft altijd een betere klik met de ene leerling dan met de andere. Dat mag er niet toe leiden dat de ene leerling meer kansen krijgt dan de andere. Om leerlingen wel dezelfde kansen te geven is het van belang dat de leraar zichzelf goed kent. Zo kan een positieve relatie met een leerling worden bevorderd. Om zelfinzicht te stimuleren is voor onderwijsprofessionals de werkwijze ‘Professional in de spiegel’ ontstaan.

Dit biedt de professional een kader waarbinnen hij kan nadenken over relaties met leerlingen, collega’s en ouders. In het bijzonder wordt de aandacht gericht op leerlingen met moeilijk gedrag. De ontwikkelaars van deze aanpak stellen dat gedragsproblemen het resultaat zijn van interacties tussen de leerling, de thuisomgeving en de schoolpraktijk. De leraar als persoon speelt hierbij een belangrijke rol. Allerlei persoonlijke opvattingen en overtuigingen worden via trainingen helder in beeld gebracht en tastbaar gemaakt. Die persoonlijke opvattingen worden ‘constructen’ genoemd.

De onderwijsprofessional wordt getriggerd zijn eigen constructensysteem te onderzoeken en na te gaan welke implicaties dit heeft voor zijn omgang met leerlingen. Dat gebeurt door aandacht te besteden aan intuïtie, theorie en reflectie.

 

De pilot

De aanpak bestaat uit twaalf stappen, die we kort uitleggen. De eerste zes stappen gaan over het omgaan en een plaats geven van de constructen. Vervolgens wordt in zes stappen ingegaan op de verwerking ervan. De informatie kan worden bijgehouden in het digitale programma IDA.

 

Stap 1: Inventariseren van persoonlijke constructen en tegenpolen

Deelnemers schrijven de namen van alle leerlingen met wie zij regelmatig werken op afzonderlijke kaartjes. Uit de stapel mag hij drie willekeurige kaarten trekken. Vervolgens kiest hij uit deze set de twee leerlingen die het meest met elkaar overeenkomen. De deelnemer stelt zich de vraag: “Waarin zijn deze leerlingen het meeste gelijk?” Het antwoord op deze vraag is een construct. Zo worden constructen bepaald. Wanneer de deelnemer geen nieuwe constructen meer bedenkt, formuleert hij per construct een tegenpool.

 

Stap 2: Beleven van persoonlijke constructen

 

De deelnemer formuleert bij elk construct zijn beleving ervan. Welke ervaart hij zelf als positief? De andere helft van het construct wordt daarmee de tegenpool.

 

Stap 3: Geven van een persoonlijke definitie aan het construct en de tegenpool

Elk construct en tegenpool krijgt een definitie, om het construct en de bijbehorende tegenpool duidelijker te maken. Elk construct kent per persoon namelijk verschillende implicaties. Het woord ‘druk’ betekent voor de een iets anders dan voor de ander. Dus is een omschrijving van een construct in eigen woorden belangrijk om wederzijds  begrip te kweken.

 

Stap 4: Scoren van leerlingen op de positieve constructen van de deelnemer

De professional noteert de positief ervaren constructen. De leerlingen krijgen  daarna een score van 0 – 4 op al deze positieve constructen. Zo komt in beeld welke leerling veel positieve constructen aanspreekt en welke niet of minder.

 

Stap 5: Ordenen van persoonlijke constructen in zeven aandachtsgebieden

De deelnemer rangschikt zijn positieve en negatieve constructen op basis van een model. Dat dient als richting voor het functioneren van leerlingen op school en thuis.

 

Stap 6: Psychologische nabijheid tussen de leraar en zijn leerlingen

In deze stap kan de deelnemer aangeven hoe hij de op zichzelf en zijn leerlingen ervaart.

 

Stap 7: Betrekken van de constructdefinities op de scores van twee leerlingen.

Er wordt een portret gemaakt van twee leerlingen. De scores op constructen staan centraal. Zo worden de eigen definities (stap 3) en de scores van deze twee leerlingen (stap 4) vergeleken. Op die manier leert de deelnemer de constructen toe te passen op leerlingen.

 

Stap 8: Combineren van tegenpolen met typen gedragsproblemen

Deze stap maakt helder bij welk type gedragsproblemen de deelnemer constructen ervaart.

 

Stap 9: Combineren van positieve constructen met sterke karaktereigenschappen

De positieve constructen worden gecombineerd met sterke karaktereigenschappen. Zo komen de karaktereigenschappen aan het licht waarnaar de constructen van de deelnemer verwijzen.

 

Stap 10: Maken van een mindmap

De deelnemer maakt de samenhang van zijn constructen zichtbaar in een mindmap.

 

Stap 11: Schrijven van een persoonlijk professioneel portret (PPP)

Bij het doorlopen van de stappen heeft de deelnemer veel gegevens en eigen reflecties verzameld. Deze worden verwerkt in een PPP. Tijdens het doorlopen van de stappen kijkt de professional telkens ‘in de spiegel’ om te leren welk type gedrag van leerlingen hem meer of minder aanspreekt en hoe dat komt.

 

Stap 12: Bespreken van het PPP en de leervragen

De deelnemer presenteert zijn PPP aan het leerteam.

 

Primair onderwijs en voortgezet onderwijs

Bij de pilot zijn niet alleen leraren, maar ook andere professionals uit zowel het basis- als het voorgezet onderwijs betrokken. Hiermee kan ook een vloeiende overgang van de ene naar de andere school worden bewerkstelligd. Professional in de spiegel helpt het basisonderwijs om de adviezen zo op te stellen dat ze door de andere school goed worden geïnterpreteerd, en andersom. Deze pilot wordt verder uitgebouwd en op enkele lerarenopleidingen ook al toegepast.

 

 

Ervaringen

 

<kader>

 

Professionals ‘in de spiegel’

 

Mayke Kuilboer

Locatieleider en intern begeleider – primair onderwijs

 

“Door deze pilot heb ik mijzelf beter leren kennen en ben ik bewust gaan nadenken over waarom je met bepaalde leerlingen of collega’s een betere klik hebt dan met andere. Door mezelf bewust te zijn van je eigen constructen kan ik andere keuzes maken. Het kan helpen om elkaar als team beter te begrijpen, maar ook bij het ontwikkelen van gezamenlijke taal. Als het om leerlingen gaat, bijvoorbeeld door het creëren van  een gezamenlijk woordenboek.

Bijvoorbeeld: iedereen heeft zijn eigen beleving bij een woord. Zo kan de ene persoon bij het woord ‘rustig’ denken aan kalm en lief, terwijl de ander bij kalm denkt aan passief. Bij druk denkt de een aan ongeleid terwijl de ander denkt aan enthousiast. Het met elkaar betekenis geven aan woorden, zal ervoor zorgen dat je meer dezelfde taal spreekt.

In de praktijk ben ik er met de leerkracht van groep 8 mee aan de slag gegaan, bij het schrijven van een warme overdracht. Ik ben gaan kijken wat we over een leerling op papier zetten en of dat eenduidig is of om uitleg vraagt.

Wij werken met een pedagogisch-didactisch groepsoverzicht. We beschrijven hierin de stimulerende en de belemmerende factoren van de leerling en van daaruit brengen we de onderwijsbehoeften in kaart. Als je hier met elkaar kritisch naar kijkt dan staat het vol met algemeenheden, die op verschillende manieren geïnterpreteerd kunnen worden. Pas als je doorvraagt kom je erachter wat er bedoeld wordt. Door met elkaar gezamenlijke taal te ontwikkelen, kunnen we zorgen voor eenduidigheid en dat maakt dat we ons onderwijsaanbod voor de leerling beter kunnen afstemmen naar zijn of haar behoeften.

Sinds dit jaar ben ik locatieleider en ook in deze rol kan Professional in de spiegel een rol spelen, bijvoorbeeld bij het vaststellen van de ambities van de school. Als een ambitie veiligheid is, welke constructen passen daar dan bij? Of als je creativiteit belangrijk vindt en je hebt maar twee mensen met constructen die daarbij passen, dan heb je met elkaar iets te doen.

Deze training zorgt ervoor dat ik mijzelf beter heb leren kennen. Veel constructen komen voort uit opvoeding of gebeurtenissen die ik heb meegemaakt.

Als ik kijk naar mijn constructen kan ik deze linken, zoals welkom zijn en het positieve zien. Dat maakt ook dat de tegenpolen in mijn allergie zitten. Ik weet dat ik moeite heb met mensen die onberekenbaar of cynisch zijn. Maar zoals mijn constructen uit ervaringen zijn ontstaan, geldt dat ook bij de ander. Het is belangrijk om er met elkaar over in gesprek te gaan en elkaar daardoor beter te begrijpen.

Het zou mooi zijn als we Professional in de spiegel verder kunnen uitrollen naar andere scholen, zodat we elkaar beter gaan ‘verstaan’ en daarmee zorgen voor meer gelijken kansen voor alle leerlingen.”

 

<kader>

 

Nico Oldenburg

Intern begeleider – voortgezet onderwijs

 

“Ik ging er heel enthousiast in. Ik vond al langer dat de overgang van po naar vo wat soepeler zou mogen. Dit zou een manier kunnen zijn om die versoepeling teweeg te brengen. Het is een goede training, alleen het stukje ’10-14’ en de gelijke kansen werd wat onderbelicht. Zo hebben we dat vanuit het vo wat meer ervaren. Overigens hebben we dat goed kunnen uitspreken.

Wat er goed in naar voren kwam was het ontwikkelen van een eigen taal. Het ging in de basis om het beoordelen van constructen (kwaliteiten) die je van een kind verwacht. Het is uiteraard een heel belangrijk aspect dat je een taal spreekt als dat kan. Sommige begrippen worden toch heel divers opgevat. Daar kom je voor een belangrijk deel ook achter als je doorvraagt op concrete voorbeelden van bepaald gedrag, dat was ik al gewend. Uit de training blijkt wel dat het belangrijk is om concrete voorbeelden voor ogen te hebben van constructen van gedrag. En ook op welke manier je die interpreteert.”

 

Dit artikel verscheen in Po Magazine – editie 2, 2020.

SVW In The Picture: Samenwerkingsverband VO Groningen Stad

PO-Magazine

Het Samenwerkingsverband VO Groningen Stad is een samenwerkingsverband voor het, zoals de naam al doet vermoeden, het voortgezet onderwijs (vo) in de gemeente Groningen en Zuidlaren. Het verband telt 10 schoolbesturen, 22 scholen met samen 34 vestigingen en 16.200 leerlingen voor regulier voortgezet en voortgezet speciaal onderwijs (cluster 3 en 4). PO Magazine bespreekt met directeur Jan Houwing enkele verschillen tussen het primair onderwijs (po) en vo en wat voor kansen er mogelijk liggen voor het po liggen.

“Onze wettelijke taak benoem ik het liefst als ‘het bieden van een dekkend aanbod, zodat de scholen een dekkend onderwijsaanbod kunnen realiseren’”, vertelt Houwing. “Voor je het weet wordt het samenwerkingsverband als verantwoordelijke gezien voor passend onderwijs. Maar het zijn toch echt de scholen die het onderwijs moeten uitvoeren. Wij ondersteunen ze daarbij en houden in de gaten dat er een dekkend aanbod is. Zo nodig treffen wij met de schoolbesturen daarin maatregelen.”

Naast die wettelijke opdracht, houdt het samenwerkingsverband zich bezig met een drietal bestuurlijke opdrachten. Het verband houdt zich bezig met de overstap van po naar vo, de overstap vo naar mbo en met de aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp.

 

De plaatsingswijzer

De aansluiting tussen po en vo is in Groningen in de basis op provinciaal niveau verzorgd. “We zijn trots op de manier hoe we dat voor elkaar hebben”, zegt Houwing. “Er zijn gezamenlijke beleidsafspraken over tussen po en vo in de hele provincie. Daar is een provinciale werkgroep voor geformeerd. De afspraken worden jaarlijks geactualiseerd, waardoor we snel kunnen acteren als er ergens iets knelt of stagneert. Het overleg gaat voornamelijk over regionaal beleid en kan incidenteel casuïstiek zijn, maar het kan ook zijn dat we ons moeten aanpassen aan veranderend landelijk beleid.”

Dit maakt de overstap in de provincie in de basis beter. Er worden handvatten ontwikkeld voor scholen. Een voorbeeld daarvan is de plaatsingswijzer, die wordt meegezonden bij het schooladvies. “Dat is een tool die een basisschool kan helpen bij het geven van een schooladvies. We zijn aangehaakt bij de ontwikkelingen in Friesland en de afgelopen vier jaar heeft het zijn grond gevonden hier in de regio”, legt Houwing uit. “Vanuit het vo vinden wij dit een mooi instrument om de po school te ondersteunen bij het geven van een eenduidig advies. Wij hebben daar inmiddels goede ervaringen mee.”

“We zien dat het aantal thuiszitters de laatste jaren fors is gedaald”

De plaatsingswijzer komt tot stand aan de hand van goede voorbeelden, het leggen van goede onderlinge contacten en het commitment op de werkvloer. Houwing: “Het advies van de ene basisschool komt net wat anders tot stand dan dat van de andere en de ene leraar van groep 8 kan er net even anders in staan dan de andere. Dat soort zaken kan zorgen voor een verschil in de interpretatie van een schooladvies. De plaatsingswijzer is een hulpmiddel voor de basisschool om het advies te geven. Dit instrument maakt de schooladviezen wat consistenter.

 

Audits en visitaties

Verder is kwaliteitszorg een actueel onderwerp binnen het samenwerkingsverband. Via een systeem van audits en visitaties wordt ervoor gezorgd dat de kwaliteit van ondersteuning op de scholen en de onderlinge afstemming tussen de scholen op orde is. Sinds twee jaar nemen de audits en visitaties een steeds vastere positie in binnen de organisatie. Scholen bezoeken elkaar op bepaalde thema’s en wisselen kennis uit. Ze horen van elkaar wat er goed gaat en wat er nog de nodige aandacht verdient. “Het is best intensief om dit te organiseren, maar het levert veel op en het wordt gewaardeerd”, merkt Houwing op. “Men vindt het prettig en scholen melden zich er vrijwillig voor aan.”

 

Ontwikkelingsperspectiefplan

Momenteel en in de nabije toekomst houdt het samenwerkingsverband zich bezig met de positie van ouders. Dit komt o.a. tot uiting in het ontwikkelingsperspectiefplan (opp), waarin de extra ondersteuning in beeld wordt gebracht. Houwing: “De vraag is wie er eigenlijk de eigenaar is van zo’n document. We proberen er de komende tijd op in te zetten dat leerling en ouder de eigenaar van het opp zijn. Het liefst de leerling zelf, maar als dat niet lukt, dan de ouder. Leerling en ouder moeten een betere positie krijgen in hoe de leerling wordt ondersteund en daar zetten we de komende jaren op in.”

 

Thuiszitters

Net als in het po is het terugdringen van het aantal thuiszitters ook in het vo aan de orde. Om daarmee aan de slag te gaat is in Groningen in samenwerking met de leerplichtambtenaren een werkgroep in het leven geroepen die zich verdiepend met de analyse en aanpak bezig houdt. Per casus wordt gestuurd, op basis van de situatie. ‘Hoe lang zitten ze thuis?’, ‘Wat is de situatie?’, ‘Kunnen we daar een aanbod op verzorgen?’ Daarnaast zijn er tussenvoorzieningen opgezet voor leerlingen die zijn uitgevallen of dreigen uit te vallen. In het OPDC bestaat dat uit twee trajecten, een ‘rebound-traject’ voor kortdurende plaatsingen en een thuiszitterstraject voor leerlingen die minder belastbaar zijn.” Het loopt best goed volgens Houwing. Specifiek voor cluster 4 is in samenwerking met het Samenwerkingsverband VO Ommelanden ook een maatwerkvoorziening ingericht. Voor cluster 3 en voor leerlingen op het grensvlak van pro/vso wordt er in het Pro maatwerk aangeboden. Zo hebben we voor alle leerlingen die zich op een grensvlak begeven wel een (tijdelijke) voorziening, om een dekkend aanbod te creëren om daarmee te voorkomen dat leerlingen uitvallen. “We zien dat het aantal thuiszitters de laatste jaren fors is gedaald”, aldus Houwing.

En daarmee is het samenwerkingsverband bezig met het ten uitvoer brengen van de twee voornaamste wettelijke opdrachten: het bieden van een dekkend aanbod en het terugdringen van het aantal thuiszittende leerlingen.

PO Magazine

Dit artikel verscheen in het onderwijstijdschrift PO Magazine in november 2019.

SWV In The Picture: Driegang – Regio Gorinchem

PO-Magazine

Samenwerkingsverband Driegang strekt zich uit van Nieuw-Lekkerland tot aan Leerdam en van het Brabantse Hank tot aan Lexmond, met de wat grotere stad Gorinchem in het midden. Het samenwerkingsverband heeft te maken met zes gemeenten, tientallen dorpskernen en tweeënnegentig scholen met samen ongeveer zestien duizend leerlingen. Om passend onderwijs te realiseren wordt intensief met ouders en professionals gekeken hoe het meest passende onderwijs op scholen kan worden vormgegeven.

Het mt van het samenwerkingsverband bestaat uit drie coördinatoren. “We hebben best een bijzonder samenwerkingsverband. Toen we startten in 2014 kwamen de scholen uit drie verschillende WSNS-verbanden. Deze WSNS-verbanden waren samengesteld op basis van identiteit. Die structuur is grotendeels meegenomen in de huidige organisatie van het samenwerkingsverband”, vertelt Henric Bezemer, een van de coördinatoren. “De scholen die oorspronkelijk bij elkaar hoorden komen bijeen in een zogeheten kamer.” Er zijn dus drie kamers, met elk een eigen coördinator. Dat verklaart ook de naam ‘Driegang’.

Binnen die kamers ontmoeten de scholen elkaar. “IB’ers hebben er bijvoorbeeld gezamenlijke bijeenkomsten, maar ze zijn er vooral op gericht om kinderen dicht bij huis passend onderwijs te bieden”, legt Bezemer uit. Dat de samenstelling van de kamers min of meer de oorspronkelijke indeling heeft behouden heeft voordelen, zo wordt ervaren. De scholen kennen elkaar al langer, dingen die goed liepen zijn vanaf 2014 verder uitgebouwd.

Bij de start van passend onderwijs zijn we met min of meer apart van elkaar staande kamers begonnen”, aldus Bezemer. “En als we nu nieuwe dingen gaan starten, dan pakken we die gezamenlijk op. Ook al lijken het vanaf een afstandje misschien nog steeds losstaande kamers, er wordt veel samengewerkt. We hebben een gezamenlijk jaarplan bijvoorbeeld. In de praktijk worden de kamers steeds meer een geheel.” Wel probeert het samenwerkingsverband vast te houden aan de kamerstructuur bij kleinere overleggen. Bezemer: “De lijntjes zijn er kort, je zit met minder scholen in een kleiner groepje en er is een heel hechte samenwerking die waardevol is. We merken dat het makkelijker wordt om kinderen een passende plek dicht bij huis te geven als we ons op die manier organiseren.”

 

Groot gebied

De scholen die onder het samenwerkingsverband vallen zijn verdeeld over een groot geografisch gebied. Van de ene uithoek naar de andere is ongeveer 50 kilometer. Het gebied bestaat vooral uit een heleboel kleine plaatsen. Elk dorp heeft maar een school en soms twee. “Dat maakt dat je in het kader van passend onderwijs steeds kijkt wat er thuisnabij lukt en wat niet meer. Thuisnabij is dan waar mogelijk op de school in het dorp”, ervaart Bezemer. “Wij proberen om zoveel mogelijk op de school zelf te organiseren, en dat lukt best goed. Via arrangementen en ambulant begeleiders proberen we passend onderwijs naar het kind toe te halen.”

Het is belangrijk om in het dorp wat te kunnen betekenen. Als dat niet lukt, is de afstand die in een busje moet worden afgelegd meteen relatief groot naar een van de sbo-scholen of een andere reguliere school waar het wel lukt. Voorkomen dat een kind het dorp uit moet is een belangrijk aandachtspunt.

Bezemer: “Als we naar de getallen kijken, lukt ons dat ook wel. Wat betreft de deelnamecijfers van het speciaal (basis) onderwijs zitten we fors onder het landelijk gemiddelde. Dat toont de energie en de ambitie die er bij onze scholen is om passend onderwijs echt voor elkaar te krijgen en waar te maken. De soms negatieve manier waarop passend onderwijs in het landelijke nieuws voorkomt herkennen wij niet. En wij is in de breedste zin van het woord. Zowel leraren, ouders als medewerkers van Driegang.”

 

Regioacademie

Het succes van passend onderwijs zit erin dat je er met zijn allen voor gaat, vindt  Bezemer. “We merken dat men het ook echt wil, van bestuurder tot aan leerling en van leerkracht tot aan ouder. Dat willen we natuurlijk ook volhouden. De ambitie en de energie is mooi, maar dan moet je het bijvoorbeeld als leraar wel voor een groep ook kunnen volhouden. Om daaraan te werken bieden we onder meer een eigen scholingsaanbod, de Regioacademie. Hier hebben we een breed aanbod aan cursussen die te maken hebben met passend onderwijs. Dit jaar is er een pallet met 140 verschillende cursussen. De onderwerpen variëren van differentiëren met rekenen tot ‘de volgende stap als expert hoogbegaafdheid’.” Jaarlijks maken ongeveer 700 tot 800 leraren gebruik van het aanbod in de Regioacademie. “Doordat we de cursussen als 92 scholen gezamenlijk oppakken, lukt het ons om zo een breed aanbod te bieden. We bieden dat kostendekkend aan. Een deelnemer (school) betaalt een bepaald bedrag en onderaan de streep kost het niets voor het samenwerkingsverband. In totaal hebben we daar dus geen kosten aan, maar we hebben wel heel rijke en stevige nascholingsmogelijkheden om onze leraren zo goed mogelijk uit te rusten.”

 

Monitor

Het samenwerkingsverband houdt de stand van passend onderwijs secuur bij en kan aan de hand daarvan zeggen dat passend onderwijs goed gaat. Met een jaarlijkse monitor, aan de hand van vragenlijsten, wordt bij ib’ers en directeuren gepeild hoe het ervoor staat en hoe tevreden zij zijn. Ook worden ouders jaarlijks gevraagd naar de tevredenheid over de geboden extra ondersteuning via een vragenlijst. Met name op het gebied van expertise en het bieden van meerwaarde voor een kind wordt goed gescoord. “Van hen krijgen we een ruime acht”, zegt Bezemer trots. “Het zijn reacties waaruit we kunnen afleiden dat het goed gaat met passend onderwijs.”

 

PO-Magazine

Dit artikel verscheen in PO-Magazine van september 2019.

OPP, hoe zit dat ook alweer?

PO-Magazine

Zes jaar geleden is het voormalige handelingsplan vervangen door het ontwikkelingsperspectiefplan (opp). Zoals de naam al doet vermoeden wordt in dit plan het ontwikkelingsperspectief van een leerling vastgelegd. Maar er bestaan tussen scholen nog grote verschillen hoe er met het ontwikkelingsperspectief wordt gewerkt. Is het opp een noodzakelijk onderdeel of een onmisbaar document voor goed onderwijs aan een leerling die ondersteuningsbehoeftes heeft? Vanwege die verschillen in de praktijk zetten we de kansen die het document de scholen biedt uiteen, zodat ouders en de school er samen goed mee omgaan.

Het opp wordt opgesteld voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Het plan verwoordt het doel bij de ontwikkeling van een leerling en is gekoppeld aan het curriculum. Het plan bevindt zich binnen de kaders van het schoolondersteuningsprofiel (sop) en verhoudt zich tot het opp van het samenwerkingsverband. Scholen zijn wettelijk verplicht om een opp te hebben voor bepaalde (groepen) leerlingen.

Een goed opgesteld opp kan fungeren als communicatiemiddel met ouders en bevat een handelingsdeel om planmatig handelen mogelijk te maken en af te stemmen. Het biedt de leraar handvatten om zijn of haar onderwijs op een goede manier af te stemmen op de behoefte van een specifieke leerling, zodat deze zich optimaal kan ontwikkelen. Belangrijk onderdeel van het plan is het uitstroomprofiel, zodat ouders, leerlingen en school weten waar ze gezamenlijk aan werken met een gezamenlijke richting. Aan de hand van het opp door de school kan verantwoording worden afgelegd over de behaalde resultaten. Ook de planlast kan worden verminderd, omdat scholen niet meer elk schooljaar een handelingsplan hoeven op te stellen, het opp geldt immers voor meerdere jaren.

Behalve voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften, wordt ook een opp opgesteld voor leerlingen in het speciaal basisonderwijs, het praktijkonderwijs en het speciaal onderwijs. Voor leerlingen die gebruikmaken van de basisondersteuning hoeft een school geen opp op te stellen. Wat er precies onder de basisondersteuning valt verschilt, dat staat per samenwerkingsverband beschreven in het ondersteuningsplan en in de schoolondersteuningsprofielen. Voor leerlingen met lwoo, dyslexie, dyscalculie en hoogbegaafdheid hoeft ook in beginsel geen opp te worden vastgesteld, zij vallen binnen het schoolbeleid.

 

Het opstellen van een opp

Het opp wordt vastgesteld door het schoolbestuur. Voordat het zover is moet er met de ouders op overeenstemming gericht overleg plaatsgevonden hebben. De ouders moeten hebben ingestemd met het handelingsdeel in het plan. Wanneer de school overlegt met ouders over het opp, moet dit duidelijk worden aangegeven.

Om de ouders een goede kans te geven te begrijpen wat er staat, moet passend taalgebruik worden gebruikt. Ook is het van belang een opp SMART uit te werken. Wanneer de ouders en de leerling zich herkennen in het opp en zich betrokken voelen bij de gestelde doelen, dan zullen zij zich meer als partners opstellen. Dat komt de totale ontwikkeling van de leerling ten goede. De leerling wordt hiermee eigenaar van zijn ontwikkeling en is meer gemotiveerd op ervoor te gaan. Overigens wordt met ‘overeenstemming’ wat anders bedoeld dan ‘instemming’.

Als er geen overeenstemming met de ouders is, wordt het overleg voortgezet. Die overlegsituatie ontslaat de school niet van de verplichting om de leerling in kwestie wel te begeleiden. Scholen moeten hun leerlingen in alle gevallen de begeleiding bieden die nodig is.

Het opp wordt na overeenstemming met de ouders vastgesteld. Dit gebeurt echter wel binnen zes weken na de na de inschrijving of na definitieve plaatsing van de leerling. Een schoolbestuur kan ook een opp vaststellen voor een leerling die al langer op school zit, maar toch extra ondersteuning nodig blijkt te hebben. Uiteraard is ook in dit geval overeenstemming met de ouders nodig. In het speciaal onderwijs buigt de commissie voor de begeleiding (cluster 3 en 4) of de commissie van onderzoek (cluster 1 en 2) zich over het plan en brengt hierover advies uit, voordat het document definitief wordt.

Minimaal twee keer per jaar wordt het opp besproken met de ouders. Tenminste een keer per jaar vindt een evaluatie plaats, op basis waarvan het plan bijgesteld kan worden als dat nodig is. Over die bijstelling moet dan opnieuw op overeenstemming gericht overleg plaatsvinden, voordat deze in werking treedt.

 

De inhoud

De inhoud van het opp kan variëren, maar bestaat wel uit een aantal verplichte onderdelen. Het uitstroomprofiel moet bekend zijn, zodat duidelijk is waar een leerling op wordt voorbereid en wanneer dit zal gebeuren. Dit onderdeel moet goed onderbouwd zijn. Ook moet beschreven zijn wat de belemmerende en de bevorderende factoren zijn als het gaat om onderwijs aan de leerling in de route naar de uitstroombestemming. Mocht er sprake zijn van afwijking van de onderwijstijd, vervangende onderwijsdoelen of afwijking van het programma, dient dit ook beschreven te worden.

Het plan moet zoals eerder genoemd een handelingsdeel bevatten. In het speciaal onderwijs is dit geen verplicht onderdeel. Plannen van reguliere scholen en scholen in het speciaal basisonderwijs bevatten dit onderdeel wel. In het speciaal (basis)onderwijs zijn de (vervangende) onderwijsdoelen in het document beschreven. In het reguliere onderwijs is de afwijking van het onderwijsprogramma uiteengezet.

Mocht toch blijken dat een school toch niet de ondersteuning kan bieden die een leerling nodig heeft, mag het opp niet fungeren als een soort exitdocument waarmee wordt aangetoond dat een leerling niet langer op de school kan verblijven. Bij verwijdering van een leerling moet goed onderzoek zijn gedaan naar het opp en de mogelijkheden die de school kan bieden in de begeleiding van de leerling. Het opp is slechts een instrument dat in een cyclisch proces van werken een richting geeft aan de ontwikkeling van de leerling.

 

Tien tips voor scholen bij het opstellen van en werken met het opp

  1. Leg uit (ook in de schoolgids) wat de bedoeling is van een opp en hoe het werkt of zou moeten werken.
  2. Geef leerling en ouders medeverantwoordelijkheid bij het opstellen en het werken aan het opp.
  3. Als je nog geen overeenstemming hebt met de ouders, blijf dan wel de ondersteuning bieden die je nodig vindt. Dat is de school verplicht.
  4. Zorg voor een breed gedragen lijn in de school over het werken met een opp en bespreek dit met regelmaat in het team.
  5. Beschrijf het zo dat je samen na kunt gaan of je de doelen hebt behaald.
  6. Beschrijf het zo dat de ouders en waar mogelijk de leerlingen goed begrijpen wat er is vastgelegd.
  7. Bespreek het document en de voortgang ervan minimaal drie keer per jaar. Op die manier hou je het gesprek over het werken aan de doelen levend. Twee keer is het wettelijke minimum.
  8. Zie ouders als deskundigen ten aan zien van hun kind.
  9. Spreek af dat je kritisch bent op elkaar, maar sta ook uitgebreid stil bij wat er goed gaat.
  10. Zorg dat je schoolondersteuningsprofiel (sop) op orde is en dat het zich goed verhoudt tot het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband. Het sop is immers het kader waardoor het opp wordt begrensd.

(bron: website geschillencommissie)

 

PO-Magazine

Dit artikel verscheen in PO-Magazine van september 2019.

Leerlingvervoer: In de gemeente Nieuwegein worden schoolbussen ingezet

PO-Magazine

De gemeente vervoert leerlingen wanneer deze meer dan zes kilometer van de school woont. Dit gebeurt in de regel met busjes, met begeleid openbaar vervoer (ov) of met een abonnement in het ov. Met name scholen in het speciaal (basis) onderwijs hebben te maken met leerlingen die wat verder van de school vandaan wonen. Het leerlingvervoer is iets dat overal anders geregeld is en waar deze scholen –om verschillende redenen- vaak mee worstelen. In Nieuwegein is hiervoor enkele jaren geleden een oplossing bedacht en ontwikkeld.

Gonnie Boerma – directeur sbo De Evenaar:
Wat maakt dat je als schoolorganisatie zelf je vervoer wilt gaan regelen?

Bij onze groep leerlingen, die ver weg woont, kwam het zeer regelmatig voor dat er in de busjes op de heenweg al zoveel onrust was waardoor de leerlingen te energiek op school aankwamen. Er ging veel tijd overheen om de leerlingen weer tot rust te laten komen, zodat ze aan het onderwijs deel konden nemen. Hier liepen we als school regelmatig tegenaan.

Daarnaast zijn er ook leerlingen die dichter bij de school wonen, maar die zonder georganiseerd vervoer niet naar school kunnen komen. De reden hiervoor kan b.v. de thuissituatie zijn: ouder(s) krijgen het niet georganiseerd om hun kind om wat voor reden dan ook naar school te brengen.

Naar aanleiding van bovenstaande feiten zijn er meerdere gesprekken geweest met de politiek en de gemeente. Deze gesprekken resulteerden in een akkoord met de gemeente, waarin is geregeld dat we jaarlijks een vaste bijdrage krijgen vanuit de gemeente en dat we dan verder het vervoer zelf mogen regelen.

Voor het bijeenbrengen van de gelden voor de aanschaf van de bus hebben we een aanvraag gedaan bij de Lions Club in Nieuwegein. Zij hebben vervolgens een benefietavond georganiseerd, waarbij de collega’s van de school actief betrokken waren, van garderobedienst tot uitserveren, enzovoort. Door de opbrengst van deze benefietavond waren we in de mogelijkheid om een door de autogarage gesponsorde bus te kopen.

De Evenaar mocht dus zelf zorg dragen voor het vervoer. Dit plan is de school verder gaan opzetten en uitvoeren. Leraar Barrie Piekema en collega’s stonden aan het begin van de uitvoering van dit project. “Er waren steeds meer ouders van wie we te horen kregen dat hun kinderen heel lastig op school kunnen komen.”

Zelf vervoer regelen

Toen is er concreet een busje aangekocht. “Inmiddels rijden we met twee busjes en een auto. De leerlingen worden dan op een afgesproken plek opgehaald”, vertelt Piekema.

“Wat ook een belangrijk item was en zeker meespeelt om het vervoer zelf te willen regelen, is dat het voor sbo-leerlingen vaak ook fijn is om bekende en vaste gezichten te hebben in het busje. Dus telkens dezelfde chauffeur. De busjes worden namelijk door onze eigen mensen gereden. “

Er is geen minimum of maximum aantal leerlingen dat deel mag nemen aan het vervoer. Momenteel maken er ongeveer 50 leerlingen gebruik van de regeling. “Aan het begin van het jaar willen we elke leerling die moet, ook in het vervoer hebben en gaan we het zo organiseren dat dit meestal lukt. Soms merken we na een paar maanden dat we dan echt vol zitten. We kunnen niet elke maand wijzigingen van chauffeurs of van plek of met andere zaken. Gedurende het jaar moeten we daarom wel eens aangeven dat we het vervoer niet kunnen bieden, maar eventueel later wel.”
Wat heeft geholpen in het goed kunnen regelen van de logistiek is het afspreken op een ophaalplek. Aanvankelijk werden de leerlingen thuis opgehaald. De tijd die erin ging zitten om huis-aan-huis te rijden bleek in de organisatie van het vervoer lastig te zijn. “Ouders moeten hun kinderen naar een ophaalplek bij hen in de buurt brengen”, vertelt Piekema. “Op de terugweg zetten we ze daar dan ook weer af. Zo blijven ouders ook verantwoordelijk voor het zelf brengen en halen van hun kinderen, dat vinden we belangrijk.” En er is nog een bijkomstig voordeel: “Afspreken op een plek waar je beide heen gaat schept een beetje contact met ouders dat er niet was toen we kinderen thuis op de stoep afzetten.”

Voor wie is er vervoer?

Piekema stelt dat het niet gaat om luxevervoer, omdat ouders bijvoorbeeld beide werken. “We proberen zo goed als mogelijk te kijken of het echt nodig is om voor een leerling vervoer te regelen. Bijvoorbeeld omdat ze anders niet op school arriveren.”
Uiteindelijk is het de bedoeling dat ouders weer zelf gaan halen en brengen. Daar werken we ook naar toe. Kijken wat er nodig is om het zelf te doen. Bijvoorbeeld leren fietsen, organiseren van ritme enz.

Ouders die aanspraak willen maken op vervoer kunnen een formulier invullen, dat door de vervoerscommissie wordt beoordeeld. Die commissie bestaat uit de directeur, de adjunct-directeur en Piekema. Vervoer is niet vanzelfsprekend, ook ouders waarvan het kind al in het vervoer heeft gezeten, moeten bij een nieuw schooljaar opnieuw een aanvraag doen. “We kijken dan secuur naar wat er echt nodig is en wat ouders eventueel zelf kunnen doen.” Dat is heel verschillend per leerling. “Het lukt bijvoorbeeld lichamelijk niet of niet elke dag..” Op basis van diverse afwegingen wordt de keuze gemaakt om een leerling wel of niet in het vervoer op te nemen. Ook krijgen de leerlingen niet alle dagen vervoer, dit omdat wij het contact van de ouders met de school belangrijk vinden.
Op dit moment loopt het vervoer volgens Piekema goed. “We zijn tevreden over hoe we het hebben neergezet.”

PO Magazine

Dit artikel is geschreven voor PO Magazine – Juni 2019. Meer Instondo?

Boek: Omgaan met digitalisering op school

Omgaan met digitalisering op school

In het boek “Omgaan met digitalisering op school” komen actuele en relevante onderwerpen aan bod over digitalisering en sociale media, zowel binnen als buiten de muren van het klaslokaal. Er staan tips in over het hanteren van een goede en gemakkelijke manier om de sociale media van de school goed te onderhouden. Privacy is zowat het ‘woord van de dag’ als het over digitalisering gaat. Dit boek geeft antwoorden over hoe om te gaan met deze privacy. Er wordt een inkijkje gegeven in de wetgeving. Dit wordt vertaald naar makkelijke tools om ouders te garanderen dat de school goed met de gegevens van leerlingen omgaat.
Verder wordt de leraar getriggerd om digitalisering mee te nemen ter ondersteuning van het lesprogramma. Een korte blik in de toekomst geeft de zich in rap tempo ontwikkelende wereld weer. Tot slot helpt dit praktische boek leraren ook om ouders te adviseren op het gebied van media en digitale hulpmiddelen.

Voor Instondo schreef ik eerder al het boek “Sociale media slim inzetten op school“. Meer Instondo?