Coalitie Onderwijs Jeugd en Zorg: Met andere ogen

PO-Magazine

In 2018 werd de Almeerse ex-wethouder René Peeters geïnstalleerd als kwartiermaker in de zogenaamde brede coalitie. Daarin wordt de samenwerking tussen onderwijs, jeugdhulp en zorg op een passende manier vormgegeven. In de praktijk is daar in de afgelopen jaren op verschillende manieren en op verschillende plaatsen handen en voeten aan gegeven. Het ontwikkelprogramma waarin deze voorbeelden worden samengevoegd heet ‘Met Andere Ogen’.

Op de website van Met Andere Ogen (www.aanpakmetandereogen.nl) is weergegeven wat er in het land is ontstaan binnen de samenwerking en welke projecten er worden opgetuigd. Voor de zomer zijn er oproepen geplaatst voor zogenaamde inspiratieregio’s. Deze regio’s vormen op een eigen manier een inspirerend voorbeeld. Zij laten voorbeelden zien waar het, soms ondanks andere wetgeving en financieringsstromen, is gelukt om de samenwerking te versterken ten behoeve van de ontwikkelkansen van kinderen. Elke regio heeft ook ontwikkelvragen en uitdagingen waarbij de regio’s van elkaar en anderen kunnen leren.

 

Inspiratieregio’s

Inmiddels zijn er elf inspiratieregio’s. Die moeten het hart vormen van Met Andere Ogen. Het gaat om de regio’sTwente, Noord-Kennemerland, Regio NO-Friesland, Holland-Rijnland, Zuid-Kennemerland, De Meierij, Utrecht, Leeuwarden, Zuid-Limburg, Almere en FoodValley. In dit artikel geven we het verhaal van twee inspiratieregio’s, Almere en Twente, weer.

Op al deze plekken lopen vernieuwende projecten waarin lef en uitvoeringskracht in de praktijk leiden tot het verbinden van onderwijs, jeugdhulp en zorg. Zij hebben de wens om actiever te worden om de ontwikkelkansen van kinderen te vergroten. Elk van deze regio’s heeft een of twee mensen aangesteld die werken als verbinder binnen Met Andere Ogen. Op hun beurt zijn zij weer verbonden aan iemand vanuit een landelijke partij, de zogenaamde Coalitieverbinders. Samen vormen zij een landelijk verbindersnetwerk.

In deze inspriatieregio’s, die bewust verspreid over het land gekozen zijn, komen verschillende aspecten aan de orde. Er zijn vragen over verandermanagement, cultuur, monitoring, het betrekken van ouders en kinderen, de poreuze randen van de budgetten en over steun van andere regio’s. Centraal staat de vraag wat er nodig is om stappen te zetten die voor het kind en de ouder daadwerkelijk goed werken.

Een inspriatieregio deelt zowel op bestuurlijk als op uitvoerend niveau kennis en kunde, dilemma’s en successen met andere aandeelhouders in het netwerk en inspireren zo anderen om te doen wat werkt voor kinderen. De aanpak maakt het ook mogelijk om stelselwijzigingen en systemische belemmeringen die nodig zijn bij de juiste betrokken partijen te (laten) agenderen.

 

Inspiratieregio Almere

In Almere bestaat sinds ongeveer drie jaar het onderwijs-jeugdarrangement (OJA), voor leerlingen met een licht verstandelijke beperking. Vijf scholen in de gemeente bieden dit inmiddels aan. Elke school heeft een hoofdaanbieder en iemand die het budget beheert. Wanneer er hulp nodig is die niet binnen het arrangement valt, wordt via de hoofdaanbieder gekeken hoe andere aanbieders kunnen worden ingezet. Zo wordt lichte ondersteuning zowel op school als thuis mogelijk gemaakt. Het resultaat: minder thuiszitters en minder verwijzingen naar zwaardere vormen van hulp.

Binnen het OJA wordt nu, na enkele jaren, vooral ingezet op preventieve hulp. De omschakeling van acute naar preventieve hulp is een succes dat na enkele jaren wordt binnengehaald. Bertien Hoek, directeur van praktijkonderwijs Almere en Esmeralda Krone, coördinator OJA, vertellen erover.

“Zo’n tien jaar geleden zochten we naar een organisatie die bereid was om dagbehandelingen op school aan te bieden. Waardoor onze leerlingen niet buiten school hoefden te komen voor een behandeling. Daarmee werd voor hen een belangrijke drempel weggenomen”, blikt Hoek terug. “We hebben een partner gevonden die dat aandurfde. Die is gestart op een van onze locaties. Dat is niet vanzelf gegaan, maar toen het er eenmaal was en er meer leerlingen gebruik van konden maken, is dit goed bevallen. Leerlingen kunnen vanuit de les naar de dagbehandeling. In enkele jaren zijn we dat ook gaan exporteren naar andere locaties.” Behalve voor leerlingen, is het ook voor ouders belangrijk dat het bij school hoort.

Toen het eenmaal liep, ontstond de wens om deze dagbehandeling op school intensiever te maken. School en de behandeling werden meer verweven met elkaar omdat gedragsbehandeling in de klas mogelijk werd gemaakt. Dit gebeurt via een ambulant begeleider. Omdat dagbehandeling na school zou moeten plaatsvinden en niet onder schooltijd, begon dat formeel te knellen. Hoek: “Daarom wilden we een OJA aanvragen bij de gemeente. Dan zouden alle leerlingen die dat nodig hebben passende zorg op school kunnen krijgen. We hadden de overtuiging dat als we meer vanuit school zouden kunnen doen, we het laagdrempeliger kunnen maken en ouders makkelijker kunnen bereiken.” Een ander voordeel is dat de hulp niet met beschikkingen hoeft te worden ingevlogen. “Dat scheelt papier en heel veel handtekeningen. Dit deden we al langer, maar het mocht officieel niet.”

Door deze manier van werken wordt het mogelijk om preventief en aan de voorkant ondersteuning te bieden. Krone: “Uiteindelijk is de OJA er in 2019 gekomen. Met name budgettair gezien was dat een gesteggel. We hebben meerdere jaren nodig om het goed op te zetten en succeservaringen te kunnen oogsten. Die fase gaat nu komen.” Een deel van dat succes zit hem in het feit dat de hulp en het onderwijs dicht op elkaar zitten. “Dat betekent namelijk dat je snel van alles ziet en effectief en efficiënt kunt handelen. Daar wordt het niet per se goedkoper van, maar wel sneller en op termijn preventiever. Aan de andere kant geeft het grip op de kosten: we merken dat we dichterbij zitten en dat doet wat met het uit de maat laten lopen van allerlei hulpverlening.”

 

Inspiratieregio Twente

De inspiratieregio Twente zet in op het bieden van perspectief voor de toekomst. Een van de concrete stappen om dat perspectief te vergroten is de pilot interprofessioneel werken. Interprofessioneel betekent uiteraard samenwerken tussen professionals uit het onderwijs, de jeugdhulp en de zorg. Deze pilot vindt plaats op 13 scholen en hun samenwerkingspartners. Het doel: de samenwerking verbeteren om de ontwikkelkansen van leerlingen te vergroten. Er is gestart vanuit een nulmeting, waarbij de huidige samenwerking in kaart is gebracht. Debbie Nijhof, Betty Peters (beide intern begeleider) en Marjan Wolf (IKC-directeur) vertellen over hun ervaringen in deze aanpak. Zij startten drie jaar geleden met dit idee.

Nijhof: “Wij hadden het idee om een integraal kindcentrum (IKC) neer te zetten voor alle kinderen tot 13 jaar. De verschillende functies, zoals onder meer een peuterspeelzaal, een fysiotherapeut, een bso en een kinderdagverblijf waren al aanwezig. Wij wilden dat inhoudelijk samenbrengen. Wij hebben hiervoor een plan geschreven en het team meegenomen via studiedagen. Dit leidde tot een pedagogische visie op onderwijs, opvang en in het algeheel op kinderen. We zijn begonnen met de filosofie van de vreedzame school.” Deze visie is een samenwerking tussen alle mensen binnen het IKC. Zo draagt iedereen dezelfde visie uit.

“Ons plan heet ‘samen in beweging voor een vreedzame toekomst’. Dat stukje beweging vinden we heel belangrijk. We sluiten aan bij de methodiek beweegwijs. We richten ons schoolplein groen en beweegwijs in”, legt Nijhof uit. In het kader van Met Andere Ogen willen de Twentenaren nu verder om andere partijen die te maken hebben met jonge te verbinden aan de visie. Wolf: “De BSO, de peuterspeelschool, een gemeentelijk regisseur, een schoolarts, een schoolverpleegkundige en een schoolzorgzorgondersteuner sluiten inmiddels ook aan. Dat resulteert in heel korte lijnen. Samen vormen wij de pilot interprofessioneel werken.” Deze groep is op dit moment bezig te ervaren hoe de verbinding met elkaar het best gezocht kan worden. Nijhof: “Het komt erop neer dat we bekijken hoe de cases het best kunnen worden aangepakt en de juiste zorg het best bij de kinderen terechtkomt.” En ook is er op dit moment veel aandacht voor preventie: “Hoe zorgen we ervoor dat zaken geen groot probleem worden, maar dat we goede oplossingen vinden binnen ons IKC.”

Volgens Wolf is het goed om bij dit soort plannen vooral de populatie goed te kennen. “Om de beste en de juiste zorg te leveren, moeten de plannen goed zijn afgestemd op de eigen populatie. Dat betekent dat dit plan steeds iets wordt bijgesteld. We zijn over tien jaar niet precies hetzelfde aan het doen, maar onze activiteiten evolueren met de populatie mee. Op dit moment is taal een belangrijk item, naast bewegen. We zetten heel erg in op wat wij denken dat de leerlingen op dit moment nodig hebben.” Nijhof vult aan: “Daarbij zoeken we naar expertise dichtbij, zodat ouders weten wat ze bij ons kunnen verwachten. Zij hebben bij ons een vast aanspreekpunt. Binnen het IKC zetten we als dat nodig lijntjes uit daar onderlinge expertise op verschillende vlakken. We willen voorkomen dat ouders verdwalen en steeds opnieuw ergens aan de bel moeten trekken om hulp te krijgen.”

Dit artikel verscheen in PO Magazine – editie april 2021.