Geldstromen door de school

PO-Magazine

‘Van OCW naar 7B’

“Het onderwijs slaagt op school. Daar gebeurt het. Maar in hoeverre ligt de zeggenschap over het slagen van onderwijs ook op school?”, vraagt Marije van den Berg zich af. Zij is een van de initiatiefnemers van het onderzoek ‘Geldstromen door de school’, waarin de besteding van de middelen onder de loep is genomen. Ze begon – uit pure nieuwsgierigheid – in 2016 met een financieel onderzoek op de school van haar kinderen in Leiden.

Het onderzoek is een gezamenlijk project geworden van een ouder (Van den Berg), de schoolleider, twee leerkrachten en twee Leidse gemeenteambtenaren. Ook Peter Hulsen, directeur van Ouders&Onderwijs, schoof aan. De twee onderzoekers Pieter Buisman en Nathan Rozema, konden dankzij een subsidie van de gemeente Leiden aan de slag.

De onderzoeksclub had een stevige ambitie: “Door de onderwijsgeldstromen door en rond de school grondig in beeld te brengen krijgen we inzicht in knelpunten en kansen voor verbetering van efficiency en effectiviteit. Met dat inzicht kunnen we trefzekerder sleutelen aan samenwerking en zeggenschaps-(her)verdeling in en rond de school.” Van den Berg vertelt verder dat het onderzoek twee jaar heeft geduurd en tot twee conclusies is gekomen. Allereerst is het ingewikkeld om er precies achter te komen hoe het geld wordt verdeeld en waar die beslissingen precies worden genomen. Ten tweede kwamen de onderzoekers tot de ontdekking dat over bijna de helft van het onderwijsgeld boven de hoofden van de scholen wordt besloten.

“Oorspronkelijk wilden we er met elkaar achter komen hoe we met dezelfde hoeveelheid geld meer zouden kunnen bereiken. Hiervoor zijn we eerst gaan kijken op school, maar al snel moesten we het plein af en kwamen we via allerlei wegen bij het ministerie van OCW terecht”, vertelt Van den Berg. “De geldstromen blijken een ongelofelijk ingewikkelde kluwen. En hoe ingewikkelder, hoe meer geld er weglekt of blijft hangen.” Het schema op de volgende pagina laat dat duidelijk zien.

 

“Als je vanuit de school vertrekt sta je al snel voor een groot aantal keuzes. De ene school zal breed willen inzetten op taalonderwijs, waar de andere zich bijvoorbeeld meer wil richten op digitale vaardigheden”, aldus Van den Berg. “Die keuzes kun je maken als je ook zeggenschap hebt over waaraan je als school het geld uitgeeft en inzicht hebt in hoe de geldstromen lopen.” Dat begint dus op de school. “Hoe mooi zou het zijn dat elke school kan bedenken wat er nodig is op jouw locatie, met jouw leraren, jouw ouders en jouw leerlingen en ga dan een plannetje maken over de besteding van de middelen en welke samenwerkingen er nodig zijn voor het beste onderwijs op jouw school.” In wezen is een basisschool als organisatie heel simpel. Van den Berg: “We stelden als experiment met een groep 7B de schoolbegroting op. Die was niet anders dan de officiële: een leraar, met nodige hulp, in een lokaal vol met leerlingen. We hebben een gebouw – liefst een beetje schoon – en we hebben leermiddelen en extraatjes als een museumbezoek en een sportdag. Zo simpel is de begroting van een locatie, zo simpel zou het met de besteding van het onderwijsgeld ook moeten zijn. Helaas is het echte financieel allocatiemodel veel complexer. Onnodig complex, in onze ogen.”

 

Uit het onderzoek blijkt dat 52 procent van elke euro die het ministerie aan het basisonderwijs uitgeeft, in de klas terecht komt. De vervolgvraag is dan waar de rest van het geld, bijna de helft van het budget, allemaal terechtkomt. En: wie daarover de keuzes maakt.

 

In de weg tussen school en ministerie kom je dan bij de directeur van de school, de bestuurder van de onderwijsstichting en de raad van toezicht, langs de organisatie van passend onderwijs, het vervangingsfonds voor als een leraar ziek is, een groot aantal gemeentelijke afdelingen en wat instellingen met een directie, een staf, een bestuur en een eigen raad van toezicht. “Natuurlijk zijn daar een heel aantal nuttige dingen inbegrepen, maar je kunt je afvragen of daarvoor de helft van het geld nodig is”, stelt mede-onderzoeker Pieter Buisman. “Kan dat niet efficiënter en kan er niet meer geld rechtstreeks naar de klas? Tien cent per euro verschuiven naar de klas betekent meer geld voor het onderwijs direct aan leerlingen. Daar kan een leraar heel wat mee doen: een hulp in de klas inschakelen, een nieuwe methode aanschaffen of laptops gebruiken. Al wat voor zijn leerlingen het best is.” Het punt in de praktijk is dat de school vaak niet zomaar kan meebeslissen over deze keuzes. Die worden doorgaans buiten de school gemaakt, juist doordat de helft van de budgeten al zijn bestemd of zelfs uitgegeven voordat het de school heeft bereikt.

 

Begin bij de school

Om dat te veranderen is het volgens de onderzoekers zaak dat de zeggenschapover onderwijsgeld bij de scholen komt te liggen. Van den Berg: “Scholen kunnen zelf best de keuzes maken over wat zij belangrijk vinden en nodig hebben. Daar kun je dan het geld aan uitgeven. Welke expertise moeten we inhuren en waar kunnen we slim samenwerken? Dat zien we nu in de praktijk bij de werkdrukmiddelen; daar kan het wel en lukt het prima.”

“Wij pleiten daarom voor het omkeren van de bekostiging: begin op school en leg de zeggenschap daar neer. Als scholen vervolgens ervoor kiezen om een deel van het werk uit te blijven besteden aan een gezamenlijk ondersteunend staf- en bestuur bureau, is dat natuurlijk prima. Als het maar een bewuste keuze is, dienend aan de scholen en te volgen voor de medezeggenschapsraad (mr).”

Van den Berg ziet de discussie zich toespitsen op de relatie tussen besturen en scholen. “Er is in onze optiek veel winst te halen – letterlijk en figuurlijk – in het systeem tussen OCW en de besturen in. De instellingen en bureaus daar moeten steviger gaan verantwoorden: in hoeverre dragen hun diensten bij aan de onderwijskwaliteit op scholen? Die verantwoording ontstaat als je de zeggenschap verlegt. Dan wordt het vraaggestuurd in plaats van aanbodgestuurd.”

 

Medezeggenschap en Toezicht

“Ook je toezicht en verantwoording zou mee moeten bewegen: niet alle gegevens naar Den Haag toe aggregeren, maar lokaal en passend toezien, in de context van de school. Het instemmingsrecht op de begroting van de MR, waartoe Slob nu heeft besloten, biedt daarvoor kansen. Maar adel verplicht ook: dan moeten we de toerusting van MR’en willen verbeteren. En ook kunnen veel raden van toezicht veranderen: opener worden, meer in contact staan met leraren, schoolleiders en ouders.” Feitelijk in lijn met de toekomstvisie van de VTOI (vereniging voor toezichthouders) die ook pleiten voor meer contact tussen stakeholders en toezichthouders van onderwijsorganisaties.

Geldstromen door de school

Omdraaien

Het antwoord op de vraag: ‘waar blijft het geld dat OCW uitgeeft?’ zit hem in de dingen waaraan klaarblijkelijk geld wordt uitgegeven, maar waar scholen, ouders, leerlingen niets van merken. Dat kan anders. Daarvoor moet de route van onderwijsfinanciering feitelijk worden omgedraaid. Dat moet je niet lichtzinnig doen volgens de onderzoekers. “In elk geval al niet omdat de organisatievorm met grotere overkoepelende besturen, inclusief passend onderwijs, geld op een andere manier over scholen verdeelt dan de lumpsum doet.”

Benieuwd naar de uitkomsten van het onderzoek? Deze worden gedeeld via: www.geldstromendoordeschool.nl/onderzoekrapport.

Dit artikel verscheen in PO Magazine van april 2019. Lees hier meer.