‘Leve onze leraren’

PO-Magazine

“Onze leraren zijn geweldig. En bovenal deskundig”, vindt Emiel van Doorn. Maar ze hebben gaandeweg steeds meer op hun schouders gekregen volgens de expert in mediërend leren. Wat Van Doorn tegen de borst stuit is het gebruik van eindeloos vaste protocollen, instructiemodellen en toetsen. “Dat maakt onze leraren vooral bekwaam in het geven van instructie en in het begeleiden van hun leerlingen. Dankzij dat vele toetsen wordt er (te) veel druk op zowel de leerlingen als de leraar gelegd.”

Zijn boodschap is: “het is niet nodig om zoveel te toetsen als we vandaag de dag vaak doen”. Van Doorn wijst op de vele uren die een leraar besteedt aan de afname van toetsen. De toetsen worden niet alleen afgenomen, maar moeten ook worden gemaakt en achteraf worden nagekeken en administratief verwerkt worden. “Natuurlijk moet je af en toe kunnen peilen hoe het ervoor staat met een leerling, maar we hoeven echt niet al die overhoringen en toetsen af te nemen.” De afnametijd en de uren die besteed worden aan nakijken en aan de administratie, kunnen dan beter besteed worden. “Bovendien raken leerlingen gestrest omdat ze worden overhoord en dus direct worden geconfronteerd met wat ze antwoorden op dat moment. Iedereen verliest feitelijk als de leerlingen in de stress raken en de leraar veel tijd kwijt is. Is dat nou nodig?” De confrontatie met toetsen en toets uitslagen kent Van Doorn goed. Zelf is hij dyslectisch en dat speelde hem nogal eens parten tijdens zijn carrière op school. Inmiddels mag hij zich auteur noemen van meerdere boeken. “Ik weet dat ik niet goed kan spellen, dus dan moet ik het proces dat gepaard gaat met het schrijven van mijn boek anders aanpakken dan iemand die wel goed is met spellen”, legt hij uit. “Dat kan met leerlingen en hun specifieke aanpak ook.”

Onze leraren zijn geweldig en bekwaam; maar het is echt niet nodig om zoveel te toetsen zoals we vandaag de dag vaak doen”.

“De huidige toetsdruk maakt het ingewikkeld om oog te blijven houden voor de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen. Het voortdurend verantwoording moeten afleggen komt het leerproces niet ten goede. Ook voor de ouders werkt dat belemmerend.” Dus leraar, leerling en ouder zouden allemaal niet gebaat zijn bij een toetscultuur. Naast minder toetsen doen leraren er goed aan om te investeren in een ontwikkelingsgerichte relatie met hun leerlingen. Daarbij is het volgens Van Doorn belangrijk dat zij aansluiting zoeken bij hun leerlingen en hun actuele leerniveaus. “Als die aansluiting goed is, dan is toetsen om te kijken waar een leerling staat in elk geval minder nodig.” Leerkrachten zouden minder afgerekend moeten worden op het toepassen van instructiemodellen, toets resultaten en procedures. Meer zou gekeken moeten worden hoe zij leerlingen verder hebben laten ontwikkelen.

 

Wat aandacht krijgt groeit

“Leerlingen en ouders kunnen en willen best accepteren dat sommige leerresultaten wat achterblijven of net wat later worden opgepakt, mits ze te horen krijgen dat er desondanks sprake is van ontwikkeling op veel andere gebieden”, stelt Van Doorn. “Laten we ons, zeker als leraren, niet gek maken met opmerkingen als: ‘dit moet van de inspectie’, of ‘pas op, we moeten niet onder het landelijke Cito-gemiddelde terecht gaan komen’ of ‘wat ga jij doen aan het slechte cijfers van je leerlingen’?”. Van Doorn pleit om in plaats daarvan te richten op het bewust maken van leerlingen van hun talenten, kwaliteiten en mogelijkheden, en hen probleemeigenaar te maken van zoveel mogelijk van hun ontwikkelvragen.

En daar ligt de crux. “We zijn zo ontzettend getraind, opgevoed en getriggerd om te kijken naar waar het fout gaat, dat we vergeten om te kijken wat er goed gaat. Dat we vooral de focus hebben op wat er niet goed of wat onder het gemiddelde is. Terwijl we zo blij worden van de dingen die juist wel goed gaan en daarop complimenten krijgen. Het is niet motiverend om steeds te horen te krijgen dat we niet voldoen aan een norm, niveau of wat dan ook. Wat doet dat uiteindelijk met je zelfbeeld, je zelfvertrouwen en je wens tot zelfontwikkeling?”

Ik weet dat ik niet goed kan spellen, dus dan moet ik het proces van een boek schrijven anders aanpakken dan iemand die wel goed is met spellen.

Leerlingen en hun ouders hebben er veel meer aan om aan de slag te gaan met de kennis dat zij hun ontwikkelvragen ‘samen’ met anderen kunnen aanpakken en oplossen.. Want, zo zegt Van Doorn, wat aandacht krijgt, dat groeit. Maar het moet wel op de juiste manier aandacht krijgen. En dat is niet door af te rekenen op fouten als het aan Van Doorn ligt. “Een leerling kan werken aan bijvoorbeeld rekenen terwijl hij daar minder goed in is. Maar als hij dat samen met anderen mag uitvoeren dan houdt hij een positief toekomstbeeld. Dat zal hem veel beter afgaan dan dat hij bang is om op de toets voor zijn kunnen te worden afgerekend.”

De leerlingen zouden dus moeten weten dat het samen mag, want alleen in het onderwijs word je afgerekend op wat je alleen kan en in de maatschappij zal je het uiteindelijk samen met een ander oplossen. Een leerling moet perspectief hebben. Het is voor een kind en voor de ouders niet zo prettig om te horen dat het kind een achterstand heeft. Het is overigens ook maar net de vraag waarmee je vergelijkt. Het is toch voldoende en ook beter om te weten op welk niveau je kind het functioneert en of er ontwikkeling is geweest inde afgelopen periode? Alleen investeren in beperkingen is een doodlopende weg. Ontwikkeling kent bij iedereen pieken, dalen, tempoversnelling en opstoppingen; dat is niet gek, dat is natuurlijk. Een stap voor stap voor gestructureerde methodiek sluit daarop vanzelf onvoldoende aan.

Het gaat er vaak niet om dat hij ergens niet goed in is, de manier van werken doet ertoe. Kinderen die in het ene vak of met de ene vaardigheid minder  goed zijn, kunnen gewoon de huidige participatiemaatschappij in, ziet Van Doorn. “Het gebrek aan iets maakt normaal gesproken niet het verschil. Juist de talenten en de kwaliteiten die een leerling heeft kunnen hem ver brengen. Kijk naar wat ik met mijn dyslexie toch maar voor elkaar krijg.” Met andere woorden, de focus op het gebrek aan kennis of kunde bij een vak, zal een leerling veel minder helpen dan de focus op de vraag waar een leerling wil komen. Dan kunnen we spreken over de vraag hoe dit dan zal lukken. “En in dat proces ontstaat een belangrijke, kwalitatieve relatie tussen de leerlingen onderling en met de leraar.”

Emiel van Doorn (1960) is de drijvende kracht achter (de totstandkoming van) Mediërend Leren. In april verschijnt zijn nieuwe boek over dit onderwerp. Emiel heeft een onvoorwaardelijk geloof in de krachten, kwaliteiten en ontwikkelingsmogelijkheden van elk mens. Zijn levensmotto is: Als je niet voor de kwaliteiten van iemand gaat, dan moet je van zijn beperkingen afblijven!

Dit artikel verscheen in PO Magazine van februari 2019. Lees hier meer.